Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
NL17.4585
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een asielaanvraag van een Iraanse vreemdeling die betoogt dat hij als geloofsafvallige dient te worden beschouwd. Daarbij heeft hij zich in Iran kritisch uitgelaten over de islam tegenover familie en vrienden en heeft hij verklaard over zijn eigen opvattingen over het geloof, waardoor hij problemen heeft ondervonden met de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft het standpunt dat geen sprake is van afvalligheid onvoldoende gemotiveerd, bezien in het licht van de verklaringen van de vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4585

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1981,

v-nummer [nummer] ,

van Iraanse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink).


Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Tevens is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier en wordt aan hem geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) verleend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verweerder heeft eerder bij besluit van 6 april 2017 de aanvraag van eiser van 18 november 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Op 26 april 2017 heeft verweerder het besluit van 6 april 2017 ingetrokken en medegedeeld dat opnieuw op de aanvraag van 18 november 2015 zal worden beslist. Bij uitspraak van 19 mei 2017 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep gericht tegen het besluit van 6 april 2017 aangemerkt als een beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op eisers aanvraag en het beroep gegrond verklaard (AWB 17/7924). Hierbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak opnieuw op eisers aanvraag te beslissen.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft gekregen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn afvalligheid. Op 6 juli 2010 werd hij door vier mannen van de Basij bezocht in de autoshowroom, waar hij werkzaam was. Eiser werd meegenomen naar een voor hem onbekend gebouw waar hij werd verhoord op beschuldiging van afvalligheid. Er werd een geluidsopname afgespeeld waarop eiser te horen was terwijl hij zich kritisch uitliet over pelgrims tijdens de Hajd. De volgende dag werd eiser overgeplaatst naar een gevangenis, genaamd Evin. Vanwege het Iraanse nieuwjaar werd aan eiser 14 dagen verlof toegekend, die werd verlengd met 35 dagen. In deze periode is eiser op 22 april 2011 officieel gehuwd, zodat zijn echtgenote hem kon opzoeken in de gevangenis. Enkele dagen voor het einde van zijn verlofperiode, op
6 mei 2011, kwamen er agenten, vermoedelijk van de Basij, naar eisers appartement op zoek naar hem. Eiser werd op tijd door de bewaker van het complex gewaarschuwd, waardoor eiser zich heeft kunnen verstoppen in het complex. Nadat eiser een paar dagen bij een vriend heeft ondergedoken, is eiser uiteindelijk naar Turkije gevlucht waar hij tot juli 2015 illegaal heeft verbleven. Nadat eiser in Istanbul een bekende uit Iran zag, is hij naar Nederland gevlucht.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en heeft hieraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

  • -

    opvattingen over de islam;

  • -

    problemen met de autoriteiten.

Verweerder hecht geloof aan eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Tevens acht verweerder geloofwaardig dat eiser zich niet kan vinden in sommige aspecten van de wijze waarop in Iran invulling wordt gegeven aan de islam. Verweerder acht echter ongeloofwaardig dat eiser problemen heeft ondervonden met de Iraanse autoriteiten en om die reden te vrezen heeft. Eiser is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin loopt hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4. Eiser is het hiermee niet eens. Op wat hij heeft aangevoerd zal hierna worden ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Eiser heeft als eerste beroepsgrond aangevoerd dat hij, vanwege zijn opvattingen, als afvallige moet worden beschouwd, danwel dat de Iraanse autoriteiten hem als afvallige beschouwen. Eiser betoogt dat verweerder zich hierover ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van afvalligheid geen sprake is.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn opvattingen en, zoals eiser dat noemt, ‘zijn ideologie’ geloofwaardig acht. Uit de rapporten van gehoor blijkt dat eiser daarover onder meer het volgende heeft verklaard.

In het eerste gehoor heeft eiser op de vraag naar zijn religie geantwoord: “Geen”. Op de vraag: “Klopt het dat u atheïst bent?” zegt hij “Ja”.
In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij al op jonge leeftijd aan zijn ouders kritische vragen stelde over de islam. Op latere leeftijd sprak eiser met zijn vrienden kritisch over de islam. Op ongeveer 17- of 18-jarige leeftijd werd eiser zich bewust van zijn eigen ideologie. Hij verklaart daarover: “Ik besefte dat ik zelf mocht kiezen en ik wilde ook mijn eigen geloof belijden. Daarom besloot ik geen religie aan te hangen. Ik geloofde alleen in mijn eigen God.” (pagina 4 van het rapport van nader gehoor). En: “Mijn ideologie is dat God in

mezelf aanwezig is. Dus in mijn innerlijkheid.” (pagina 11). Op de vraag “Begrijp ik het goed dat u Atheïst bent en dat u wel in een God gelooft?” antwoordt eiser: “Dat klopt.” (pagina 12). Ook heeft eiser verklaard dat hij zichzelf niet als moslim kent (pagina 15).

