Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2128
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3294, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 30 mei 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:6869) oordeelt de rechtbank dat verweerder de door eiseres ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag (KOT) 2008 en 2009 terecht heeft teruggevorderd, omdat eiseres daar geen recht op had.

De definitieve berekening KOT 2008 heeft verweerder weliswaar buiten de vijfjaarstermijn vastgesteld, maar deze was in overeenstemming met het laatst toegekende nihil voorschot.

De beroepen zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/2128 en SGR 17/3574

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2017 in de zaken tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.S. Kerkhof-Pöttger),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 12 te noemen besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 13 februari 2017 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Tegelijkertijd heeft eiseres beroep aangetekend tegen het onder 16 te noemen besluit. Omdat met betrekking tot laatstgenoemd besluit nog geen bezwaarprocedure was gevolgd, heeft de rechtbank het beroepschrift – voor zover betrekking hebbend op dit besluit – ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden naar verweerder. Verweerder heeft dat bezwaar bij beslissing van

8 april 2017 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres eveneens beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Overwegingen

Feiten

Kinderopvangtoeslag 2008

1. Op 24 maart 2009 heeft eiseres voor berekeningsjaar 2008 kinderopvangtoeslag

(KOT) aangevraagd met ingang van 1 november 2008.

2. Met dagtekening 8 april 2009 is aan eiseres een voorschot KOT toegekend van

€ 1.406. Met dagtekening 1 november 2011 is het voorschot herzien naar € 7.030.

3. Met dagtekening 17 november 2011 is het voorschot herzien naar € 0.

4. Bij brief van 23 december 2011 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

Kinderopvangtoeslag 2009

5. Met dagtekening 8 april 2009 is aan eiseres voor berekeningsjaar 2009 een

voorschot KOT toegekend van € 7.825.

6. Met dagtekening 23 december 2011 is het voorschot herzien naar € 0.

7. Bij brief van 22 december 2011 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

Gelijktijdig met dit bezwaar, heeft eiseres ook bezwaar gemaakt tegen een opgelegde voorschotbeschikking KOT met betrekking tot berekeningsjaar 2010.

Kinderopvangtoeslag 2008 en 2009

8. Bij beslissing van 8 maart 2012 heeft verweerder de onder 4 en 7 genoemde

bezwaren van eiseres ‘gedeeltelijk gegrond gedeeltelijk ongegrond’ verklaard, inhoudende dat ‘…de beschikking 2008, herkenbaar aan beschikkingsnummer [beschikkingsnummer 1] aangepast wordt. De beschikkingen herkenbaar aan beschikkingsnummers [beschikkingsnummer 2] en [beschikkingsnummer 3] niet aangepast worden en u het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008, 2009 en 2010 dat u teveel hebt ontvangen terug moet betalen’. Hiertegen heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld.

9. Bij herziene beslissing op bezwaar van 7 augustus 2012 heeft verweerder,

hangende de door eiseres ingestelde beroepsprocedure, het bezwaar ongegrond verklaard, inhoudende dat ‘…u voor de jaren 2008 en 2009 in het geheel geen recht hebt op een voorschot kinderopvangtoeslag. Voor het jaar 2010 hebt u alleen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag voor de maand december 2010, waarin u gebruik hebt gemaakt van gastouderopvang via de bemiddeling van gastouderbureau [gastouderbureau]’.

10. Bij uitspraak van 30 mei 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:6869) heeft deze

rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar van 8 maart 2012 en van 7 augustus 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 7 augustus 2012 in samenhang met het besluit van 13 maart 2012 met betrekking tot het voorschot over 2010 in stand blijven (de rechtbank uitspraak).

