Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
NL17.10917
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, minderjarigheid en onderzoek in andere EU-lidstaat, gehoord in afwezigheid van advocaat, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10917


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10918, plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen [persoon A] en [persoon B].

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1998 en verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 31 mei 2017 heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgedaan met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland op 31 juli 2017 bij Italië een verzoek om terugname gedaan, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 april 2016 in Italië geregistreerd is en dat hij op 1 juni 2016 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.

3. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser stelt, kort samengevat en voor zover van belang, primair dat het gehoor met eiser niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser is tijdens zijn gehoor niet bijgestaan door een advocaat. Verder heeft hij wel een brochure ontvangen kort voor aanvang van het gehoor, maar heeft hij niet de gelegenheid gekregen deze brochure in zijn geheel door te lezen voordat het gehoor is aangevangen. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hij minderjarig is en dat reeds om die reden geen claim gelegd had mogen worden bij een andere lidstaat. Ter onderbouwing van zijn minderjarigheid heeft eiser in beroep zijn, naar eigen zeggen, originele geboorteakte overgelegd. Daarnaast hebben zijn oom en tante ter zitting verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat eiser minderjarig is. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat hij, ongeacht zijn leeftijd, niet mag worden overgedragen aan Italië, omdat hij dan in een situatie zal belanden zoals genoemd in artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eiser zal namelijk hoogstwaarschijnlijk geen opvang, geen toegang tot adequate rechtshulp en geen adequate medische zorg krijgen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de bij de zienswijze overgelegde rapporten.

4. Verweerder heeft ter zitting verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser is gehoord zonder dat zijn advocaat daarbij aanwezig was en dat eiser ten tijde van het gehoor nog niet de gehele voorlichtingsbrochure met betrekking tot de Dublinprocedure had doorgelezen. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Gebleken is dat verweerder in het Dublingehoor van 15 augustus 2017 uitgebreid informatie heeft verstrekt over de Dublin-procedure, en dat uit dit verslag blijkt dat eiser zelf prima op de hoogte is van de Dublin-procedure en de mogelijke gevolgen die dit voor hem zal hebben. Verder is niet vereist dat het Dublingehoor plaatsvindt in aanwezigheid van een advocaat.

5.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser, nu zij af heeft mogen gaan op de verstrekte informatie dienaangaande van Italië en Zwitserland. Gebleken is dat eiser in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum] 1997 en in Zwitserland met de geboortedatum [geboortedatum] 1998. Uit het door Zwitserland uitgevoerde medische leeftijdsonderzoek is naar voren gekomen dat eiser meerderjarig is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 17 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134) en op 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780) geoordeeld dat informatie uit een andere lidstaat waaruit blijkt dat betrokkene meerderjarig is, volstaat om een asielzoeker ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Van dit laatste is niet gebleken. Verweerder heeft de door eiser overgelegde geboorteakte doen onderzoeken. Uit de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten van 7 juni 2017 blijkt weliswaar dat het document dat eiser heeft overgelegd mogelijk echt is, maar ook is daarin aangegeven dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is en of het document bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Ook is bedoelde geboorteakte niet gelegaliseerd. Gelet hierop is geen sprake van een officieel document waarmee betrokkene zijn identiteit en leeftijd heeft aangetoond. Ten aanzien van de getuigenverklaringen van een gestelde oom en tante van eiser geldt eveneens dat deze niet zijn aan te merken als authentieke, identificerende documenten, en reeds hierom niet kunnen afdoen aan de door Zwitserland overgelegde informatie waaruit blijkt dat eiser meerderjarig is. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert.

5.3.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet bestrijdt dat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Het betoog van eiser heeft betrekking op wat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald. Het betoog van eiser komt er immers op neer dat Nederland eiser niet mag overdragen aan Italië, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Het betoog van eiser slaagt naar het oordeel van de rechtbank echter niet. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten geoordeeld dat de structuur van- en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling heeft daarnaast, onder meer bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278), al geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971).

Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie in Italië thans zodanig is verslechterd, dat hetgeen hiervoor is overwogen niet langer geldt en dat nu wel ernstig moet worden gevreesd dat de asiel- en opvangprocedure in Italië systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat de stukken die eiser in dit kader heeft overgelegd, voor zover zij niet bij bovenstaande uitspraken van de Afdeling zijn betrokken, geen wezenlijk ander beeld schetsen van de situatie in Italië.

5.4.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder eiser mag overdragen aan Italië.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.