Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13078

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
NL17_4990
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, biseksualiteit, Nigeria, opvolgende aanvraag, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4990

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y. Verkouter),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen dit besluit op 13 juli 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij uitspraak van 25 juli 2017 heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen een week na verzending van deze uitspraak mede te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid een gebrek in het bestreden besluit te herstellen en heeft de rechtbank verdere beslissingen aangehouden.

Op 22 juli 2017 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Daarin heeft verweerder medegedeeld dat in het besluit van 7 juli 2017 ten onrechte is verwezen naar het terugkeerbesluit van 12 maart 2015 en de daarin opgenomen vertrektermijn van vier weken, aangezien eiser op 14 oktober 2015 is uitgezet naar Nigeria, waarmee aan de vertrekplicht is voldaan. Dit punt uit het besluit van 7 juli 2017 komt dan ook te vervallen, aldus verweerder. Het besluit van 22 juli 2017 wordt aangemerkt als een terugkeerbesluit waarbij een onmiddellijke vertrektermijn wordt opgelegd (gerekend vanaf 7 juli 2017) nu de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e en g van de Vw 2000.

De rechtbank heeft partijen verzocht om toestemming om zonder tweede zitting uitspraak te doen.

Eiser en verweerder hebben toestemming verleend om zonder tweede zitting uitspraak te doen.

De rechtbank doet thans uitspraak zoals hieronder vermeld.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Eiser heeft eerder - op 15 april 2014 - een asielaanvraag ingediend. De afwijzing van deze asielaanvraag is bij uitspraak van 14 oktober 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) onherroepelijk geworden.

Op 14 oktober 2015 heeft eiser de onderhavige, opvolgende, asielaanvraag ingediend.

Op dezelfde datum is eiser uitgezet naar Nigeria. Het tegen de afwijzing van de asielaanvraag van 14 oktober 2015 ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 2 september 2016 gegrond verklaard.

Op 11 oktober 2016 is eiser in staat gesteld naar Nederland te kunnen terugreizen.

Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag – kort samengevat - ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is.

2 Verweerder heeft vastgesteld dat het asielrelaas is opgebouwd uit de volgende relevante elementen:

- De identiteit en nationaliteit van eiser;

- De biseksuele gerichtheid van eiser en de problemen als gevolg daarvan.

De identiteit en nationaliteit van eiser worden door verweerder geloofwaardig geacht. De verklaringen over de biseksuele gerichtheid van eiser en de problemen als gevolg daarvan worden door verweerder niet geloofwaardig geacht.

3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de Vw 2000.

4 Eiser heeft in beroep – kort samengevat – dat er geen sprake is van het afleggen van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen. Aan eiser mag niet worden tegengeworpen dat hij pas op 14 oktober 2015 een opvolgende aanvraag heeft ingediend, aangezien hij zich schaamde en zijn seksuele geaardheid als een privé-aangelegenheid beschouwde. Eiser heeft duidelijk verklaard over zijn geaardheid en het proces van zelfacceptatie en bewustwording. Niet iedere homo- of biseksuele asielzoeker behoeft een innerlijk conflict of ingewikkeld proces door te maken; eiser accepteerde zijn geaardheid ondanks de homohaat van de buitenwereld in Nigeria. Dat hij geen informatie kan geven over homo-ontmoetingsplaatsen in Nigeria doet niet ter zaken, nu eiser deze ook niet (be)zocht. Eiser heeft aannemelijk verklaard over zijn relatie met een man in Nigeria en heeft thans in Nederland een relatie met een homoseksuele man. Eiser heeft een bevestiging overgelegd van Rainbow Nijmegen, waaruit blijkt hij actief is bij homo-organisaties. Eiser is na zijn terugkeer in Nigeria bestolen nadat hij door een man seksueel leek te worden benaderd. Voorts is eiser in Nederland aangevallen door een aantal mannen die aanstoot namen aan het feit dat eiser hand in hand op straat liep met een andere man. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan.

Tenslotte heeft eiser betoogd dat zijn aanvraag niet kan worden behandeld als een opvolgende aanvraag, aangezien hij is teruggekeerd naar het land van herkomst en daarna wederom naar Nederland is gekomen. De aanvraag kon derhalve niet worden afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder had de vertrektermijn daarom niet mogen verkorten en laten ingaan op een moment gelegen voor het terugkeerbesluit van 22 juli 2017, aldus eiser.

5 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

(…);

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

(…);

g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard;

(…).

