Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
NL 17.1483
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

trefwoorden: Hillah, provincie Babil, Irak; opvolgende aanvraag;geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd; eerwraak al eerder beoordeeld; geen 15c-situatie; artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn; inreisverbod staat in rechte vast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.1483

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. R.C. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 maart 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen M. Oublal, tolk. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum]. Hij bezit de Iraakse nationaliteit en is afkomstig uit Hillah, provincie Babil, Irak.

2. Eiser heeft op 17 juli 2014 een (vijfde) opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend (hierna: de aanvraag). Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Babil is verslechterd en dat een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Richtlijn 2004/83 EG (de Definitierichtlijn), geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (hierna: 15c-situatie) zich voordoet. Verder speelt, net als in de voorgaande procedures, nog steeds de kwestie van de eerwraak.

3. Bij besluit van 11 september 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 9 oktober 2014 (AWB 14/20793) is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen omdat de vraag of in Hillah sprake is van een 15c-situatie zich gelet op onder meer het voor Babil ingestelde besluit- en vertrekmoratorium, niet leent voor beantwoording door de voorzieningenrechter.

5. Verweerder heeft op 1 december 2014 het besluit van 11 september 2014 ingetrokken. Hierop heeft eiser het beroep ingetrokken.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen, op grond van artikel 31 van de Vw (oud), zoals dit luidde tot 20 juli 2015. Redengevend hiervoor is ten eerste dat de gestelde vrees voor eerwraak al in eerdere procedures is beoordeeld. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat er in Babil geen sprake is van een 15c-situatie. Om naar Babil te kunnen reizen hoeft eiser zich niet te begeven in een gebied waar sprake is van een dergelijke situatie.

7. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de eerwraakkwestie al is beoordeeld in de eerdere procedures. De door eiser ingestelde beroepen tegen de afwijzing van zijn eerdere asielaanvragen zijn in eerdere procedures ongegrond verklaard. Voor zover eiser daartegen hoger beroep heeft ingesteld, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 26 maart 2010 respectievelijk 7 augustus 2012 de uitspraken van de rechtbank bevestigd en het hoger beroep van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Nu eiser in de onderhavige procedure hieromtrent in het geheel geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, slaagt eisers primaire beroepsgrond niet.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een 15c-situatie. Zoals ter zitting door eiser is verklaard en in de onder 4 bedoelde uitspraak is vastgesteld, is eiser afkomstig uit Hillah, dat is gelegen in de provincie Babil in Irak. De rechtbank verwijst naar de brief van 9 december 2015 van verweerder aan de Tweede Kamer (kamerstuk 19637 nr. 2015) over de beleidsconclusies naar aanleiding van het Thematisch ambtsbericht inzake Irak van 13 oktober 2015 en de beslissing het besluit- en vertrekmoratorium voor de provincies ten zuiden van Bagdad, waaronder de provincie Babil, te beëindigen. In die brief is vermeld dat geen sprake is van een 15c-situatie in Bagdad, noch in de negen zuidelijke provincies van Irak (inclusief Babil), noch in de Koerdische Autonome Regio (KAR). Voor zover eiser zich ter zitting heeft beroepen op de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 1 juni 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4198), waarin is vermeld dat geen 15c-situatie wordt aangenomen voor Babil, met uitzondering van het noordelijke deel, kan dat eiser niet baten. Immers is Hillah - zoals eiser ter zitting heeft bevestigd - gelegen in het centrale deel van de provincie Babil. Eiser heeft zijn stelling dat ten aanzien van Babil nog steeds een 15c-situatie wordt aangenomen en dat het niet mogelijk is om Babil te bereiken zonder door een dergelijk gebied te reizen, bovendien in het geheel niet onderbouwd. De beroepsgronden die zien op Bagdad als vestigingsalternatief treffen evenmin doel, nu verweerder Bagdad niet als vestigingsalternatief aan eiser heeft tegengeworpen.

10. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat het opgelegde inreisverbod disproportioneel is. Ook deze grond slaagt niet. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 19 februari 2013 (AWB 12/6238) reeds over het inreisverbod geoordeeld. Daarbij is het beroep hiertegen weliswaar gegrond verklaard, maar zijn de rechtsgevolgen in stand gelaten. Daarmee staat dit besluit in rechte vast en is een nieuwe beoordeling van het inreisverbod niet aan de orde.

11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 oktober 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.