Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
C/09/537520 / KG ZA 17-1096
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Samenvatting: Auteursrecht op kledingontwerpen. Geen auteursrecht op basis van artikel 8 Auteurswet of artikel 3.29 BVIE.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/537520 / KG ZA 17-1096

Vonnis in kort geding van 10 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap

AVELON FASHION B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. S.V. Rutgers te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. Y.A.E. Vlassenroot te Haarlem.

Partijen zullen hierna Avelon Fashion en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 augustus 2017 met producties 1 t/m 7;

  • -

    de op 4 september 2017 bij de griffie ingekomen brief met kostenopgave alsmede een nieuwe productie 5 van Avelon Fashion, ter vervanging van de bij dagvaarding toegezonden productie 5;

  • -

    de op 22 september 2017 bij de griffie ingekomen producties 1 t/m 23 van [gedaagde] ;

  • -

    de op 29 september 2017 bij de griffie ingekomen producties 8 t/m 19 van Avelon Fashion;

  • -

    de op 9 oktober 2017 ingekomen brief met producties 24 t/m 34 van [gedaagde] ;

  • -

    de op 13 oktober 2017 bij de griffie als productie 35 ingekomen aanvullende kostenopgave van [gedaagde] ;

  • -

    de op 13 oktober 2017 bij de griffie ingekomen aanvullende kostenopgave van Avelon Fashion;

  • -

    de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 13 oktober 2017 door Avelon Fashion en [gedaagde] overgelegde pleitnota’s.

1.2.

Ter zitting heeft Avelon Fashion het onderdeel in haar pleitnota dat betrekking heeft op [gedaagde] als aandeelhouder (randnrs. 39-42) laten varen zodat dit als niet bepleit wordt beschouwd. De niet aangekondigde feitelijke en juridische uitbreiding van de gronden van de vorderingen (naar o.a. handelsnaam- en merkinbreuk) heeft de voorzieningenrechter, gehoord het bezwaar van [gedaagde] , wegens strijd met de goede procesorde geweigerd.

1.3.

Op 16 oktober 2017 is bij de griffie ingekomen een brief van [gedaagde] met nogmaals productie 35 (kostenoverzicht), voorzien van een urenspecificatie. Bij brief van eveneens 16 oktober 2017 heeft Avelon Fashion tegen overlegging van die urenspecificatie bezwaar gemaakt, waarop [gedaagde] bij brief van diezelfde dag weer heeft gereageerd.

1.4.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Avelon Fashion is een op 19 mei 2015 opgerichte onderneming die zich bezighoudt met ontwerp en verkoop van kleding in het hogere (prijs)segment. Tot vorig jaar handelde zij tevens onder de naam Avelon Wholesale & Design B.V.

2.2.

[gedaagde] is ontwerper. Via zijn onderneming FF Holding B.V. (hierna: FF Holding) is hij indirect aandeelhouder van Avelon Fashion (zie 2.4).

2.3.

Avelon Fashion is een doorstart van een eerdere onderneming van [gedaagde] , Avelon B.V. Deze onderneming is op 28 april 2015 in staat van faillissement verklaard. Tussen de curator en Avelon II B.V. i.o. (het latere Avelon Fashion) is een ‘Overeenkomst tot koop en verkoop van activa tevens houdende akte van levering’ tot stand gekomen, die onder meer ziet op: “alle intellectuele eigendomsrechten van Gefailleerde, voor over deze overdraagbaar zijn, daaronder begrepen de merknaam Avelon en de websites (…) en de ontwerpen van de Gefailleerde.”

2.4.

Avelon Holding B.V. (hierna: Avelon Holding) houdt 100% van de aandelen in Avelon Fashion. De aandeelhouders van Avelon Holding zijn: Eendenvijver Investment B.V. - een onderneming van [A] (hierna: [A] ) - , welke onderneming tevens tevens statutair directeur van Avelon Holding is, de heer [B] (hierna: [B] ) en FF Holding. Deze aandeelhouders hebben op 8 juni 2015 met elkaar een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. FF Holding is daarin aangeduid als ‘aandeelhouder 3’ en Avelon Holding en Avelon Wholesale & Design B.V. zijn daarin tezamen aangeduid als ‘de vennootschap’. In artikel 5 van de aandeelhoudersovereenkomst staat onder meer:

(…)

c. Aandeelhouder 3 is verantwoordelijk voor het creatieve deel van de vennootschap, zijnde ontwerp en collectie.

d. Aandeelhouder 3 zal de titel creatief directeur dragen.
(…)

f. de creatief directeur mag geen werkzaamheden buitend de vennootschap verreichten behalve indien daarvoor toestemming is verkregen van de algemeen directeur (Eendenvijver Investment B.V., vzr).

