Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13228

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
NL17.8487, NL17.8489 en NL17.8491
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvragen als ongegrond. Relazen geloofwaardig. Discriminatie Roma in Moldavië. Onvoldoende zwaarwegend. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.8487, NL17.8489 en NL17.8491


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2017 in de zaken tussen

[eiseres 1], eiseres 1,

[eiser] , eiser, en

[eiseres 2] , eiseres 2

samen: eisers

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 4 september 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum]. Eiser is haar neef, geboren op [geboortedatum] en gehuwd met eiseres 2, die geboren is op [geboortedatum]. Eisers hebben de Moldavische nationaliteit. Op 25 juni 2017 hebben zij aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres 2 heeft dit mede namens hun minderjarige kinderen [kind] (geboren op [geboortedatum]) en [kind] (geboren op [geboortedatum]) gedaan.

2. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij behoren tot de Roma-bevolkingsgroep in Moldavië en op grond van hun etniciteit te maken hebben met discriminatie. Eiseres 1 heeft verklaard stelselmatig te worden beledigd en gediscrimineerd door de bevolking van Moldavië en dat zij drie jaar geleden door een onbekende man is uitgescholden voor zigeuner, in haar arm is gestoken en op haar hoofd is geslagen. Eisers hebben geen werk of een eigen woning door hun Roma afkomst.

3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de nationaliteit, identiteit, herkomst en etniciteit van eisers, alsmede de door hen ondervonden problemen vanwege hun Roma afkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiseres 1 echter niet gevolgd in haar gestelde vrees om wederom slachtoffer te worden van eenzelfde incident als drie jaar geleden, nu er sindsdien geen nieuwe incidenten zijn geweest. De door eisers gestelde discriminatoire bejegening in Moldavië jegens Roma leidt niet tot de conclusie dat zij als vluchteling moeten worden aangemerkt. Hoewel de maatschappelijke positie van de Roma-gemeenschap in Moldavië zorgelijk is, is er geen sprake van vervolging van Roma in Moldavië uitsluitend vanwege het behoren tot die bevolkingsgroep. Verweerder heeft hierbij verwezen naar onder meer het Moldova 2016 Human Rights report van het US Departement of State. Niet is gebleken dat de door eisers ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eisers hebben dus geen gegronde reden te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of het risico op ernstige schade bij terugkeer en komen dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, aldus verweerder.

4. Op hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 29, eerste lid en onder a, van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. In artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is neergelegd dat daden van vervolging in de zin van artikel 1A a) zo ernstig van aard moeten zijn of zo vaak voor moeten komen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); of b) een samenstelling zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a.

6. Op grond van artikel 29, eerste lid en onder b, van de Vw kan een dergelijke vergunning ook worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit: doodstraf of executie; folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

7. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een asielaanvraag afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32 van de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers weliswaar als Roma worden gediscrimineerd, maar dat de ernst van de door hen ondervonden discriminatie en achterstelling niet zodanig is dat eisers daarom in aanmerking komen voor een asielvergunning. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet in staat zijn om in Moldavië op sociaal en maatschappelijk gebied te kunnen functioneren. Immers, uit hun verklaringen blijkt dat zij door de Moldavische autoriteiten in het bezit zijn gesteld van een paspoort, dat zij een huurhuis hadden en dat eiseres 2 een uitkering, die bedoeld is voor kinderen tot anderhalf jaar oud, ontving. Dat zij geen officiële woonregistratie kregen en dus geen uitkering kregen doet hieraan niet af nu dit voor iedereen gold en niet alleen voor Roma’s. Voorts is uit de verklaringen van eiseres 2 gebleken dat de kinderen naar school kunnen en dat zij toegang heeft tot de gezondheidszorg. Uit haar verklaringen is niet gebleken dat zij specifiek vanwege haar Roma achtergrond extra voor deze zorg zou moeten betalen. Daarnaast schetsen de rapporten genoemd in de door eisers bij zienswijze ingebrachte brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 30 augustus 2017 over de situatie van Roma geen ander beeld dan de door verweerder in het voornemen genoemde bronnen. Daarom komen deze niet het gewicht toe dat eisers daaraan gehecht willen zien.

Verweerder heeft voor het overige eiseres 1 terecht niet gevolgd in haar gestelde vrees om opnieuw slachtoffer te worden van eenzelfde incident als drie jaar geleden. Het betreft hier immers een niet nader geconcretiseerd vermoeden van een onzekere toekomstige gebeurtenis nu zich geen nieuwe incidenten meer hebben voorgedaan.

9. Eisers komen op grond van het vorenstaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vw.

10. De beroepen zijn ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.