Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
C-09-516002-HA ZA 16-914
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Letselschade. Na arrestatie en tijdens verblijf in Penitentiaire Inrichting is een forse splinter operatief verwijderd uit de linkeroogkas van eiser. Disproportioneel geweld door arrestatieteam bij aanhouding? Schending zorgplicht medische dienst Penitentiaire Inrichting? Eiser verwijt de Nationale Politie dat bij aanhouding een splinter door de oogbol heen in de weke delen van zijn oogkas terecht is gekomen doordat lid van het arrestatieteam langdurig - een of meerdere minuten - en hard zijn knie op het hoofd van eiser heeft gezet en in zijn oogkas heeft gedrukt. Eiser verwijt de Staat te lang te hebben gewacht met een adequate medische behandeling en hem in zijn cel intraveneus antibiotica te hebben toegediend. Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0896
AR 2017/6130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/516002 / HA ZA 16-914

Vonnis van 15 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Wouters te Middelburg ,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.C. Jongens te Den Haag,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE NATIONALE POLITIE,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.P. Ceulen te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] , de Staat en de Nationale Politie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 12 en 14 juli 2016 van respectievelijk de Nationale Politie en de Staat, met vijftien producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van de Staat, met zes producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van de Nationale Politie, met vijf producties,

  • -

    het tussenvonnis van 9 november 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 juli 2017, met de daarin genoemde brief van 14 juni 2017 met twee producties van mr. Ceulen voornoemd en de akte houdende overlegging productie van de Staat,

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld eventuele onjuistheden of onvolledigheden in het, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte, proces-verbaal van comparitie aan de rechtbank kenbaar te maken. Bij brieven van 20 en 26 juli 2017 hebben mr. Ceulen, respectievelijk mr. Jongens gebruik gemaakt van die gelegenheid. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze reacties.

2 De feiten

2.1.

Op 23 maart 2010 om 05.07 uur is een arrestatieteam van de politie Noord-Oost Nederland met de daartoe vereiste machtiging van de hulpofficier van justitie tegen de wil van de bewoners binnengetreden in de woning aan de [adres] te [plaats 1] . De toegang tot de woning is verschaft door het forceren van de toegangsdeur.

2.2.

[eiser] is na het binnentreden van de desbetreffende woning aangehouden in verband met de vermoedelijke overtreding van artikel 312, lid 2 onder 2 (diefstal met geweld) en artikel 285 (bedreiging) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en onderworpen aan een veiligheidsfouillering. Hierbij zijn geen ter zake dienende voorwerpen aangetroffen. Vervolgens is hij voorgeleid en ter beschikking gesteld aan de hulpofficier van justitie en daarna in verzekering gesteld en in voorlopige hechtenis gehouden.

2.3.

[eiser] heeft op 29 maart 2010 een intake gehad bij de medische dienst in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [plaats 2] , waar hij toen verbleef. Hij heeft zich vervolgens bij de medische dienst in de PI gemeld met onder meer oogklachten. Vanaf 12 mei 2010 is hij daarvoor onder behandeling geweest bij een oogarts, eerst in het Rijnstate Ziekenhuis te Velp, vervolgens in het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud. In het kader van die behandeling is hij van 4 tot 7 juni 2010 opgenomen geweest in het Rijnstate Ziekenhuis te Velp, vervolgens weer teruggekeerd naar de PI te [plaats 2] , en op 30 juli 2010 in het UMC St Radboud geopereerd, waarbij een houtsplinter uit zijn linkeroogkas (orbita links) is verwijderd.

2.4.

Een uitdraai van het medisch dossier van [eiser] , afkomstig van de PI [plaats 2] , van 6 juli 2010, vermeldt over de behandeling tussen 29 maart en 1 juli 2010 het volgende:

“Anamnese en Onderzoek:

Datum

Soep

Omschrijving

29-03-2010

0

PRE: Intake PI NL man 29—03—2010

0

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

S

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

30-03-2010

0

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

P

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

S

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

31-03-2010

S

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

13-04-2010

S

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

[Rechtbank: zwart gelakte regel]

S

li ooglid is rood en dik, is al beter geworden dan vorige week, was toen nog dikker, was toen ook pijnlijk nu niet meer, heeft vlg eigen zeggen iets uit oog gehaald, daarna is het beter geworden

0

dik ooglid, donker vlekje in buiten ooghoek

P

aanzien, wordt al mindern

14-04-2010

S

GJ: ok

16-04-2010

S

DH/VK Hr gezien op het vlak. Heeft sinds 2 weken een dik oog.li.

16-04-2010

S

Linker bovenooglid opgezet

0

Smiddags wordt het dikker. Het ooglid.schraal, rood, geen pus.geen pit. Niet pijnlijk, jeukt een beetje.

0

blepharitis?

E

ontsteking?

E

Blepharitis

P

schoonmaken met gekookt water.ma hu.

P

fucithalmic gel

19-04-2010

P

MED: Arts PI 19-04-2010 FUSIDINE ZUUR

20-04-2010

P

MED: FUSIDINEZUUR OOGGEL 1OMG/G IAF

06-05-2010

S

wordt weer erger met oog.

P

spreekuur HA

07-05-2010

S

toch weer forse zwelling lateraal li oog, mn onder

0

hard aanvoelend, niet fluctuerend.

E

ontsteking li onderooglid

P

MED: ANOXICILLINE/CLAVULAANZUUR TABLET 500/125MG IAC

P

augmentin 3dd 1, C maandag en evt oogarts

12-05-2010

S

ah—vk: Betrokkene is afgelopen maandag niet geweest omdat hij toen en tot nu toe gelicht was.

0

Op dit moment absoluut geen verbetering, nog steeds een enorme zwelling lateraal van het li-ooglid en er onder, rood en hard aanvoelend, pijn.

E

onsteking li—onderooglid

P

Tel overleg gehad met arts: betrokkene moet vandaag nog worden ingestuurd naar de oogarts. Actie daarop uitgezet.

14-05-2010

S

UH/VR Hr zijn wond verschoond.Er zit een slipje in zodat wond open blijft.

0

Oog is een stuk minder dik.Flink troep uit.Hr spullen meeegegeven om het weekend te verschonen.