6 De rechtbank overweegt het volgende.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de vaste onderzoeksmethode zoals neergelegd in de Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) op een zorgvuldige manier onderzoek verricht naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief en dat verweerder met de WI 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de geaardheid van eiser de WI 2015/9 heeft gevolgd. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met het daarin vastgelegde beleid het relaas van eiser heeft beoordeeld. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag zijn aan eiser vragen gesteld, die samenhangen met de in de WI 2015/9 genoemde thema’s, zoals: privéleven; huidige en voorgaande relaties; contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst; toekomst. Ingevolge paragraaf 3 van de WI 2015/9 mag verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen over de seksuele geaardheid, in het algemeen het zwaartepunt leggen op de antwoorden van de vreemdeling op vragen over de eigen ervaring, onder andere bewustwording en zelfacceptatie met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst is en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. Verweerder beziet de verklaringen van de vreemdeling over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde biseksuele geaardheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig heeft geacht.

Zo heeft eiser over het proces van bewustwording en zelfacceptatie in Nigeria vaag, summier en tegenstrijdig verklaard. Enerzijds verklaart eiser dat hij zich er van bewust was dat homoseksualiteit door de omgeving, zijn familie en in Nigeria in het algemeen absoluut niet geaccepteerd werd en dat hij zijn geaardheid en relatie verborgen moest houden, anderzijds verklaart hij dat hij het voor zichzelf wel accepteerde. Zeker nu eiser heeft verklaard dat hij zich al ongeveer negen jaar geleden bewust is geworden van zijn seksuele gevoelens voor mannen en een relatie is aangegaan met een man, had van hem verwacht mogen worden dat hij over dit proces meer zou kunnen verklaren. Voorts overweegt verweerder niet ten onrechte dat eiseres onvoldoende inzicht heeft gegeven in (het ontstaan en de duur van) zijn relatie met [persoon A], temeer nu dit zijn eerste echte homoseksuele relatie was en deze zich – gezien de heersende opvattingen daarover in een land als Nigeria - in het verborgene moest afspelen.

Dat het voor eiser niet gewoon is om uitgebreid te spreken over zijn gevoelsleven doet hier niet aan af. Ten tijde van de tweede asielaanvraag was eiser al lange tijd in Nederland, stelde hij homoseksuele contacten te hebben opgedaan, homogelegenheden bezocht te hebben en was hij inmiddels op de hoogte van het vrijere klimaat voor homoseksuelen in Nederland. Verweerder heeft deze omstandigheid terecht in zijn beoordeling mogen betrekken.

Dat [persoon B] een verblijfsvergunning heeft gekregen op basis van zijn geaardheid, maakt op zichzelf nog niet dat de gestelde geaardheid van eiser ook geloofwaardig is.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen over en/of van een partner of derden onverlet laten dat de eiser (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn seksuele geaardheid en zijn persoonlijke bewustwordings- en acceptatieproces. Het is aldus allereerst aan eiser om zijn biseksuele geaardheid aannemelijk te maken. Hierin is eiser niet geslaagd. Aan de door eiser overgelegde stukken wordt daarom niet de waarde gehecht die eiser eraan hecht.

Ten slotte wordt overwogen dat niet gebleken is dat eiser vluchtelingrechtelijk relevante problemen heeft ondervonden na zijn (eerste èn onderhavige) aanvraag en zijn uiteindelijke terugkeer naar Nigeria op 14 oktober 2015.

De verwijzing door eiser naar de uitspraak van de AbRvS van 19 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4354) treft geen doel, aangezien de onderhavige asielaanvraag van eiser is ingediend vóór zijn uitzetting naar Nigeria en vóór zijn daaropvolgende terugkomst naar Nederland. Er is naar het oordeel van de rechtbank dus wel degelijk sprake van een opvolgende aanvraag als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw 2000.

7 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen concluderen tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de Vw 2000.

8 Het beroep is in zoverre ongegrond.

9 Ten aanzien van het terugkeerbesluit wordt het volgende overwogen.

Nu verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, mocht verweerder op basis hiervan de vertrektermijn van vier weken verkorten. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Eiser kan echter niet met terugwerkende kracht een vertrektermijn gegeven worden.

Nu het terugkeerbesluit dateert van 22 juli 2017, dient de vertrektermijn vanaf dat moment in te gaan.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het terugkeerbesluit van 22 juli 2017 te herroepen, en te bepalen dat de vertrektermijn van 0 dagen aanvangt op 22 juli 2017.

10 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van

artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juli 2017 ongegrond;

- herroept het terugkeerbesluit van 22 juli 2017 en bepaalt dat de vertrektermijn aanvangt op 22 juli 2017 ;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het terugkeerbesluit van 22 juli 2017;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-- en bepaalt dat deze kosten door verweerder aan eiser worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.