Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13069

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
NL17.10866
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Irak, homoseksueel, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10866


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10867, plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Al Marani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1993. Eiser heeft eerder, op 26 oktober 2015, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 30 december 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van 27 juni 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (AWB 17/1802), ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juli 2017 (zaaknummer 201705695/1/V2) is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Eiser heeft op 4 oktober 2017 de onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van de onderhavige asielaanvraag aangevoerd dat hij in Nederland heeft ontdekt dat hij homoseksueel is.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, jo. artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en g, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft als relevante elementen van eisers asielrelaas aangemerkt:
- eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de homoseksuele geaardheid van eiser.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, de homoseksuele geaardheid van eiser niet. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw.

4. Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat de beoordeling van eisers asielmotieven niet is gebaseerd op een individuele beoordeling en er daarom sprake is van schending van artikel 4, derde lid, onder c, van de Definitierichtlijn. Daarnaast heeft eiser verwezen naar de zienswijze en gesteld dat verweerder op onjuiste wijze is ingegaan op hetgeen daarin is gesteld ten aanzien van zijn beperkingen. Zo is eiser analfabeet, heeft hij een beperkt IQ en kan hij niet goed uit zijn woorden komen. Hiermee had verweerder bij de beoordeling van zijn relaas expliciet rekening moeten houden.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de gestelde seksuele geaardheid van eiser overeenkomstig de Werkinstructie 2015/9 heeft onderzocht en beoordeeld.

Bij uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de onderzoeksmethode zoals weergegeven in de Werkinstructie op een zorgvuldige manier onderzoek doet naar een gestelde seksuele geaardheid, en dat verweerder met de Werkinstructie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid worden beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de wijze zoals voorzien in de Werkinstructie deugdelijk heeft gemotiveerd dat de homoseksuele geaardheid van eiser en de daaruit voor hem in Irak voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.

Dat verweerder, zoals eiser stelt, daarbij geen rekening zou hebben gehouden met eisers achtergrond, geslacht, leeftijd of kennisniveau, is de rechtbank niet gebleken. Zo blijkt uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 4 oktober 2017 niet dat eiser vragen niet goed heeft begrepen, of niet in staat is geweest een antwoord te formuleren. Ook zijn naar het oordeel geen vragen gesteld die gelet op eisers specifieke kenmerken, niet zouden kunnen worden begrepen of waarvan niet had kunnen worden verwacht dat eiser hierop antwoord zou kunnen geven. Hoewel verweerder bij de beoordeling van eisers relaas gebruik heeft gemaakt van een algemene werkwijze, zoals voorzien in de Werkinstructie, heeft verweerder daarmee niet gehandeld in strijd met artikel 4, derde lid, onder c, van de Definitierichtlijn, nu de individuele omstandigheden, zoals door eiser zelf aangevoerd, bij de beoordeling zijn betrokken en ongeloofwaardig zijn bevonden.

De in beroep overgelegde stukken, waaronder een brief van eisers gestelde nieuwe partner en de inschrijving bij de COC doen niet af aan de door verweerder uitgevoerde beoordeling. Zoals door verweerder ter zitting betoogd is het aan eiser om zijn gestelde seksuele geaardheid aannemelijk te maken middels de verklaringen die eiser geeft. Eventuele documenten kunnen als ondersteuning van een relaas dienen, maar zijn op zichzelf van onvoldoende gewicht om te kunnen vaststellen dat eiser daadwerkelijk homoseksueel zou zijn.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.