S

GJ:ok

17-05-2010

S

CV: heeft nog wel last van oog, zodra in de morgen het vocht wat afloopt is het beter. Is nog dik maar volgens meneer wordt het wel beter. Heeft zich nog wel ziekgemeld maar denkt morgen weer aan het werk te kunnen.

19-05-2010

S

[… 1] : cö afspraak oogheelkunde zh Velp

21-05-2010

S

mr. is op de poli oogheelkunde geweest hebben het slipje verwijderd en de hechting. Hoefde niet meer terug voor cö.

0

Het oog is nog wel opgezwollen maar niet rood meer, afgesproken dat mr a.s dinsdag nog even het oog laat zien.

31-05-2010

S

oog is weer dik, retour HA

S

oog is nog dik, vlgs betrokkene ziet hij ook minder scherp met het li oog sinds de ontsteking. Denkt dat er vlees voor groeit

0

nog verdikking li en re ooglid. Is 10 dg geldern ter controle geweest.Visus od 1.25; OS 0,75? in fundo helder media

E

ontsteking li ooglid onder

P

C 2 wk

02-06-2010

S

[… 2] : mag morgen naar [… 4]

04-06-2010

S

[… 3] : afspraak ZH Velp 4e etage 14:00 dr. [dr.] , oogheelkunde

07-06-2010

GD_VK; ged is afgelopen vrijdag 4 juni opgenomen

07-06-2010

S

In Rijnstate, afd B5-V1, kreeg 3dd AB per infuus, vandaag overleg gehad met de vraag of dit per tbl kan, wij worden teruggebeld door zh

S

DH/VK Met thuiszorg 023762222 afgesproken dat zij 4 avonden om 20 uur een infuus met ciproxin komen geven. Hr komt vanavond na 2 de keer antibiotica terug met bewaking

0

Morgenochtend geven wij de kant en klare ab.Infuus spullen komen mee uit het ziekenhuis voor morgen ochtend.Apotheek gebeld en regelen spullen voor de voor de rest van de week. Md b5 vleugel 1 0880056833.Hoofdbev is op de hoogte en bevolking ook.

P

infuusset codan nr 3726079 LG: Olir gaat maandag naar 9.1. Zwolle

08-06-2010

0

DH/VK Hr zijn infuus om 8 uur gegeven.

09-06-2010

S

LG: Ciproxin van Bu toegediend.

S

AH—MAM vrijdagavond laatste dosis antibiotica per infuus

10-06-2010

S

DH/VK Hr zijn infuus gegeven.

11-06-2010

S

controle afspraak Dr [dr.] , oogarts ZH Velp

14-06-2010

S

GD_VK: gebeld met oogpoli Velp, ze kunnen/willen geen informatie geven, pas woensdag is de arts er weer, dan evt bellen voor verder overleg

16-06-2010

S

jl vrijdag hij [dr.] geweest; zou deze week nieuwe afspraak hebben voor liet maken van foto’s (scan); er zou nog een infectie achter het oog zitten.

0

ziet er wel beter uit maar nog niet over, ziet ook nog niet scherp.

E

Andere ziekte oog/adnexen F99

P

nabellen over afspraak Velp

S

Ah-vk: Contact gehad met de secretaresse van Dr. [dr.] , oogarts, over de verwijzing voor een MRI bij betrokkene. Oogarts was aan liet opereren, maar de secretaresse heeft hem gemaild en naar aanleiding daarvan krijgen wij een oproep voor de scan.

17-06-2010

S

CT scan oog gehad

24-06-2010

0

GD_VK: gebeld door dr [dr.] , wilde doorgeven dat het AB-infuus gestopt mag worden, omdat er weinig verbetering zit bij de 2e scan tov de le scan. AD was al gestopt op 11-06, was doorgegevennadat dhr op de poli geweest was (11—06) , oogarts is hiervan nu op de hoogte, wil ged vlg week op controle zien

25-06-2010

S

GJ: ok

01-07-2017

E

afspraak dr [dr.] , oogarts zh Velp”

2.5.

Het radiologisch verslag van 4 juni 2010 vermeldt onder meer:

“CT aangezicht
Er is weke delen zwelling zichtbaar rond het linker oog, Deze weke delen zwelling toont wat uitbreiding in de linker orbitaholte, reikend tot aan de basis nervus opticus. Zie bijvoorbeeld silce 46 van de axiale coupes. Er is hyperostosis zichtbaar ter hoogte van de laterale orbiatwand. Geen osteolyse aangetoond, Geen uitbreiding intracranieel aangetoond.
Conclusie
Cellulitis breidt zich intraorbitaal, maar extraorbitaal uit. Hierbij hyperostosis van de ossale begrenzing ter plaatse”

Het radiologisch beeld is blijkens het radiologisch verslag van 17 juni 2010 ongewijzigd.

2.6.

De behandelend oogarts in het Rijnstate Ziekenhuis te Velp, dr. [A] , heeft [eiser] op 1 juli 2010 verwezen naar de afdeling oogheelkunde van het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud, dr. [B] , oogarts. De verwijzingsbrief van dr. [A] van diezelfde datum vermeldt het volgende:


Op 12 mei ji. meldde hij zich op onze polikliniek met een gezwollen OS. Mijn collega constateert een abces en incideert de zwelling. Met een Cofferdam drain, natte kompressen werd het abces behandeld. Hij had van de huisarts al Augmentin 3 dcl 500 mg p.o.

- Op 4 juni meldt hij zich opnieuw op onze polikliniek, de zwelling zou zijn toegenomen.

Mijn bevindingen waren:

Visus: OD 0.8 S-0.50, OS 0.3 S-0.50

Conjunctiva/Sciera: ODS blank, geen chemosis

Media: ODS: helder

Fundus: ODS: normaal, scherpe papillen, retina normaal.

