Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13076

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
NL17.11518
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, opvolgende aanvraag, intensivering bekering ongeloofwaardig. beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11518


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11519, plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1974. Eiser heeft eerder, op 10 november 2015, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van 20 september 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch (AWB 16/18523), ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 10 oktober 2017 de onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van de onderhavige asielaanvraag aangevoerd dat hij zich in Nederland sinds de afwijzing van zijn vorige asielaanvraag verder heeft verdiept in het christendom.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder de, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Verweerder heeft daartoe gemotiveerd overwogen dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn opvolgende aanvraag. De verklaringen van eiser omtrent de intensivering van zijn bekering tot het christendom in de huidige procedure zijn vaag, summier en ontwijkend. Nu de bekering van eiser reeds in de eerdere asielprocedure als ongeloofwaardig is afgedaan, zijn geen nieuwe elementen of bevindingen aangevoerd.

4. In beroep voert eiser aan dat zijn mentale situatie reden had moeten zijn de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Eiser stelt vragen bij de manier waarop verweerder met zijn medische gegevens is omgegaan. Naar de mening van eiser is de procedure met betrekking tot zijn gehoor niet zorgvuldig verlopen.

De rechtbank overweegt dat eiser tijdens zijn gehoor heeft aangegeven dat hij in staat was gehoord te worden, dat hij op verschillende momenten tijdens het gehoor heeft aangegeven dat het goed met hem gaat en dat hij niet met stukken heeft onderbouwd dat zijn mentale situatie het horen van eiser in de weg stond. Daarnaast blijkt uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag dat de gehoormedewerker bij het gehoor rekening heeft gehouden met de opmerkingen die de FMMU in de eerste asielprocedure met betrekking tot eisers beperkingen ten aanzien van het horen heeft gemaakt. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat in de vraagstelling rekening gehouden is met deze beperkingen. Naar aanleiding van de zienswijze is ook nadien nog contact opgenomen met de medische dienst en is daaruit evenmin gebleken dat eiser niet had kunnen worden gehoord.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde handelwijze, voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het horen van eiser. Overigens blijkt de rechtbank uit het verslag van het gehoor evenmin dat eiser, gelet op zijn mentale gesteldheid, geen antwoord heeft kunnen geven op aan hem gestelde vragen, of dat hij vragen niet zou hebben begrepen. Nu ook een nadere medische onderbouwing van het standpunt dat hij niet had kunnen worden gehoord ontbreekt, faalt de beroepsgrond van eiser.

5. Nu eiser voor wat betreft de inhoudelijke gronden enkel heeft verwezen naar de zienswijze en niets heeft aangevoerd tegen de inhoudelijke reactie van verweerder op deze gronden in het bestreden besluit, volstaat de rechtbank eveneens met een verwijzing naar het besluit van verweerder, nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder afdoende reactie heeft gegeven op deze gronden.

6. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.