2.5.

Op 19 mei 2015 hebben Avelon Fashion en FF Holding een managementovereenkomst gesloten. In artikel 1 van die overeenkomst staat onder meer:

  1. Avelon Wholesale & Design B.V. draagt bij deze op aan FF Holding B.V. het feitelijk management en de directievoering over Avelon Wholesale & Design B.V. FF Holding B.V. aanvaardt bij deze voormelde opdracht en de door haar in te zetten natuurlijke persoon zal daarbij het bepaalde bij de wet, de statuten van Avelon Wholesale & Design B.V. in acht nemen. De door FF Holding B.V. in te zetten natuurlijke persoon zal in de overeenkomst worden aangeduid als “manager”. De manager verricht zijn werkzaamheden geheel voor rekening en risico van en onder verantwoordelijkheid van FF Holding B.V. (…)

  2. (…)

  3. (…) Manager zal onder andere vooralsnog verantwoordelijk zijn voor de feitelijke bedrijfsleiding.

  4. Ter voorkoming van misverstanden daaromtrent zij expliciet vermeld dat FF Holding B.V. volledig vrij is in de keuze van de voor de uitvoering van de opdracht in te zetten (natuurlijke) persoon (…).


De natuurlijke persoon/ manager die voor de uitvoering van de overeenkomst is ingezet, is [gedaagde] .


In artikel 2 van de managementovereenkomst is bepaald dat FF Holding B.V. een (vaste) beheersvergoeding ontvangt terzake van de door de vertegenwoordigend manager te verrichten werkzaamheden.

2.6.

In 2016 heeft [gedaagde] voor Avelon Fashion collecties voor de lente en de zomer van 2017 ontworpen: de pre- en main spring/summer collecties, in de stukken ook als SS2017 aangeduid (hierna tezamen: de collectie en afzonderlijk de pre- en main- collectie).

2.7.

Van elk kledingstuk van de collectie zijn samples gemaakt die aan professionele afnemers zijn verstrekt. Op basis van verkregen orders is de collectie vervolgens (deels) in productie genomen en een deel van de orders is door Avelon Fashion aan afnemers geleverd. Vanwege tegenvallende resultaten en het niet kunnen vinden van nieuwe investeerders, is eind 2016 besloten de bedrijfsvoering van Avelon Fashion te staken. Afnemers en leveranciers zijn daarover eind 2016 geïnformeerd.

2.8.

In februari 2017 heeft [gedaagde] aan [A] en [B] aangekondigd met een eigen label te gaan starten. Onder de naam ‘ [gedaagde] ’ heeft hij (een deel van) de collectie (alsnog) aan verschillende winkeliers geleverd en te koop aangeboden via zijn website [de website] .

2.9.

Bij brief van 6 april 2017 aan [gedaagde] , heeft Avelon Fashion medegedeeld dat kledingstukken worden aangeboden onder het merk ‘ [gedaagde] ’, die identiek zijn aan de eerdere modellen die door Avelon Fashion op de markt zijn gebracht en dat [gedaagde] door het (laten) produceren en verkopen van deze kleding inbreuk maakt op de auteurs- en modelrechten van Avelon Fashion. [gedaagde] is gesommeerd de inbreuk te beëindigen.

3 Het geschil

3.1.

Avelon Fashion vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot i) het staken en gestaakt houden van de verveelvoudiging en/of openbaarmaking van de in dit geding aan de orde zijnde auteursrechtelijk beschermde kledingstukken en tot ii) het staken en gestaakt houden van het produceren, in voorraad hebben, verkopen, in- en uitvoeren en doorvoeren van de in dit geding aan de orde zijn kledingstukken alsmede tot iii) het doen van een door een registeraccountant gecertificeerde opgave van leveranciers, afnemers, kost-, in-, en verkoopprijzen van de betreffende kledingstukken en van aantallen ingekochte en thans nog op voorraad zijnde kledingstukken, alsmede de per kledingstuk gemaakte winst, en voorts tot iv) het berichten van afnemers dat nog voorhanden zijnde kledingstukken dienen te worden geretourneerd, onder verstrekking van afschrift van die berichten aan de advocaat van Avelon Fashion, iv) een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding artikel 1019h Rv, waarbij Avelon Fashion vraagt de termijn ex artikel 1019i Rv te stellen op 6 maanden na de datum van dit vonnis.

3.2.