Adnexa: Proptosis OS. Herstel 15-20/130 mm

Oogbewegingen: abductie beperking OS

Aanvullende onderzoeken: CT retro bulbair proces (Cd-rom meegeleverd)

Kweek wondvocht nabij OS: Pseudomonas

Werkdiagnose: cellulitus orbitae OS. De behandeling werd voordat de kweek bekend was gestart met Clindamycine 3 dd 600 mg intraveneus, dat is later omgezet in Ciprofloxadne 2 dd 400 mg i.v. Deze behandeling heeft hij gehad tot 11 juni. Om onduidelijke reden is dit gestopt. Op 17 juni herhaal ik de CT, er wordt geen verandering geconstateerd. Vandaag, 1 juli, zie ik hem op mijn spreekuur. Ik zie dat het wondje nabij OS opnieuw vochtig is. De proptosis is niet afgenomen en zijn visus is niet hersteld. Ook bij de Thibaudet scoort hij 0.1. (…)”

2.7.

Na de operatie in het UMC St Radboud heeft dr. [B] [eiser] weer terugverwezen naar dr. [A] . In zijn brief van 31 augustus 2010 heeft dr. [B] over de behandeling in het UMC St Radboud het volgende vermeld:
“Op 15-07-2010 zagen wij bovengenoemde patiënt op onze spoedpoli in verband met een cellulitis orbitae OS.

Voorgeschiedenis : blanco

Anamnese: Begin maart jl. bij arrestatie een klap tegen linkeroog. Drie dagen later ontstond een zwelling in de orbita links. Op 12-05-2010 vond er in het Alysis Ziekenhuis een incisie en drainage plaats via een suf silicum incisie. Deze behandeling werd herhaald op 04-6-2010. Er werd een pseudomonas gekweekt.

Oogheelkundig onderzoek d.d. 15-07-2010:

Visus OD: 0.8- zonder correctie

Visus OS: 0.16+ Zonder correctie

Oogdruk OD: 13 mmHgAT

Oogdruk OS: 10 mmflg AT

Media ODS: Geen bijzonderheden

Fundus ODS: Grote papil en grote excavatie maar rechts ongeveer gelijk aan links, verder geen bijzonderheden in in fundo te zien.

Overig: Er was een beperkte abductie links en er was sprake van een keloïd temporaal onder het linkeroog. De hertel 17.5 mm rechts 21.5 mm links.

Aanvullend diagnostiek: Op de CT zagen wij sinussena, subperiostaal temporale zwelling

(isodens), mogelijk wijzend op een oude abces.

Decursus: Op 30-07-2010 verrichtte ik een exploratieve orbitotomie (links) via een ‘swinging eye lid’ benadering. Er werd een forse houtsplinter verwijderd. Tevens vond een correctie van het keloid plaats. Er was sprake van afname van de zwelling. Visus OS 0.1- zonder correctie. In fundo geen bijzonderheden CD 0.5 grote papil ODS gelijk.”

2.8.

Het operatieverslag van 30 juli 2010 vermeldt:

2.9.

De strafprocedure die tegen [eiser] is ingeleid, heeft geleid tot het
- onherroepelijke - arrest van 24 maart 2011 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden. Het hof heeft [eiser] veroordeeld, wegens, kort gezegd, afpersing en (poging tot) diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, in vereniging, tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met vermindering van de tijd die hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft als motivering voor de straf onder meer overwogen:

“(…) Verdachte heeft zich gedurende de periode van ongeveer een maand drie maal schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op verschillende bedrijven in Groningen en Steenwijk en het medeplegen van een poging tot een gewapende overval op een cafetaria in Steenwijk. De handelwijze van verdachte en zijn mededaders heeft er steeds uit bestaan dat mededader [X] verantwoordelijk was voor het vervoer naar en van de betreffende bedrijfspanden en dat verdachte en/of zijn mededader(s) - voorzien van een of meer op een vuurwapen gelijkende voorwerpen (in de meeste gevallen) met (deels) bedekte gezichten - de overvallen daadwerkelijk hebben uitgevoerd. Verdachte en zijn mededader(s) hebben bij voornoemde feiten het gebruik van geweld tegen de in die panden aanwezige bedrijfspanden (meestal) niet geschuwd en zij hebben (aldus) steeds een voor deze personen angstaanjagende en bedreigende situatie doen ontstaan. Bij elk van de bewezen verklaarde overvallen hebben de slachtoffers een of meer op een vuurwapen gelijkende voorwerpen op hen gericht gezien.

Het hof kenschetst de overvallen in onderhavige zaak als brutale overvallen. Dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op de slachtoffers groot is geweest, blijkt - onder meer – uit de zich in het dossier bevindende vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof tilt dan ook zwaar aan hetgeen in onderhavige zaak bewezen is verklaard."

Bij de strafoplegging heeft het hof onder meer meegewogen dat bij [eiser] volgens geraadpleegde deskundigen ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (in de zin van een aanpassingsstoornis) bestond dat deze feiten hem in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

2.10.

Blijkens het medisch dossier van de PI [locatie] te [plaats 3] , alwaar [eiser] nadien gedetineerd is geweest, is de visus links 20% na oogontsteking. [eiser] heeft de medische dienst verschillende keren bezocht en daarbij onder meer aangegeven dat hij veel last heeft van licht in zijn linker oog, dat hij altijd met een zonnebril loopt en dat ook het zicht in zijn rechteroog afneemt. [eiser] is op 27 oktober 2014 een ooglap voorgeschreven. Hij heeft op 20 januari 2015 de oogarts bezocht. Volgens het medisch dossier van de PI is blijkens het (niet overgelegde) verslag van de oogarts, dr. [C] , het zicht van [eiser] achteruitgegaan. Hij heeft, hoewel door de oogarts niet medisch noodzakelijk geacht, een gekleurde bril voorgeschreven gekregen. Hij is op 19 december 2014 arbeidsongeschikt verklaard tot het einde van de detentie.

2.11.

