Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13071

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
NL17.11006
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11006


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11007, plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1996. Op 26 augustus 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Verweerder heeft bedoelde aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland op 13 september 2017 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan, welk verzoek Duitsland op 15 september 2017 heeft aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn grond dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, ter zitting heeft ingetrokken.

3. Eiser betoogt dat verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich dient te trekken. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat de opvang- en leefomstandigheden in Duitsland slecht zijn, dat hij in Duitsland niet voldoende wordt begeleid en dat hij in Duitsland geen beroep kan doen op door de overheid gesubsidieerde rechtsbijstand of een tolk. Hiermee voldoet Duitsland volgens eiser niet aan zijn verdragsverplichtingen en kan ten aanzien van Duitsland niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij dient eveneens rekening te worden gehouden met eisers homoseksualiteit, die maakt dat eiser in Duitsland niet veilig kan leven.

De beroepsgrond faalt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zich houdt aan haar internationale verplichtingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM en verweerder daarom ten aanzien van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Eiser heeft zijn stellingen dat er sprake is van slechte leef- en opvangomstandigheden, dat geen sprake is van adequate begeleiding door de autoriteiten van Duitsland en dat de asielprocedure in Duitsland niet aan de Procedurerichtlijn beantwoordt omdat hij geen beroep kan doen op door de overheid gesubsidieerde rechtsbijstand en een tolk, niet onderbouwd met algemene stukken over de asielprocedure in Duitsland. Dit geldt evenzeer voor eisers stelling dat hij als homoseksueel in Duitsland niet veilig kan leven. Indien Duitsland zich niet houdt aan haar internationale verplichtingen, kan eiser daarover klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet mogelijk is.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.