8. Verweerder heeft het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser afvallig is onderbouwd met de motivering dat bij eiser geen sprake is van dieperliggende religieuze motieven om met de islam te breken.

Daarnaast acht verweerder van belang dat de opvattingen van eiser ‘passen binnen het discours binnen de islam’. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de verklaringen van eiser over zijn kritiek op afgoderij passen in de discussie die binnen de islam ook wordt gevoerd. De opvattingen van eiser worden door verweerder gekwalificeerd als kritiek op de islam, maar niet als afvalligheid.

9. De rechtbank stelt vast dat geen (gepubliceerde) werkinstructie of beleid bestaat aan de hand waarvan verweerder beoordeelt wanneer sprake is van afvalligheid. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder bevestigd dat geen beleid of vaste werkwijze wordt gehanteerd voor het horen en beslissen, zoals dit bij de beoordeling van bekeringen wel gebeurt. Niet duidelijk is welke elementen verweerder van belang acht bij de beoordeling wanneer sprake is van afvalligheid of, zoals verweerder in onderhavig geval heeft overwogen, slechts sprake is van gangbare kritiek op de islam die past bij de normale discussie die wordt gevoerd binnen de islam.

Het standpunt van verweerder, dat sprake moet zijn van dieperliggende religieuze motieven om te kunnen spreken van afvalligheid, is niet nader onderbouwd, en is naar het oordeel van de rechtbank gelet op eisers verklaringen, zoals weergegeven onder 7., onvoldoende.

Het standpunt, dat de verklaringen passen binnen de normale discussie, zoals die wordt gevoerd binnen de islam, en dat de kritiek van eiser slechts uiterlijke zaken betreft, zoals de uitvoering van de islam en niet de leer van de islam, is ook onvoldoende gemotiveerd. Daarbij acht de rechtbank de volgende verklaringen van eiser van belang.
“ Als God deze eigenschap aan mij heeft gegeven dan kon ik zelf nadenken en zelf beoordelen wie mijn God was. Ik kon ook beoordelen wie slecht en wie dus goed was. Daarom was ik van mening dat de religie, die slechte zaken doet in mijn land, ongelijkheid

heeft meegebracht en dus niet goed kon zijn.”

Over de processie, gebruikelijk bij sjiitische moslims: “Het is mijn persoonlijke geloof en ik denk dat onze geest later in een ander lichaam geboren kan worden. Ik vind dat lichaam iets is wat aan ons is uitgeleend en dat we dit ook van God hebben gekregen. Dit mogen

we ook niet verminken.”

Over de gesprekken met schoolvrienden: “Vervolgens vroeg ik waarom ze zelf niet gingen nadenken waarop ze zeiden dat dit niet nodig was. Ze zeiden zelfs dat het een zonde was om zo te spreken en dat dit niet mocht. Ik wilde hun alleen vragen om mij logisch uitleg te geven over hun ideologie maar dat konden ze niet. Daarbij respecteerde ik hun ideologie maar ik stelde hun wel vragen. Ik heb nooit een logische verklaring van hun gehoord en ze gingen heel erg blind hun geloof doorzetten. Het is ook een zonde dat ik daar zo over

dacht.”
En: “Met mijn vrienden sprak ik niet alleen over de Moharam maand maar ik sprak ook over de ongelijkheid in de islam. Ook waarom mannen en vrouwen niet gelijk zouden zijn in de islam terwijl ze naar mijn mening juist wel gelijk zijn. Ik zei dat God ons allemaal gelijk heeft geschapen dus ik vroeg me af waarom vrouwen een hoofddoek moesten dragen en waarom moesten vrouwen minder rechten hebben dan mannen.”

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het standpunt dat geen sprake is van afvalligheid onvoldoende heeft gemotiveerd.

11. Het beroep is dan ook gegrond wegens een motiveringsgebrek en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Niet valt uit te sluiten dat de beoordeling van eisers afvalligheid van invloed is op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de overige relevante elementen van zijn asielrelaas. Daarnaast blijkt uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Iran van mei 2017 dat geloofsafval van een geboren moslim in de sjiitische islam gestraft wordt met de dood (pagina 33). Om deze redenen dient verweerder de asielaanvraag van eiser opnieuw te beoordelen en zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. Aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers gestelde problemen komt de rechtbank niet toe.

13. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 990 aan kosten door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 495). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 26 juni 2017;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.N.H. Tran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.