In het advies van de medisch adviseur van de Staat, [medisch adviseur] , werkzaam bij Veduma, is over het zicht van [eiser] na de operatie onder meer vermeld:
“(…)
Bij het onderzoek door de oogarts op 04-06-2010 is er sprake van een visus in het rechter oog van 0.8 en links van 0.3. Op 01-07-2010 is de visus in het linker oog niet hersteld. Aangegeven wordt dat er een visus is van 20% maar het is een misvatting om te denken dat er dan te weinig kan worden gezien met het (linker)oog. Een visus van 0.3 betekent dat de afstand waarmee scherp kan worden gezien is gewijzigd. Een dergelijke visus zou met een correctie kunnen worden verbeterd, tenzij er sprake is van een oogaandoening, niet gerelateerd aan dit ongeval, waarbij correctie met een sterkere bril niet helpt.
(…)
In 2015 zijn er nog klachten van het linkeroog, waaronder lichtschuwheid en hiervoor wordt een oogarts geraadpleegd, Deze vindt geen goede verklaring voor de klachten. Daarnaast wordt dan een visus in het rechteroog gemeten van 0.2 en in dit is een duidelijke vermindering van de situatie op 04-06-2010 toen er sprake was van een visus in het rechteroog van 0.8. Deze afname kan ik niet verklaren door de ontsteking in het gebied onder de linkeroog en dat geldt ook voor de klachten in het linker oog. Verder is nog opgemerkt dat de visus moeilijk te meten is, waarom dat lukt wordt niet vermeld.
Ook geeft betrokkene aan dat hij kleurenblind is geworden, maar dat kan niet door een letsel worden veroorzaakt ook niet wanneer dit letsel zich buiten het oog bevindt. Kleurenblindheid is een aangeboren aandoening.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht verklaart dat de Staat en de Nationale Politie jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en zij aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade die [eiser] daardoor heeft geleden en zal lijden, alsmede te bepalen dat zij die schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, hoofdelijk dienen te vergoeden.

3.2.

[eiser] baseert zijn vordering op onrechtmatige daad.

Hij verwijt de Nationale Politie, zoals gepreciseerd ter comparitie, dat een agent met zijn knie bij de aanhouding minutenlang hard in zijn linkeroog heeft gedrukt en er door de oogbol heen een splinter in de weke delen van het oog terecht is gekomen. Hij is besprongen op een wijze die ertoe heeft geleid dat een splinter in zijn oog is geduwd. De Nationale Politie heeft disproportioneel geweld gebruikt.

Hij verwijt de Staat, zoals eveneens gepreciseerd ter comparitie, dat de medische dienst van de PI, ondanks daartoe strekkend verzoek van [eiser] , geen adequate behandeling van zijn oogklachten heeft ingezet en te lang heeft gewacht met verwijzing naar de oogarts. Dit verwijt aan de Staat ziet op de periode tussen 13 april en 12 mei 2010. Hij verwijt de Staat ook dat hij dagenlang in de cel een infuus met antibiotica toegediend heeft gekregen, hetgeen in strijd is met de geldende regels.

Als gevolg van het handelen van de Nationale Politie en het nalaten van de Staat heeft [eiser] blijvend letsel opgelopen en schade geleden, onder meer bestaande uit het verlies van arbeidsvermogen en fysiek en psychisch letsel en gederfde levensvreugde.

3.3.

De Staat en de Nationale Politie voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal hierna de verwijten die [eiser] de Nationale Politie, respectievelijk de Staat maakt achtereenvolgens afzonderlijk bespreken.

4.2.

Bij [eiser] is na zijn aanhouding een ernstige ooginfectie geconstateerd. Ook is gebleken dat zich in de weke delen van zijn linkeroogkas een forse houtsplinter bevond, die operatief verwijderd is. Het zicht van [eiser] in zijn linkeroog was op 1 juli 2010 nog niet hersteld. Of op dit moment sprake is van volledig herstel van zijn zicht en, voor zover dat niet het geval is, of dat enig verband houdt met de verwijdering van de splinter, dan wel een andere oorzaak heeft, zoals een oogaandoening, en of zijn zicht vatbaar is voor correctie door middel van een bril, kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld. De vraag of en in hoeverre sprake is van blijvend letsel en daarmee door [eiser] geleden schade als gevolg van eventueel onrechtmatig handelen van de Nationale Politie en de Staat laat de rechtbank vooralsnog onbeantwoord. De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is van een toerekenbare fout van de Nationale Politie bij de aanhouding en van de Staat bij de medische behandeling van [eiser] nadien, op grond waarvan zij, indien en voor zover ook komt vast te staan dat [eiser] door die fout schade heeft geleden, aansprakelijk zijn jegens [eiser] . [eiser] dient hiertoe concrete feiten te stellen en deze bij een voldoende betwisting te bewijzen.

De verwijten tegenover de Nationale Politie

4.3.

[eiser] heeft ter comparitie gedetailleerd beschreven op welke wijze hij stelt te zijn aangehouden door het arrestatieteam. Met het oog op de leesbaarheid van dit vonnis en een goed begrip van de feiten waarop [eiser] zijn vordering tegenover de Nationale Politie baseert, welke feiten de Nationale Politie betwist, citeert de rechtbank, voor zover van belang, de beschrijving van [eiser] van de aanhouding zoals weergegeven in het proces-verbaal:
“(…)
3. Ik lag te slapen naast mijn toenmalige vriendin die zwanger was en toen hoorde ik drie harde beuken bij de deur en is het arrestatieteam binnengekomen. Het arrestatieteam trok me van het bed en zette me op de grond met mijn handen achter mijn rug om handboeien om te doen. Ik lag plat op mijn buik op de grond en met mijn gezicht naar beneden. Mijn vriendin raakte in paniek. Ik wilde zeggen dat ze rustig moesten doen omdat mijn vriendin zwanger was. Ik draaide daartoe mijn hoofd naar links. Toen schold de agent me uit met ‘hou je bek’ en drukte hij mijn hoofd op de grond met zijn knie. Hij zette zijn knie op mijn oogkas. Dit was een “hoofdblok”. Na 2 minuten haalde hij zijn knie weg en vroeg hij of ik [eiser] was en toen werd ik weggehaald.

4. De agenten kwamen binnen via de deur en ik sliep in de eerste kamer aan de linker kant van de gang. Het bed stond aan de linker kant van de kamer, direct om de hoek van de kamer. Ik lag aan de buitenkant van het bed, en mijn vriendin aan de kant van de muur. Mijn hoofd lag aan de deurkant van het bed. Toen het hoofdblok werd toegepast, keek ik van het bed af, naar links een beetje omhoog naar achteren, naar de agent.

5. Het klopt dat er een vuurwapen en munitie is gevonden, namelijk bij de kapstok. Het lag niet bij mij in de buurt.

6. Het is ook van belang dat toen de agent mij vasthield, ik nog niet geïdentificeerd was. Er waren meer

mensen in het huis.

