Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13034

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
C-09-539632-KG ZA 17-1244
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot rectificatie uitlatingen advocaat afgewezen. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/539632 / KG ZA 17-1244

Vonnis in kort geding van 10 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VASTGOEDINVESTERINGEN B.V.,

statutair gevestigd te Heemstede, kantoorhoudende te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. H. Knotter te 's-Hertogenbosch,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

[gedaagde sub 1] .,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [plaats 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

advocaat en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.B. Esseling te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als enerzijds 'VGI' en anderzijds ' [gedaagde sub 1] ' en ' [gedaagde sub 2] ' (gezamenlijk ook als 'gedaagden').

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brieven van gedaagden van 20 en 25 oktober 2017, met producties;

- de brieven van VGI van 25 (2x) en 26 oktober 2017, met producties;

- de op 27 oktober 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[gedaagde sub 2] is als advocaat verbonden aan [gedaagde sub 1] .

2.2.

VGI houdt zich bezig met de aan- en verkoop van onroerend goed in Nederland. In dat kader koopt VGI percelen grond aan, die zij vervolgens verkavelt in kleinere percelen en verkoopt aan investeerders. Deze schaffen die percelen aan in de - op basis van door VGI verstrekte informatie gevestigde - hoop c.q. verwachting dat ten aanzien van de grond een bestemmingswijziging zal plaatsvinden waardoor de waarde ervan zal stijgen.

2.3. (

a) In 2011 en 2013 heeft [A] (hierna ' [A] ') - die inmiddels is overleden - in voormeld kader een aantal, verkavelde, percelen gekocht van VGI. (b) In 2010, 2011, 2012 en 2013 heeft [B] (hierna ' [B] ') dergelijke transacties gesloten met VGI.

2.4.

Bij brief van 14 juni 2017 heeft [gedaagde sub 2] - als advocaat van de erven [A] en de executeur van de nalatenschap van [A] (hierna 'de executeur') - notaris mr. [de notaris] te [plaats 2] aansprakelijk gesteld voor de schade die [A] heeft geleden als gevolg van de onder 2.3 (a) vermelde transacties, waarvan het transport ten overstaan van notaris [de notaris] plaatsvond. In die brief wordt notaris [de notaris] verweten dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt, zoals het verzaken van diens onderzoeks-, informatie- en waarschuwingsplicht, in het bijzonder voor wat betreft het ontbreken van een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten ('AFM') waarover VGI ingevolge de Wet financieel toezicht ('Wft') dient te beschikken. Volgens [gedaagde sub 2] had notaris [de notaris] geen medewerking mogen verlenen aan de betreffende transacties. In die brief wordt VGI verschillende malen aangeduid als een malafide verkoper en worden haar kwade bedoelingen verweten.

2.5.

Bij brief van 16 juni 2017 heeft [gedaagde sub 2] - als advocaat van de erven [A] en de executeur - VGI aansprakelijk gesteld voor de door (de erven) [A] geleden schade als gevolg van de hiervoor bedoelde transacties. In dat bericht wordt VGI verweten dat (i) de beslissing van [A] om de kavels te kopen blijkt te zijn gebaseerd op onjuiste en onvolledige - en daarmee misleidende - informatie van VGI en (ii) zij de verplichtingen uit de Wft heeft geschonden aangezien de transacties betrekking hebben op beleggingsobjecten waarvoor een vergunning van de AFM is vereist, waarover VGI niet beschikt, zodat sprake is van oneerlijke handelspraktijken.

2.6.

Op 23 juni 2017 heeft notaris [de notaris] aan [gedaagde sub 2] medegedeeld elke aansprakelijkheid af te wijzen.

2.7.

Bij brief van 29 juni 2017 heeft (de advocaat van) VGI - als reactie op voormelde brief van 16 juni 2017 - aan [gedaagde sub 2] bericht het vermeende onrechtmatige handelen te betwisten, onder ontkenning van de vergunningsplichtigheid van VGI.

2.8.