11. Met dagtekening 3 juli 2013 is de KOT 2009 definitief vastgesteld op nihil.

12. Met dagtekening 24 maart 2015 is de KOT 2008 definitief vastgesteld op nihil.

13. Bij brief van 21 april 2015 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

14. Bij brief van 11 november 2015 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen twee

betalingsherinneringen (gedagtekend 2 november 2015) betreffende de over 2008 en 2009 teruggevorderde voorschotbeschikkingen, op basis waarvan voor 2008 nog een bedrag openstaat van € 7.030 en voor 2009 een bedrag van € 7.825. Bij brief van 14 december 2016 heeft eiseres dit bezwaar aangevuld, waarin zij verweerder tevens in gebreke heeft gesteld voor het uitblijven van een beslissing op het onder 12 genoemde bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar tegen de betalingsherinneringen aangemerkt als verzoek om herziening van de KOT 2008 en 2009 (het herzieningsverzoek).

15. Bij beslissing van 13 februari 2017 heeft verweerder het onder 13 genoemde

bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

16. Bij beslissing van 14 februari 2017 heeft verweerder het onder 14 genoemde

herzieningsverzoek afgewezen, omdat het verzoek te laat is ingediend.

17. Bij brief van 21 maart 2017 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Bij beslissing

van 8 april 2017 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Geschil

18. In geschil is of verweerder terecht de door eiseres ontvangen voorschotten KOT

2008 (€ 7.030) en 2009 (€ 7.825) terugvordert.

19. Eiseres stelt zich op het standpunt dat met de bestreden beslissingen op bezwaar

de vereiste zorgvuldigheid en motivering niet in acht zijn genomen, omdat deze strijdig zijn met de rechtbankuitspraak van 30 mei 2013. Eiseres stelt verder dat de KOT 2008 en 2009 te laat, namelijk buiten de daarvoor geldende vijfjaarstermijn, definitief zijn vastgesteld. Verder voert eiseres aan dat de redelijke termijn voor behandeling van het bezwaarschrift van 21 april 2015 is overschreden aangezien bijna 2 jaar later op dit bezwaar is beslist. Tenslotte stelt eiseres dat de beginselen van rechtszekerheid en redelijkheid en billijkheid zijn geschonden, doordat de gehele procedure al bijna 9 jaar duurt.

20. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd weersproken en neemt

het standpunt in dat het beroep betreffende de KOT 2008 ongegrond moet worden verklaard. Het beroep betreffende het herzieningsverzoek dient volgens verweerder

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beoordeling van het geschil

Voeging beroepszaken

21. Om redenen van proceseconomie en in het kader van finale geschilbeslechting

heeft de rechtbank besloten om de behandeling van de beroepen van 20 maart 2017 en

22 mei 2017, met inachtneming van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht, te voegen.

Schending zorgvuldigheidbeginsel en motiveringsbeginsel

22. Eiseres voert aan dat de bestreden beslissingen op bezwaar in strijd zijn met de

rechtbankuitspraak van 30 mei 2013. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. Op basis van het dictum van deze uitspraak, in samenhang met de rechtsoverwegingen, kan zonder twijfel geen andere conclusie worden getrokken dan dat eiseres over 2008 en 2009 géén recht had op een voorschot KOT. De rechtbank heeft in genoemde uitspraak immers besloten dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 7 augustus 2012 (hierin staat vermeld dat eiseres voor de jaren 2008 en 2009 in het geheel geen recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag) in stand blijven. De enige reden waarom de beroepen van eiseres destijds gegrond zijn verklaard, is gelegen in de omstandigheid dat eiseres in de bezwaarprocedure niet is gehoord. Ook het feit dat er bij verweerder volgens eiseres aanvankelijk enige onduidelijkheid zou hebben bestaan over de strekking van het dictum, maakt dat niet anders. Verweerder heeft uiteindelijk ook gesteld dat de uitkomst niet onduidelijk was. Dat met de bestreden beslissingen op bezwaar het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel zouden zijn geschonden, heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Definitieve vaststelling KOT 2008 en 2009

23. Op grond van artikel 21, tweede lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke

regelingen (Awir), kan door de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende tegemoetkoming niet meer worden herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft (de vijfjaarstermijn).

24. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de definitieve berekeningen

KOT 2008 en 2009 te laat zijn vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RVS) heeft in haar uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484) geoordeeld dat artikel 21, tweede lid, van de Awir ontoelaatbaar wordt doorkruist, indien na ommekomst van de in die bepaling vervatte (en niet voor schorsing, verlenging of stuiting vatbare) vervaltermijn van vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar een verleend voorschot ten nadele van de aanvrager wordt herzien of de tegemoetkoming wordt toegekend tot een bedrag dat lager is dan het verleende voorschot. De bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om het voorschot te herzien naar of de toeslag definitief vast te stellen op een lager bedrag dan het laatste aan de aanvrager verstrekte voorschot, vervalt na vijf jaar. De toeslag moet in die gevallen definitief op het bedrag van het laatste voorschot worden vastgesteld, zodat een terugvordering of verrekening op de voet van artikel 16, zesde lid, en artikel 26 van de Awir achterwege blijft. Dit kan eiseres echter niet baten. De definitieve vaststelling KOT 2008 is weliswaar genomen op 24 maart 2015 en dus na verloop van de vijfjaarstermijn, maar deze wijkt niet af van het laatst toegekende voorschot, dat op nihil was vastgesteld. De definitieve vaststelling KOT 2009 is tijdig, binnen de vijfjaarstermijn, op 3 juli 2013 vastgesteld. De stelling van eiseres dat ze deze beschikking nooit zou hebben ontvangen, kan haar niet baten nu zij heeft gereageerd op de betalingsherinnering van 2 november 2015, wat zou kunnen worden opgevat als bezwaar tegen de definitieve vaststelling KOT 2009. Ondanks dat een dergelijk bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn door verweerder niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden (evenals het op 11 november 2015 daadwerkelijk door eiseres ingediende bezwaar tegen de betalingsherinnering, waarvoor het instellen van bezwaar niet mogelijk is) heeft verweerder het als herzieningsverzoek in behandeling genomen. Ter zitting heeft verweerder verklaard alle feiten en omstandigheden bij de behandeling van het herzieningsverzoek vol te hebben getoetst, zodat eiseres hiermee in eenzelfde positie verkeert als wanneer zij tijdig bezwaar had kunnen aantekenen tegen de beschikking van

3 juli 2013. De beroepen zijn ook in zoverre ongegrond.

Overschrijding redelijke termijn

25. Eiseres voert aan dat de redelijke termijn voor behandeling van het bezwaarschrift

van 21 april 2015 is overschreden, aangezien pas op 13 februari 2017 op dit bezwaar is beslist. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze omstandigheid niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Dat er na de rechtbank uitspraak van 30 mei 2013 lang is gewacht met het treffen van invorderingsmaatregelen valt buiten de reikwijdte van deze procedure. Overigens, heeft eiseres verweerder pas op 14 december 2016 in gebreke gesteld, zodat het genoemde tijdsverloop niet slechts aan verweerder valt toe te rekenen.

Beginselen van rechtszekerheid en redelijkheid en billijkheid.

26. Zoals overwogen onder 21 is in de rechtbankuitspraak van 30 mei 2013 reeds

geoordeeld dat eiseres voor de jaren 2008 en 2009 geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft. Dit is bevestigd met de definitieve vaststelling KOT 2009 op 3 juli 2013 en de definitieve vaststelling KOT 2008 op 24 maart 2015. Hoewel er geruime tijd is verstreken tussen de rechtbankuitspraak en de definitieve vaststelling KOT 2008 en met onderhavige zaken wederom een beroepsprocedure loopt over de jaren 2008 en 2009 waardoor eiseres - zoals zij stelt - nog steeds in onzekerheid verkeert, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van schending van het rechtzekerheidsbeginsel en de redelijkheid en billijkheid. Eiseres was immers reeds sinds 30 mei 2013 op de hoogte van de omstandigheid dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag. Dat eiseres het dictum in de rechtbankuitspraak anders leest en als gevolg daarvan bezwaar- en beroepsprocedures betreffende de KOT 2008 en 2009 blijft voeren, komt voor haar rekening en risico. De beroepen zijn ook in zoverre ongegrond.

27. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat eiseres in de onderhavige procedure door verweerder terecht niet is gehoord, aangezien de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.

28. Gelet op wat hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat verweerder de

door eiseres ontvangen voorschotten KOT 2008 en 2009 terecht van haar heeft teruggevorderd. De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)