7. De deur was boven, beneden en bij het normale slot op slot, dus deze zat driedubbel op slot. Met een koevoet hadden ze de deur nooit open kunnen krijgen. Ze hebben de hele deur kapot moeten maken. Er kan nooit een arrestatie komen met een koevoet. Als je met een koevoet binnentreedt dan blijft de deur in tact. Nu zegt de politie dat ze een stormram gebruikten en dat zeiden ze voorheen niet. Ze hebben moeten blijven rammen om binnen te komen. De eigenaar van het huis, mijn vriendin en ikzelf hebben de deur gezien. Bij de deur zit een trap en ze hebben de blinddoek die ik omhad een beetje omhoog gedaan zodat ik de traptreden kon zien toen ik van de vierde verdieping naar beneden ging. Daardoor heb ik de deur kunnen zien. Ik zag dat de deur geramd was en dat er houtsnippers op de grond lagen. (…)
9. De politie wil niet zeggen wat ze hebben gedaan. Er zaten twee mannen op mij. Ik werd niet meteen geboeid. De ene agent richtte zijn wapen op mijn vriendin en sprak haar toe, en de andere zat met mij op de grond en hield mijn handen vast. De agent hield mijn polsen met één hand vast. De rechterknie van de agent stond op de grond, de linkerknie op mijn hoofd en toen pakte hij later met twee handen mijn polsen vast. Toen kwam er een rechercheur binnen die zijn pasje liet zien en mij vroeg wie ik was en toen hard riep: “verdachte”. (NB: [eiser] heeft in de zittingszaal gedemonstreerd hoe hij op zijn buik op de grond lag met zijn handen op zijn rug en zijn hoofd naar links gedraaid).

10. De knie is op mijn oog gezet en drukte op mijn oogkas. Misschien kwam de knie per ongeluk in mijn oog. Hij dacht misschien dat ik agressief werd. De knie heeft denk ik iets meer dan een minuut op mijn oog gezeten, totdat de andere persoon kwam om te vragen wie ik was. Daarna ben ik in de boeien geslagen. (…)
12. Ik heb niet geworsteld maar heb rustig aan gedaan. (…)”

4.4.

Verder heeft [eiser] ter zitting de rechtbank en de overige aanwezigen het litteken getoond dat zich onder de ooglap bevindt die [eiser] ter bescherming tegen het licht draagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser] een - horizontaal lopend - litteken heeft in het oogwit aan de linkerzijde (de buitenzijde) van de oogbol van het linkeroog. Daarnaast heeft [eiser] een incisielitteken in het weke gedeelte onder zijn linkeroog.

4.5.

Niet in geschil is dat het arrestatieteam op grond van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevoegd was tot het binnentreden van de woning, waarin [eiser] zich in de vroege ochtend van 23 maart 2011 bevond, en tot aanhouding van [eiser] . De rechtmatigheid van de inzet van het arrestatieteam en de desbetreffende strafvorderlijke dwangmiddelen tegen [eiser] zijn derhalve uitgangspunt bij de beoordeling van de rechtbank. Aan de orde is of de wijze van uitvoering van de aanhouding door het arrestatieteam disproportioneel en om die reden onrechtmatig jegens [eiser] is geweest. Verder is aan de orde of [eiser] daardoor letsel heeft opgelopen en schade heeft geleden die de Nationale Politie verplicht is aan hem te vergoeden.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat voor de toewijsbaarheid van de vordering van [eiser] tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad tegenover de Nationale Politie, gelet op de gronden waarop zij berust, allereerst vereist is dat sprake is geweest van hetzij het gebruik van een dwangmiddel (in dit geval: de wijze van aanhouding) in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht, waaronder begrepen het geval dat de toepassing van het dwangmiddel in de gegeven omstandigheden zo disproportioneel was dat zij daarom in strijd met de zorgvuldigheid kwam, hetzij een gedraging die in het geheel niet als het gebruik van enig dwangmiddel kan worden opgevat (vergelijk HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7755).

4.7.

In dit verband geldt artikel 7 van de Politiewet 2012, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald:

1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

(…)


5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

(…).

4.8.

Blijkens artikel 1 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994, Stb. 1994, 275, hierna: Ambtsinstructie) wordt onder geweld verstaan: “elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken” (art. 1, derde lid, onder b, Ambtsinstructie). De nota van toelichting spreekt van een fysieke kracht die wordt uitgeoefend om een persoon een bepaalde handeling te doen verrichten die hij niet wil verrichten of om een persoon een bepaalde handeling juist niet te laten verrichten. Bij de uitoefening van geweld door een daartoe bevoegd ambtenaar van politie geldt als uitgangspunt dat het beoogde doel van geweld het gebruik daarvan, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, dient te rechtvaardigen. Verder is het gebruik gebonden aan de voorwaarden van subsidiariteit (het doel kan niet op een andere wijze worden bereikt) en proportionaliteit (het gebruik dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn) en gaat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing vooraf. De ambtenaar, die geweld heeft aangewend, is op grond van artikel 17 van de Ambtsinstructie verplicht de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld te melden aan zijn meerdere, die dit vastlegt.

4.9.

De stelling van [eiser] is dat een agent bij de aanhouding een knie in zijn oog heeft gedrukt en er door de oogbol heen een splinter in de weke delen van het oog terecht is gekomen (zie de weergave hiervoor in 3.1). De Nationale Politie heeft de feitelijke gang van zaken bij de aanhouding zoals [eiser] stelt gemotiveerd betwist. Hoewel de feitelijke gang van zaken bij de aanhouding dus niet als vaststaand kan worden aangenomen, neemt de rechtbank in het hiernavolgende - veronderstellenderwijs - op basis van de beschrijving van de aanhouding van [eiser] ter zitting de volgende feiten tot uitgangspunt bij haar beoordeling. Alleen immers in het geval die feiten wel zouden vaststaan, zou de vordering van [eiser] vatbaar kunnen zijn voor toewijzing.

4.10.

