Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13016

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
NL17.10544
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Spanje, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10544


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis)

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10545, plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 21 augustus 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat hij op 7 augustus 2017 in Spanje een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de autoriteiten van Spanje op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna de Dublinverordening)) op 13 september 2017 verzocht om eiser terug te nemen. De Spaanse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 20 september op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

2. Eiser voert aan dat in Spanje de opvang- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn. Eiser heeft namelijk van een advocaat van een vriend begrepen dat Jemenieten geen asielvergunning krijgen in Spanje, hetgeen wordt ondersteund door het feit dat eiser tijdens zijn asielprocedure in Spanje geen bijstand heeft gekregen van een advocaat. Eiser stelt dat hij als Jemeniet in Spanje wordt aangezien voor een terrorist, dat de Spaanse bevolking hem daarom discrimineert en dat de Spaanse autoriteiten hem hiertegen niet willen beschermen. Eiser is zelfs slachtoffer geweest van een geweldsmisdrijf en heeft daardoor blijvende medische problemen opgelopen aan zijn oog. De geboden zorg in Spanje was ver onder de maat. Ook heeft eiser in Spanje een vriend mishandeld zien worden en hoewel eiser samen met deze vriend aangifte heeft gedaan bij de Spaanse autoriteiten, hebben deze niets gedaan om de daders op te sporen en te bestraffen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een doktersverklaring over zijn oog overgelegd alsmede een proces-verbaal van aangifte bij de Spaanse autoriteiten.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Spanje zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Hij heeft geen landeninformatie aangehaald waaruit blijkt dat er in het algemeen zulke tekortkomingen bestaan in Spanje. Uit de verwijzing naar zijn eigen ervaringen blijkt dat evenmin. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij geen bijstand heeft gekregen van een advocaat tijdens zijn asielprocedure is daartoe onvoldoende, nu eiser hierover bij de Spaanse autoriteiten kan klagen. In de door eiser naar voren gebrachte gronden ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de Spaanse autoriteiten eisers huidige aanvraag niet zorgvuldig zullen behandelen en/of dat eiser niet vanuit Spanje zelf tegen eventuele schendingen zou kunnen opkomen. Eisers gronden slagen daarom niet.

3.2.

In de gestelde discriminatie van Jemenieten in Spanje en de mishandelingen van eiser en een vriend, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien de aanvraag van eiser aan zich te trekken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit de overgelegde stukken niet objectief verifieerbaar kan worden vastgesteld hoe eiser aan de verwondingen aan zijn oog is gekomen. Er kan dan ook niet de door eiser gewenste waarde aan de stukken worden gegeven. Los daarvan is niet gebleken dat eiser aangifte heeft gedaan bij de politie over zijn eigen mishandeling en dat de politie of andere autoriteiten eiser geen bescherming kunnen of willen bieden. In de overgelegde aangifte bij de Spaanse politie van de mishandeling van de vriend van eiser heeft verweerder geen reden hoeven zien om tot een andere conclusie te komen. Immers, daargelaten dat deze niet is vertaald, ziet de aangifte niet op eiser zelf en zegt de aangifte dan ook niets over de vraag of de Spaanse autoriteiten zich jegens eiser al dan niet aan hun verdragsverplichtingen zullen houden.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de in het besluit gegeven motivering dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Spanje een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.