Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
NL17.3462
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghaanse. Afwijzing eerste asielaanvraag. Geloofwaardigheid van het asielrelaas. Zorgvuldigheid van de beoordeling. Werkinstructie 2014/10. Artikel 22 IVRK. Afwachten onderzoek IMMO. Positie als Hazara. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3462


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.P.M. Sio),

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 13 november 2015 heeft hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat zijn vader is omgekomen bij een auto-ongeluk en dat hij is bedreigd door de politie omdat tijdens het onderzoek naar de toedracht van dat ongeluk zowel in de auto als in de winkel van eisers vader verboden wapens zijn aangetroffen. Daarnaast heeft eiser aan de aanvraag ten grondslag gelegd dat de nabestaanden van de andere inzittenden genoegdoening eisen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is met uitzondering van zijn nationaliteit, identiteit en herkomst.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan bij het beoordelen van zijn verklaringen omdat deze beoordeling niet in overeenstemming is met de Werkinstructie 2014/10 waarin verweerder de wijze van beoordelen heeft neergelegd. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met de verschonende omstandigheden, inhoudende dat hij minderjarig was tijdens de gehoren, dat hij analfabeet is en is opgegroeid in een klein dorpje op het platteland en dat hij lijdt aan posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook is door aldus te handelen volgens eiser het bepaalde in artikel 22 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) geschonden.

5. Uit het advies aan verweerder van de ‘Forensisch Medische Maatschappij Utrecht B.V.’ van 28 januari 2016 blijkt dat bij eiser geen beperkingen zijn vastgesteld voor het horen en beslissen. Daarnaast blijkt uit het rapport van het ‘Nader gehoor AMV 12-18 jr’ van 1 maart 2016 dat verweerder bij het afnemen van het gehoor heeft aangesloten bij eisers referentiekader. Zo zijn de vragen die aan eiser zijn gesteld eenvoudig verwoord, is op diverse momenten uitleg gegeven aan eiser over de strekking en het belang van de vragen, heeft de gehoorambtenaar zich ervan vergewist of eiser de vragen begreep en desnoods een verduidelijking gegeven en is aan eiser alle ruimte gegeven om te verklaren en om te verzoeken om pauzes. Verder geeft dit gehoorverslag er geen blijk van dat eiser op enig moment niet in staat is geweest om het gesprek met de gehoorambtenaar te voeren. Uit de door eiser ingediende correcties en aanvullingen blijkt dat ook niet. Wel heeft eiser herhaaldelijk verklaard dat hij de vragen begreep. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in overeenstemming met de Werkinstructie 2014/10 heeft gehandeld en bij de besluitvorming heeft mogen afgaan op de verklaringen zoals eiser die tijdens de gehoren heeft afgelegd.

6. Ten aanzien van de verklaring van eiser, eerst ter zitting afgelegd, dat hij is verkracht, oordeelt de rechtbank dat die verklaring niet kan leiden tot een ander oordeel. Immers blijkt uit pagina 12 van het gehoorrapport dat aan eiser uitdrukkelijk is gevraagd of hij seksueel is misbruikt, dat hij die vraag heeft begrepen en dat hij die vraag ontkennend heeft beantwoord.

7. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 22 van het IVRK oordeelt de rechtbank dat dit artikel slechts in zoverre rechtstreeks kan worden toegepast voor zover daarin is neergelegd dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind dienen te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan dit vereiste voldaan door te handelen zoals onder 5 omschreven en door te toetsen aan het bijzondere beleid voor minderjarige asielzoekers (pagina 5 en 6 van het voornemen).

8. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte de uitkomst van een door het ‘Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek’ (IMMO) opgestart onderzoek niet heeft afgewacht. Hij voert aan dat hij lijdt aan PTSS en heeft ter onderbouwing van die stelling gewezen op een afschrift van zijn patiëntendossier van 8 december 2016 en op een brief van iPsy van 31 maart 2017. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestuurlijke fase een door eiser aangekondigd onderzoek van het IMMO heeft afgewacht totdat door eiser werd aangegeven dat dit onderzoek van de baan was. Dit acht de rechtbank een zorgvuldige handelwijze. Daarnaast kan uit de door eiser overgelegde stukken niet worden afgeleid dat het waarschijnlijk is dat het IMMO zal oordelen dat eiser vanwege zijn medische gesteldheid niet in staat was om te worden gehoord. Gelet daarop heeft verweerder terecht geen gevolg gegeven aan het verzoek bij zienswijze om alsnog een onderzoek van het IMMO af te wachten.

9. Nu eiser geen documenten heeft overgelegd, ligt het gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw op zijn weg om met zijn verklaringen aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor de door hem gevraagde asielvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet ten onrechte overwogen dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij nauwelijks iets heeft kunnen verklaren over de toedracht van het ongeluk, noch over het aantreffen van de wapens. Nu dit gebeurtenissen zijn die de kern van eisers asielrelaas betreffen, mocht van hem worden verwacht daarover meer te verklaren.

10. Eiser voert verder gemotiveerd en met beroep op een vijftal producties aan dat hij als minderjarige Hazara in Afghanistan een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat deze beroepsgrond geen doel treft gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2016 met nummer ECLI:NL:RVS:2016:2731. Daarin is, in navolging van de in die uitspraak genoemde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, geoordeeld dat deze omstandigheden bij terugkeer naar Afghanistan niet leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM.

11. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.