De rechtbank gaat er vanuit dat [eiser] voorafgaand aan de aanhouding met zijn vriendin in bed lag in de eerste (slaap)kamer links in de gang op de vierde verdieping van het pand dat het arrestatieteam is binnengetreden. Het bed stond aan de linkerkant van de kamer, direct om de hoek van de kamer (de rechtbank begrijpt: om de hoek van de deur van de (slaap)kamer). [eiser] lag aan de buitenkant van het bed en met zijn hoofd in de richting van de deur, zijn vriendin lag aan de muurkant. Het arrestatieteam heeft [eiser] van zijn bed getrokken en op de grond gezet met zijn handen achter zijn rug om handboeien om te doen. [eiser] lag plat op zijn buik op de grond en met zijn gezicht naar beneden. Hij heeft zijn hoofd naar links gedraaid omdat hij wilde zeggen dat het arrestatieteam rustig moest doen omdat zijn vriendin in paniek en zwanger was. Een agent drukte het hoofd van [eiser] op de grond met zijn knie. Er zaten twee agenten op [eiser] . De ene agent richtte zijn wapen op de vriendin van [eiser] en sprak haar toe. De andere agent zat met hem op de grond en hield zijn handen, zijn polsen, met één hand vast. De rechterknie van die agent stond op de grond, de linkerknie op zijn hoofd en toen pakte de agent later met twee handen zijn polsen vast. De knie van die agent is op zijn oog gezet en drukte op zijn oogkas.

4.11.

Wat betreft de wijze van binnentreden staat vast dat de deur van de woning aan de [adres] te [plaats 1] geforceerd is. De rechtbank laat in het midden of dit met behulp van een koevoet is gebeurd, zoals [eiser] heeft gesteld, dan wel een stormram, zoals de Nationale Politie naar voren heeft gebracht. Zij gaat ervan uit, zoals [eiser] meent en ook de Nationale Politie ter comparitie, subsidiair, mede heeft aangenomen, dat bij het forceren van de deur houtsplinters zijn vrijgekomen die op de kleding van de binnentredende leden van het arrestatieteam terecht kunnen zijn gekomen.

4.12.

Een en ander rechtvaardigt evenwel niet, althans niet zonder een nadere feitelijke toelichting van [eiser] , die ontbreekt, de conclusie dat bij de aanhouding van [eiser] een rechtsnorm zoals hiervoor in 4.6 verwoord is geschonden. Mogelijk heeft een knie van een agent het hoofd van [eiser] heeft geraakt en is deze in zijn oogkas terechtgekomen (hetgeen [eiser] duidt als “op zijn hoofd gezet” en “in zijn oog gedrukt”). Ook als dat het geval is geweest, staat daarmee evenwel nog niet vast dat op dat moment een houtsplinter, die zich mogelijk op de kleding van de desbetreffende agent bevond, (dwars) door de oogbol van [eiser] heen in de weke delen van zijn oogkas terecht is gekomen. Voor zover wordt aangenomen dat er op dat moment (toch) wel een houtsplinter op de door [eiser] gestelde wijze in zijn oogkas terecht is gekomen, betekent dat voorts niet, althans niet zonder meer, dat bij de aanhouding enige rechtsnorm is geschonden, of dat sprake is geweest van een gedraging die niet als de toepassing van een dwangmiddel kan worden opgevat. Voor die conclusie is immers ten minste vereist dat [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Nationale Politie voldoende feiten naar voren heeft gebracht waaruit kan volgen dat de desbetreffende agent zijn knie zó lang, namelijk één minuut of minuten, en zó hard op zijn hoofd heeft gezet en in zijn oogkas heeft gedrukt zoals hij stelt, althans anderszins sprake is geweest van gedragingen die als disproportioneel geweld of in het geheel niet als de toepassing van enig dwangmiddel kunnen worden geduid .

4.13.

Een binnentreding van het arrestatieteam is in algemene zin erop gericht om de verdachte zo snel mogelijk aan te houden en te boeien. In een situatie als de onderhavige geldt dat temeer, aangezien het arrestatieteam, gezien de misdrijven waarvan [eiser] werd verdacht, er rekening mee moest houden dat [eiser] (een) vuurwapen(s) in de woning aanwezig had. Overigens is ook daadwerkelijk een vuurwapen aangetroffen in de woning waarin [eiser] zich bevond. Daarbij komt dat, anders dan [eiser] kennelijk meent, identificatie van een verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding en het aanbrengen van handboeien, anders dan dat deze door de leden van het arrestatieteam wordt herkend aan de hand van een vooraf bekeken foto, niet is vereist. Een en ander alleen al maakt dat de rechtbank het niet waarschijnlijk acht dat het lang, misschien wel meer dan één minuut of minuten, zoals [eiser] stelt, heeft geduurd voordat [eiser] geboeid is nadat hij op zijn buik op de grond kwam te liggen, hij naar links omhoog keek en de agent diens knie op het hoofd en tegen de oogkas van [eiser] heeft gedrukt. Dat de beleving van [eiser] anders kan zijn geweest, hetgeen de rechtbank gezien zijn positie op de grond niet onvoorstelbaar lijkt, doet hieraan niet af.

4.14.

Gegeven de beschrijving van [eiser] ter comparitie moet er voorts van worden uitgegaan dat de agent wiens knie in de oogkas van [eiser] terecht is gekomen ook degene is geweest die hem heeft geboeid. Uitgaande van de beschreven positie en houding van de desbetreffende agent, op of naast [eiser] met zijn rechterknie op de grond en zijn linkerknie op het hoofd van [eiser] , acht de rechtbank het, zonder bijkomende feiten die niet zijn gesteld of gebleken, voor zover fysiek al mogelijk, onwaarschijnlijk, dat die agent zó lang als [eiser] stelt de polsen van [eiser] met een of beide handen heeft kunnen vasthouden alvorens hem te boeien en tegelijkertijd zijn knie zó hard als [eiser] stelt op het hoofd en in de oogkas van [eiser] heeft kunnen drukken. Het boeien van [eiser] vanuit die positie en houding vergde immers een vooroverbuigen van de agent en daarmee een beweging en de uitoefening van kracht in een tegengestelde richting van de beweging en de kracht die de agent met zijn knie op het hoofd van en in de oogkas van [eiser] moest uitoefenen, uitgaande van de eigen beschrijving van [eiser] . Bovendien stelt [eiser] dat hij zich niet heeft verzet tegen zijn arrestatie. Dit zo zijnde en nu al het handelen van het arrestatieteam, zoals in 4.13 overwogen, erop gericht is om een verdachte zo snel mogelijk te boeien, ontbreekt enig feitelijk aanknopingspunt dat zou kunnen verklaren waarom de desbetreffende agent bij het boeien van [eiser] desalniettemin tegelijkertijd zijn knie zodanig langdurig en hard op het hoofd en tegen de oogkas van [eiser] heeft gedrukt zoals [eiser] stelt.

