Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13018

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 10436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Irak, niet aannemelijk dat eiser persoonlijk te vrezen heeft, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/10436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.V. van Vegten).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel

31 van de Vreemdelingenwet (Vw 2000). Tevens is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat hem geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens is verschenen O. Al Otman, tolk.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1987 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Personen behorende bij de sji’itische volksmilitie Assaeb Ahl Alhak (hierna: de militie) zijn in augustus 2014 bij eiser thuis langs geweest en hebben eisers vader voor de keuze gesteld om geld te doneren of om eiser mee te laten vechten tegen IS. Eisers vader heeft dit geweigerd. Tien dagen later zijn zeven gewapende personen het huis van eiser binnengedrongen en hebben de familie bedreigd. Zij zijn vertrokken en hebben wat spullen in beslag genomen. In januari 2015 werd eiser op straat klemgereden. Getracht werd om eiser te ontvoeren, hij werd hierbij geslagen en met een mes gestoken. Het is niet gelukt eiser te ontvoeren omdat de buren aangesneld kwamen. Eiser verbleef vervolgens twee maanden bij zijn oom en is daarna naar Nederland gevlucht.

2. Verweerder heeft met toepassing van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000 de aanvraag van eiser van 9 maart 2015 afgewezen. Als relevante elementen van het asielrelaas worden daarbij door verweerder onderscheiden:

-De nationaliteit, identiteit en herkomst van betrokkene;

-Betrokkene verklaarde te zijn vervolgd door de militie;

-Betrokkene vreest bij terugkeer naar Irak te worden ontvoerd door de leden van de militie;

-Betrokkene verklaarde bij terugkeer te vrezen voor zijn toekomst.

3. Verweerder heeft het eiser tegengeworpen dat hij niet onverwijld na binnenkomst in Nederland asiel aangevraagd heeft. De verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit worden door verweerder geloofwaardig geacht. Eiser wordt evenwel niet gevolgd in zijn verklaring dat hij is vervolgd door de militie. Daarom wordt eiser ook niet gevolgd in zijn vrees om bij terugkeer door de leden van de militie ontvoerd te worden. Voor zover eiser met vrees voor de toekomst doelt op de algehele onveilige situatie overweegt verweerder dat eiser daarin kan worden gevolgd.

4. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd.

Eiser had te horen gekregen van degene die de uitreis verzorgd heeft dat hij bij binnenkomst in Nederland beter niet direct de waarheid van zijn komst naar Nederland en vertrek uit Irak kon vertellen omdat hij anders direct zou worden teruggestuurd. Dat eiser niet direct bescherming gevraagd heeft doet dus niets af aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven.

Daarnaast heeft eiser duidelijk gemaakt waarom hij niet direct na afgifte van zijn visum heeft kunnen vertrekken. De reisagent heeft gewacht tot hij een groep mensen tegelijk kon laten reizen en eiser had nog niet het gehele bedrag voldaan voor zijn visum. Dat eiser eerst enige tijd na afgifte van zijn visum naar Nederland is gekomen zegt daarom niets over de urgentie van het moeten vertrekken.

Voorts heeft verweerder het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder stelt zodanige vragen dat eiser gedwongen wordt te speculeren over de antwoorden. Zo weet eiser niet te zeggen waarom de militie gehandeld heeft zoals zij gedaan heeft. De speculaties van eiser vindt verweerder vervolgens niet logisch. Feit blijft dat eiser de antwoorden op dit soort vragen niet weet. Dat valt eiser niet tegen te werpen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers asielrelaas met betrekking tot de gestelde problemen met de militie terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe is naar het oordeel van de rechtbank onder andere het volgende redengevend.

5.3.

Verweerder heeft zich allereerst terecht op het standpunt gesteld dat afbreuk wordt gedaan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van eiser, doordat hij pas bescherming heeft ingeroepen van de Nederlandse autoriteiten nadat hem te kennen gegeven is dat hem de toegang tot Nederland zal worden ontzegd. Van een vreemdeling die zich beroept op het Vluchtelingenverdrag mag worden verwacht dat hij andersluidende adviezen, zich onverwijld meldt in het land waar hij de bescherming van het Vluchtelingenverdrag inroept, ook al krijgt hij andersluidende adviezen van derden. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat dit ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser in zijn geheel.

5.4

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vervolging van eiser door de militie in augustus 2014 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft daarbij kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiser vage en wisselende verklaringen afgelegd heeft over onder andere de bedreiging aan het adres van zijn vader en waarom de militie geen interesse getoond heeft in de jongere broer van eiser. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser wisselend verklaard heeft over de reden van de komst van de militie. Althans eiser kan niet duidelijk verklaren of de militie op geld van eisers familie uit was of eiser wilde meenemen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder eisers vermoedens dat zijn huis in de gaten werd gehouden door de militie als onvoldoende concreet passeren.

Ook ten aanzien van het tweede bezoek in september 2014 van de militie aan het huis van eiser, 10 dagen later, heeft verweerder eisers verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Zo heeft eiser niet aannemelijk kunnen maken waarom een gewapende militie van zeven man sterk het huis ontvlucht nadat de buurman een waarschuwingsschot heeft afgevuurd. Ook de verklaring, dat eisers zussen zich schuilhielden in een afgesloten kamer waar de militie niet geprobeerd heeft in te komen, heeft verweerder niet ten onrechte onlogisch geacht, althans niet strokend met de gestelde dreiging en agressiviteit van de militie.

Verweerder heeft terecht opgemerkt dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.