Bij brief van 11 juli 2017 heeft [gedaagde sub 2] - als advocaat van [B] - notaris [de notaris] aansprakelijk gesteld voor de schade die [B] heeft geleden als gevolg van de onder 2.3 (b) vermelde transacties, waarvan het transport ten overstaan van notaris [de notaris] plaatsvond. In die brief wordt notaris [de notaris] - net als ten aanzien van [A] - verweten dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt, zoals het verzaken van diens onderzoeks-, informatie- en waarschuwingsplicht, in het bijzonder voor wat betreft het ontbreken van een vergunning van de AFM waarover VGI ingevolge de Wft dient te beschikken. Volgens [gedaagde sub 2] had notaris [de notaris] geen medewerking mogen verlenen aan de betreffende transacties. Ook in die brief wordt VGI verschillenden malen aangeduid als een malafide verkoper en worden haar kwade bedoelingen verweten.

2.9.

Op 14 juli 2017 heeft VGI [gedaagde sub 2] gesommeerd zich te onthouden van verdere onjuiste en onhoudbare negatieve uitlatingen over (de bedrijfsvoering van) VGI. Tevens worden gedaagden aansprakelijk gesteld voor de schade die VGI lijdt als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] heeft die aansprakelijkstelling diezelfde dag nog betwist.

2.10.

Bij brief van 21 juli 2017 heeft [gedaagde sub 2] notaris mr. [de notaris 2] te [plaats 3] - als opvolger van notaris mr. [de notaris 3] , ten overstaan van wie ook hier aan de orde zijnde onroerend goedtransacties zijn gepasseerd - aansprakelijk gesteld op vergelijkbare gronden als die waarop de aansprakelijkstelling van notaris [de notaris] plaatsvond.

2.11.

Op 24 juli 2017 heeft VGI [gedaagde sub 2] onder andere gesommeerd om uiterlijk op 28 juli 2017 de jegens de erven [A] , de executeur, [B] en notaris [de notaris] ingenomen standpunten met betrekking tot VGI te rectificeren. [gedaagde sub 2] heeft hieraan niet voldaan.

2.12.

VGI heeft bij de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een klachtschrift ingediend betreffende het optreden van [gedaagde sub 2] in de onderhavige kwestie. Deze tuchtprocedure - waarin [gedaagde sub 2] gemotiveerd verweer voert - is nog aanhangig.

3 Het geschil

3.1.

VGI vordert, zakelijk weergegeven, gedaagden - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen:

I. tegenover notaris [de notaris] , [B] , notaris [de notaris 2] , de erven [A] en de executeur de beschuldigingen van en uitlatingen over VGI schriftelijk te rectificeren;

II. zich te onthouden van de uitlating dat VGI op grond van de Wft vergunningsplichtig is, alsmede van uitlatingen en beweringen die de eer en goede naam van VGI aantasten en niet door deugdelijk feitenmateriaal worden geschraagd, waaronder maar niet beperkt tot die met de strekking dat VGI een malafide verkoper met kwade bedoelingen is;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proces- en nakosten, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert VGI - samengevat - het volgende aan.

Gedaagden handelen onrechtmatig jegens VGI, in het bijzonder doordat [gedaagde sub 2] :

(i) VGI volstrekt onterecht en ongefundeerd beschuldigt van een economisch delict door de betreffende onroerend goedtransacties - in strijd met de Wft - zonder vergunning van de AFM te verrichten;

(ii)· zich jegens derden bedient van ongefundeerde en onnodig grievende bewoordingen met betrekking tot VGI, met name door VGI te kwalificeren als een malafide verkoper met kwade bedoelingen.

Daarmee handelen gedaagden onrechtmatig, aangezien VGI daardoor wordt aangetast in haar eer en goede naam en schade lijdt. Te meer nu in de branche waarin VGI actief is, het vertrouwen van klanten cruciaal is. Bovendien heeft VGI in verband met haar activiteiten de medewerking van notarissen nodig en trachten gedaagden haar in een kwaad daglicht te stellen teneinde te bewerkstelligen dat de notarissen niet langer meewerken aan het transport van de kavels.