4.15.

Niet kan er dan ook, althans niet zonder bijkomende feiten en omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, als vaststaand van worden uitgegaan dat vanwege de gestelde duur en uitgeoefende kracht op het hoofd en in de oogkas van [eiser] een mogelijke houtsplinter op de kleding van die agent (dwars) door de oogbol van [eiser] heen in de weke delen van zijn oogkas terecht is gekomen.

4.16.

[eiser] heeft bovendien geen feiten gesteld, en die zijn ook niet gebleken, die een aanknopingspunt bieden voor de conclusie dat [eiser] bij de aanhouding gewond is geraakt. Blijkens het operatieverslag is een forse houtsplinter uit de linker oogkas verwijderd. Indien en voor zover een houtsplinter bij de aanhouding van [eiser] door zijn oogbol in de weke delen van zijn oogkas zou zijn gedrongen, moet (direct) na de aanhouding sprake zijn geweest van een vorm van zichtbare en merkbare beschadiging in het oog van [eiser] .

4.17.

Geen van de medische stukken duidt er evenwel op dat [eiser] bij de aanhouding enige verwonding in zijn oog heeft opgelopen. Aan de orde was, kort gezegd, een zwelling en ontsteking van het linker ooglid en eronder, geen beschadiging/verwonding van de oogbol. Weliswaar heeft [eiser] blijkens het verslag van zijn bezoek aan de medische dienst in de PI [plaats 2] op 13 april 2010 naar eigen zeggen iets uit zijn oog gehaald en is een donker vlekje in de ooghoek gezien, er is geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat sprake was van een beschadiging/verwonding van de oogbol. Aanvankelijk had [eiser] ook geen pijn. Bij de oogarts, die [eiser] voor het eerst bezocht op 12 mei 2010, werd een abces geïncideerd (ingesneden) en met een drain behandeld. De werkdiagnose was cellulitis orbitae OS (in lekentaal: een ernstige infectie van de dieper gelegen weefsels van de oogkas). Ook toen is geen beschadiging of verwonding van de oogbol geconstateerd. Later bleek - uit een kweek - sprake te zijn van een pseudomonas (bacteriële) infectie. Bij het oogheelkundig onderzoek in het UMC St. Radboud, op 15 juli 2010, is gezien dat sprake was van excessieve littekenvorming rondom het linkeroog en is een zwelling geconstateerd die mogelijk wijst op een oud abces. Bij de operatie is sprake geweest van een incisie (insnijding) van het linker onderooglid en is, naast de verwijdering van de splinter, de littekenvorming (keloïd) gecorrigeerd. Verder is tijdens de operatie geconstateerd dat sprake was van een fistel van meer dan 3 cm (dat is, zoals de medisch adviseur van de Staat het onweersproken heeft verwoord: een kanaal waarlangs het lichaam een uitgang een uitgang zoekt voor het verwijderen van ontstekingsmateriaal “pus”).

4.18.

[eiser] is kortom steeds behandeld in verband met klachten aan zijn linker(onder)ooglid, terwijl geen feiten zijn gesteld of gebleken die wijzen in de richting van een beschadiging in het oog van [eiser] . Gegeven de stelling van [eiser] dat bij de aanhouding een houtsplinter in zijn oogbol is gedrongen, had het wel op zijn weg gelegen dergelijke feiten te stellen. Voor zover [eiser] zijn stelling mede steunt op het ter zitting op verzoek van de rechtbank getoonde litteken in zijn linkeroog, acht de rechtbank die toelichting onvoldoende. Nergens is in de stukken melding gemaakt van een litteken in de linkeroogbol zoals ter zitting getoond. De rechtbank kan, gelet op de betwisting door de Nationale Politie, er dan ook niet als vaststaand vanuit gaan dat het desbetreffende litteken er ook tijdens de medische behandeling in 2010 (al) is geweest.

4.19.

Hier komt het volgende bij. Als ervan wordt uitgegaan dat bij de aanhouding een houtsplinter (al dan niet (dwars) door zijn oogbol heen) in de weke delen van de oogkas van [eiser] terecht is gekomen, is dit een ongelukkige - en te betreuren - omstandigheid. Die omstandigheid maakt echter niet, zonder feiten en omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken, dat de wijze van aanhouding door het arrestatieteam zonder meer onrechtmatig is geweest.

4.20.

Een zekere hardhandigheid bij de aanhouding, zo al zou moeten worden aangenomen dat daarvan sprake is geweest, is op zichzelf niet als onrechtmatig aan te merken, ook niet als geen sprake is geweest van fysiek verzet van [eiser] (zoals [eiser] stelt) en een knie van een agent bij de aanhouding het hoofd van [eiser] heeft geraakt en in zijn oogkas terecht is gekomen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat [eiser] werd aangehouden als verdachte van diefstal met geweld en van bedreiging met een vuurwapen en de omstandigheid dat sprake was van een aanhouding na binnentreding.

4.21.

[eiser] heeft geen feiten gesteld die erop duiden dat bij de aanhouding in strijd met de Ambtsinstructie geweld is gebruikt, of anderszins disproportioneel of onzorgvuldig is opgetreden door het arrestatieteam. Zoals hiervoor in 4.14 is overwogen, heeft [eiser] onvoldoende feiten naar voren gebracht waaruit kan volgen dat de knie van de agent die hem heeft geboeid zó lang en zó hard op zijn hoofd is gezet en in zijn oogkas is gedrukt zoals [eiser] heeft gesteld. De door [eiser] beschreven wijze van aanhouding – zo al juist – rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat de agent met zijn knie bij de aanhouding op het hoofd en in de oogkas van [eiser] een dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis heeft uitgeoefend, noch dat sprake is geweest van de toepassing van disproportioneel geweld of onzorgvuldig handelen.

4.22.

Voor zover [eiser] stelt dat de desbetreffende agent geen zogenoemde IBT-greep (aanhoudingstechnieken die agenten worden geleerd tijdens een zogenoemde Integrale BeroepsvaardighedenTraining) of een ‘hoofdblok’ heeft toegepast, en hij daarmee bedoelt te stellen dat sprake is geweest van een gedraging die in het geheel niet als de toepassing van een dwangmiddel kan worden aangemerkt, verwerpt de rechtbank die stelling eveneens. [eiser] heeft zijn stelling op dit punt niet toegelicht, in het bijzonder niet wat hij bedoelt met een “hoofdblok”. Voor zover hij hiermee duidt hoe het arrestatieteam bij zijn aanhouding heeft gehandeld volgens zijn eigen beschrijving, stuit zijn stelling af op al hetgeen hiervoor is overwogen. Overigens heeft [eiser] geen stukken overgelegd uit het strafdossier waaruit blijkt dat [eiser] na zijn aanhouding en in de strafprocedure melding heeft gemaakt van het gebruik van disproportioneel geweld bij die aanhouding. Een dergelijke melding had, gezien de ernst van het gebeurde volgens [eiser] , wel voor de hand gelegen.

4.23.

De stelling van [eiser] dat de Nationale Politie bij de aanhouding onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld, stuit af op het vorenstaande.

De verwijten tegenover de Staat

4.24.

Voor de beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen van de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting te [plaats 2] is bepalend of de betrokken medische hulpverleners bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht hebben genomen en daarbij hebben gehandeld in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat de desbetreffende hulpverlener (minimaal) de zorg moet betrachten die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

4.25.

Het verwijt van [eiser] dat de Staat hem niet (direct) adequaat medisch heeft behandeld betreft de periode van 29 maart 2010, de dag waarop [eiser] een intake bij de medische dienst heeft gehad, tot 12 mei 2010, de dag waarop hij is doorverwezen en gezien door een oogarts in het Rijnstate ziekenhuis. Vanaf dat moment viel de behandeling van [eiser] onder de verantwoordelijkheid van de oogarts.

4.26.

De rechtbank merkt allereerst op dat partijen het erover eens zijn dat het zwart gelakte gedeelte in het medisch dossier van [eiser] afkomstig van de PI [plaats 2] privacygevoelige informatie betreft die niet van belang is voor deze zaak.

4.27.

Uit het medisch dossier van [eiser] blijkt niet dat hij reeds bij de intake van 29 maart 2010 melding heeft gemaakt van oogklachten. Indien er vanuit wordt gegaan dat dit wel het geval is, zoals [eiser] stelt, dan leidt dat niet tot de conclusie dat de medische dienst van de PI geen adequate medische behandeling heeft ingezet en/of te lang heeft gewacht met verwijzing van [eiser] naar een oogarts. Na de intake, toen [eiser] op 13 april 2010 de medische dienst heeft bezocht, is het klachtenbeeld blijkens zijn dossier verbeterd. Naar eigen zeggen was het linker ooglid toen niet pijnlijk meer, nadat hij iets uit zijn oog had gehaald. Vervolgens is hem, twee dagen later, op 16 april 2010, geadviseerd om het oog, dat opgezet en dik was, schoon te maken met gekookt water en is op 19 april 2010 een recept voor een ooggel voorgeschreven. Het oog is blijkens het medisch dossier in de gaten gehouden, waarna geconstateerd is dat het weer erger is geworden. Toen is hem, op 7 mei 2010, een geneesmiddel in tabletvorm voorgeschreven. Vanwege het uitblijven van verbetering is hij daarna verwezen naar een oogarts. Uit niets blijkt dat de medische toestand van [eiser] na de intake en vóór 12 mei 2010 zodanig ernstig was dat hij direct, althans eerder, naar een oogarts verwezen had moeten worden. Evenmin zijn er aanknopingspunten dat de gehanteerde aanpak, gefaseerd en oplopend in zwaarte van behandeling naarmate de klachten bleven voortduren, in strijd is met de op de artsen rustende zorgplicht tegenover [eiser] .

4.28.

Het verwijt van [eiser] dat hem rechtens ontoelaatbaar in zijn cel in de PI intraveneus antibiotica is toegediend, faalt eveneens. Blijkens het medisch dossier – zie de aantekeningen op 7 juni 2010 – is [eiser] in overleg met het Rijnstate ziekenhuis na zijn terugkeer in de PI [plaats 2] op die locatie door de thuiszorg per infuus antibiotica toegediend. Welke rechtsnorm daarmee geschonden is, heeft [eiser] niet gesteld. Een verpleegkundige, zoals ook werkzaam bij een thuiszorgorganisatie, is BIG-geregistreerd en bevoegd tot het toedienen van antibiotica door middel van een infuus. Daarbij is de plaats van toediening, namelijk in een ziekenhuis of in een PI, zoals de Staat ter zitting naar voren heeft gebracht, niet van belang.

4.29.

De stelling van [eiser] dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, stuit af op het vorenstaande.


Bewijsaanbod

4.30.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank niet toekomt aan bewijslevering omdat [eiser] zijn stellingen onvoldoende feitelijk heeft toegelicht, althans omdat de gestelde feiten, indien bewezen, niet tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] leiden.

Conclusie

4.31.

De vorderingen van [eiser] zullen derhalve worden afgewezen. Aan bespreking van de overige stellingen en verweren van partijen komt de rechtbank niet toe.

Proceskosten

4.32.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat en de Nationale Politie gevallen tot op heden worden begroot op in totaal € 3.046 (€ 1.523 per gedaagde, zijnde € 619 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (€ 452 x 2 punten tarief II). De gevorderde wettelijke rente wordt eveneens als onweersproken toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat gevallen, tot op heden begroot op € 1.523,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Nationale Politie gevallen, tot op heden begroot op € 1.523,

5.4.

bepaalt dat [eiser] over de proceskosten in 5.2. en 5.3. wettelijke rente verschuldigd is met ingang van de vijftiende dag na heden,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.2., 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, mr. B. Meijer en mr. R. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.1

1 type: 1772