3.3.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

In de onderhavige procedure baseert VGI het - vermeende - onrechtmatige handelen in feite uitsluitend op de onder 2.4, 2.5, 2.8 en 2.10 vermelde brieven van [gedaagde sub 2] , voor zover VGI daarin wordt (i) beschuldigd van een economisch delict en (ii) aangemerkt als een malafide verkoper met kwade bedoelingen. Partijen zijn het er over eens dat in de onderhavige procedure niet behoeft te worden beantwoord de vraag of VGI vergunningsplichtig is ingevolge de Wft (omdat de kavels beleggingsobjecten betreffen), aangezien die kwestie volgens hen door de bodemrechter moet worden beoordeeld.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van VGI in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ('EVRM') neergelegde grondrecht van [gedaagde sub 2] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde sub 2] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag welk recht in dit geval zwaarder weegt - het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van eer of goede naam - moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [gedaagde sub 2] is daarin gelegen dat hij - ter verdediging van het door zijn cliënten ingenomen standpunt - zich (namens die cliënten) kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over de wijze waarop VGI handelt. Daartegenover staat het belang van VGI om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan verdachtmakingen en/of voor haar ongewenste publiciteit omtrent haar handelspraktijk. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ten slotte spelen nog een rol de vraag of de beweringen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.

4.3.

Met gedaagden acht de voorzieningenrechter de navolgende factoren van belang bij de noodzakelijke belangenafweging:

(i) de aard en de mogelijke gevolgen van de uitlatingen;

(ii) het beoogde belang bij de uitlatingen;

(iii) de feitelijke grondslag van de uitlatingen;

(iv) de inkleding van de uitlatingen.

Deze factoren zullen hierna - telkens afzonderlijk - worden besproken.

Aard en mogelijke gevolgen van de uitlatingen

4.4.

[gedaagde sub 2] heeft de in geschil zijnde uitlatingen gedaan als advocaat in de context van een juridisch geschil tussen enerzijds zijn cliënten de erven [A] , de executeur en [B] en anderzijds VGI. In een dergelijke context is gebruikelijk en toelaatbaar - maar ook logisch - dat een advocaat het standpunt van zijn cliënt jegens diens wederpartij scherp en duidelijk verwoordt. Teneinde die duidelijkheid te scheppen, kan er voor worden gekozen om niet te veel terug te vallen op juridisch jargon. Hiervan uitgaande valt te verklaren dat [gedaagde sub 2] VGI heeft aangeduid als een malafide verkoper met kwade bedoelingen, bij wijze van kernachtige samenvatting van de verwijten aan het adres van VGI die hij uitgebreid onderbouwt in de betreffende brieven. Daarbij moet overigens wel worden opgemerkt dat [gedaagde sub 2] de uitdrukking malafide verkoper wel heel erg vaak gebruikt in zijn brieven van 14 juni 2017 en 11 juli 2017 aan notaris [de notaris] en dat het wel iets minder had gekund. Of dat ook het geval is geweest in de brief van 21 juli 2017 aan notaris [de notaris 2] kan niet worden beoordeeld, omdat slechts een deel van die brief in het geding is gebracht.

4.5.

Niet kan worden aangenomen dat de negatieve uitlatingen in de brieven (substantiële) nadelige gevolgen hebben meegebracht voor VGI. Daarvoor is allereerst van belang dat het bereik van die brieven uiterst beperkt is (geweest); het betreft immers één brief aan VGI en drie brieven aan (twee) notarissen. Gesteld noch gebleken is dat de inhoud van die brieven door toedoen van gedaagden in de publiciteit zijn terechtgekomen. Voor wat betreft de brief aan VGI komt daar nog bij dat moet worden aangenomen dat VGI als gevolg van die brief geen schade heeft geleden, nu - naast VGI en [gedaagde sub 2] - enkel de erven [A] , de executeur en [B] op de hoogte zijn van de inhoud van de brief en zij hun vertrouwen in VGI al volledig hadden verloren. Bovendien heeft VGI in haar pleitnota - onder 6 - in feite aangegeven dat zij er mee had kunnen leven indien de verwijten alleen aan haar kenbaar zouden zijn gemaakt, maar dat zij ernstige bezwaren heeft tegen het betrekken van de notarissen in het geschil tussen partijen. Met betrekking tot de brieven aan de notarissen is van belang dat die notarissen - ondanks de brieven en (zo mag worden aangenomen) na de uitoefening van hun rechercheplicht - steeds hun ministerie hebben verleend bij de onroerend goedtransacties en dat gesteld noch gebleken dat zij in de toekomst niet zullen blijven doen.

Beoogde belang bij de uitlatingen

4.6.

Het is evident dat [gedaagde sub 2] met zijn uitlatingen het belang van zijn cliënten beoogde te dienen. Dit brengt logischerwijs mee dat in de brieven een eenzijdig standpunt wordt ingenomen, waarbij de wederpartij niet behoeft te worden ontzien, behoudens voor zover sprake is van onrechtmatige uitlatingen. Voorts komt [gedaagde sub 2] daarbij - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen - een ruime mate van vrijheid toe in het bepalen van de wijze waarop hij die belangen het best denkt te kunnen behartigen, ook indien achteraf komt vast te staan dat hij een onjuist standpunt innam.

Feitelijke grondslag van de uitlatingen

4.7.

In dit verband is allereerst van belang dat - zoals hiervoor onder 4.1 al overwogen - met de onderhavige procedure niet wordt beoogd duidelijkheid c.q. zekerheid te verkrijgen over het antwoord op de vraag of VGI vergunningsplichtig is in de zin van de Wft. De voorzieningenrechter zal zich daarover dan ook niet uitspreken. Zou hij dat wel doen, dan zou hij immers buiten de rechtsstrijd treden. Desondanks zal de voorzieningenrechter - met het oog op de afweging van de wederzijdse belangen en de relevantie van het onderhavige aspect - daaraan toch enige aandacht moeten besteden.

4.8.

Indien op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting evident zou zijn dat het standpunt van VGI als het (enige) juiste moet worden beschouwd, zou in het beperkte bestek van dit kort geding ervan kunnen worden uitgegaan dat de uitlatingen van [gedaagde sub 2] geen grondslag vinden in de onderliggende feiten. Dat is echter niet het geval. VGI stelt weliswaar dat zij in 2010 volledig is doorgelicht door de AFM en de AFM daarbij tot de conclusie kwam dat VGI niet vergunningsplichtig is omdat de door haar aanboden kavels niet kunnen worden aangemerkt als beleggingsobjecten, maar bewijsstukken dienaangaande heeft zij niet overgelegd, wat wel van haar had mogen worden verwacht. Te meer nu niet kan worden aangenomen dat VGI daartoe niet in staat is. Gelet hierop kan - zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat voormelde stelling van VGI juist is - niet worden onderzocht op welke informatie de AFM zich destijds heeft gebaseerd, noch of de AFM heeft gecontroleerd of de feitelijke situatie daarmee overeenstemt. Over de waarde van het onderzoek en de daaruit getrokken conclusie valt dus niet veel te zeggen. Daarnaast hebben gedaagden gemotiveerd - en onderbouwd met stukken - gesteld dat de betreffende kavels wel degelijk beleggingsobjecten betreffen en dat VGI daarom dient te beschikken over een vergunning van de AFM. Bij die stand van zaken kan - in het beperkte kader van deze procedure - niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld aan wiens zijde het gelijk ligt. Dit brengt mee dat in ieder geval niet ervan kan worden uitgegaan dat de uitlatingen van [gedaagde sub 2] feitelijke grondslag missen.

Inkleding van de uitlatingen

4.9.

Zoals hiervoor onder 4.4 al aangegeven komen de uitlatingen in feite neer op een kernachtige samenvatting van het door [gedaagde sub 2] in de betreffende brieven gemotiveerd aangegeven juridische standpunt.

Afronding

4.10.

De slotsom van het voorgaande is dat de belangen van VGI als minder zwaarwegend dan die van gedaagden moeten worden aangemerkt en dat de gewraakte uitlatingen in de brieven niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd. Overigens neemt de voorzieningenrechter aan dat de uitlatingen van [gedaagde sub 2] door VGI als onaangenaam en beschuldigend worden ervaren, maar in de onderhavige situatie brengt dat nog niet mee dat zij onnodig grievend, kwetsend en daarmee onrechtmatig zijn. De vorderingen van VGI zullen dan ook worden afgewezen. Gelet hierop kan in het midden blijven of VGI op goede gronden ook [gedaagde sub 1] heeft betrokken in dit kort geding.

4.11.

VGI zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van VGI af;

5.2.

veroordeelt VGI in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

jvl