Avelon Fashion legt aan haar vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. De collectie is ontworpen door [gedaagde] in opdracht van Avelon Fashion onder de managementovereenkomst. Nu de collectie door Avelon Fashion onder de naam ‘Avelon’ is aangeboden aan de groot- en detailhandel, zonder [gedaagde] als maker te noemen, is Avelon Fashion auteursrechthebbende op grond van artikel 8 van de Auteurswet (Aw). Tevens heeft Avelon Fashion als opdrachtgever op grond van de artikelen 3.8 en 3.29 BVIE1 auteursrechten op de collectie verkregen. Daarnaast is zij houdster van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrechten op de collectie. [gedaagde] maakt inbreuk op de exclusieve rechten van Avelon Fashion door de collectie onder zijn eigen label aan te bieden.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [gedaagde] in [plaats] woont, is de voorzieningenrechter bevoegd van het geschil op de daartoe aangevoerde grondslagen kennis te nemen. De bevoegdheid is overigens ook niet bestreden.

4.2.

[gedaagde] betwist dat er (spoedeisend) belang aan de zijde van Avelon Fashion bestaat. Hij heeft daartoe aangevoerd dat Avelon Fashion de collectie niet meer op de markt brengt en de collectie inmiddels ook niet meer door hem wordt aangeboden. Onweersproken is echter dat [gedaagde] ten tijde van de dagvaarding nog kledingstukken uit de collectie aanbood op zijn website, terwijl hij van zijn stelling dat dat nu niet meer zo is, geen bewijsstukken heeft verschaft en hij de gestelde inbreuk voorts betwist. Daarom kan er niet van worden uitgegaan dat de hem verweten handelingen thans niet meer plaatsvinden of daarvan geen herhaling meer dreigt. Voorts is de enkele omstandigheid dat Avelon Fashion de ontwerpen thans zelf niet meer op de markt brengt, onvoldoende om aan te nemen dat, zo de door haar ingeroepen rechten bij haar zouden liggen en sprake is van inbreuk daarop, zij daarvan geen schade ondervindt. Het verweer faalt daarom.

4.3.

Bij de beoordeling van de vorderingen op de auteursrechtelijke grondslag wordt het volgende vooropgesteld. Ter zitting heeft Avelon Fashion toegelicht dat waar zij spreekt over auteursrechten op de collectie, zij doelt op de in de pre- en main-collectie opgenomen afzonderlijke kledingontwerpen. Tussen partijen is niet in geschil is dat al die afzonderlijke kledingontwerpen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter zal daar daarom in dit kort geding eveneens vanuit gaan.

4.4.

De auteur of feitelijk maker van voormelde werken is [gedaagde] . Hij heeft de kledingstukken uit de collectie immers ontworpen. Ter zitting heeft Avelon Fashion opgemerkt dat [gedaagde] daarbij ondersteuning kreeg van mevrouw [X] en mevrouw [Y] . Voor zover zij daarmee bedoelt te zeggen dat sprake is van mede-makerschap of gemeenschappelijke werken, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij. Niet aannemelijk is gemaakt dat genoemde personen met betrekking tot één of meer ontwerpen uit de onderhavige collectie een creatieve inbreng hebben gehad die maakt dat van (één of meer) gemeenschappelijke werken sprake is. De stellingen van Avelon Fashion en de door haar overgelegde verklaring van [X] zijn daarvoor te weinig concreet, terwijl de door [gedaagde] overgelegde verklaring van [Y] weerspreekt dat van een dergelijk inbreng sprake was.

4.5.

Het standpunt dat aan haar de auteursrechten op de ontwerpen uit de collectie toekomen, baseert Avelon Fashion in de eerste plaats op artikel 8 Aw, waarin kort gezegd is bepaald dat een vennootschap als maker van een werk wordt aangemerkt als dat werk als van haar afkomstig openbaar wordt gemaakt, zonder daarbij een natuurlijk persoon als maker te vermelden. Het gaat daarbij om de eerste openbaarmaking van een werk. Vermelding van een natuurlijk persoon als maker kan ook op andere wijze plaatsvinden dan door vermelding op/ bij het werk zelf.

4.6.

[gedaagde] bestrijdt niet dat Avelon Fashion de collectie onder de naam Avelon heeft geopenbaard, maar betoogt dat hij bij de openbaarmaking van de collectie als maker is vermeld, zodat artikel 8 toepassing mist. Hierover wordt als volgt overwogen.

4.7.

[gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat de collectie openbaar is gemaakt door de presentatie en het verstrekken van samples daarvan door [gedaagde] persoonlijk aan (vertegenwoordigers van) winkeliers. Niet ter discussie staat dat, zoals is opgenomen in het door [gedaagde] als productie 21 overlegde tijdpad, de presentatie van de pre-collectie heeft plaatsgevonden in de periode 23 juni 2016 - 27 juni 2016 en de presentatie van de main-collectie in de periode 29 september 2016 - 4 oktober 2016. Het standpunt dat hij bij die openbaarmakingen als maker is vermeld - volgens [gedaagde] wisten alle aanwezigen bij de presentaties dat hij de maker was - heeft [gedaagde] onderbouwd met diverse producties, waaronder perspublicaties waarin hij als ontwerper van het label Avelon wordt genoemd en het ‘Avelon company Profile’ van Avelon Fashion zelf, waarin hij als “The designer” van alle Avelon-collecties wordt gepresenteerd. Voorts heeft hij een afdruk van een uitnodiging overgelegd met betrekking tot de main-collectie in de Avelon Showroom in Parijs, met de tekst: “[gedaagde] would like to invite you to view his SS’17 MAIN collection at our Paris showroom. 29th of September till 4th of October”. Dit vormen aanwijzingen dat in de markt niet alleen in algemene zin bekend is (gemaakt) dat [gedaagde] de ontwerper van de collecties onder het label Avelon is, maar tevens dat dat ten aanzien van de openbaarmaking van de collectie, waaraan [gedaagde] voorts zelf gestalte heeft gegeven, tot uitdrukking is gebracht. Avelon Fashion stelt daar feitelijk slecht tegenover dat de voor de collectie gebruikte orderboeken en de labels op de (sample)kledingstukken uitsluitend van de naam Avelon zijn voorzien. Dat is in het licht van het voorgaande echter onvoldoende om van de toepasselijkheid van artikel 8 Aw uit te gaan. Haar beroep op dit artikel faalt daarom.

4.8.

Het betoog van Avelon Fashion dat zij krachtens de artikelen 3.8 lid 2 en 3.29 BVIE auteursrechthebbende op de ontwerpen uit de collectie is, faalt eveneens. Naar voorlopig oordeel is namelijk geen sprake van een door Avelon Fashion gedane bestelling voor die ontwerpen, zoals op grond van artikel 3.8 lid 2 BVIE is vereist. Avelon Fashion beroept zich in dit kader op de tussen haar en FF Holding gesloten managementovereenkomst, waaraan [gedaagde] feitelijk uitvoering gaf. De managementovereenkomst behelst echter een (algemene) opdracht om te zorgen voor het management en de directievoering van Avelon Fashion. Over het maken van ontwerpen is in de managementovereenkomst niets bepaald. Deze overeenkomst kan daarom niet worden aangemerkt als bestelling of opdracht van Avelon Fashion voor het maken van de hier in geding zijnde ontwerpen. Dat [gedaagdes] hoofdtaak binnen de samenwerking het ontwerpen van collecties was met de bedoeling dat deze door Avelon Fashion op de markt werden gebracht, zoals Avelon Fashion met verwijzing naar artikel 5 van de aandeelhoudersovereenkomst heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Die (samenwerkings)afspraken tussen de aandeelhouders van Avelon Holding, kunnen evenmin als opdracht of bestelling van Avelon Fashion worden gekwalificeerd. De afspraken maken Avelon Fashion dan ook niet tot auteursrechthebbende op grond van de artikelen 3.8 lid 2 en 3.29 BVIE.

4.9.

Ter zitting heeft Avelon Fashion nog betoogd dat een deel van de ontwerpen uit de collectie - een aantal ‘basics’ - voortkomt uit een eerdere basiscollectie die door Avelon Fashion uit het faillissement van Avelon B.V. is overgenomen, zodat zij om die reden auteursrechthebbende op die ontwerpen is. Zij heeft echter nagelaten duidelijk te maken om welke eerdere ontwerpen het precies zou gaan en hoe zich die verhouden tot de door Avelon Fashion bedoelde ontwerpen in de collectie. Een en ander kan niet uit de overgelegde passages van de overeenkomst met de curator (zie r.o. 2.3) worden afgeleid. Avelon Fashion heeft dat ook niet met andere stukken inzichtelijk gemaakt. De door haar overgelegde verklaring van [X] , die spreekt over ‘(door-)ontwikkelde oude ontwerpen’, onderstreept alleen maar het belang van het kunnen vergelijken van de betreffende ‘oude’ en ‘nieuwe’ ontwerpen. Het betoog wordt daarom als niet, althans onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.10.

Nu naar voorlopig oordeel geen sprake is van auteursrechten op ontwerpen uit de collectie aan de zijde van Avelon Fashion, komen haar vorderingen, voor zover gegrond op auteursrechten niet voor toewijzing in aanmerking.

4.11.

Avelon Fashion heeft bij dagvaarding nog (ongemotiveerd) gesteld dat zij houdster is van niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrechten op ontwerpen uit de collectie. Ingevolge artikel 14 lid 1 van de Gemeenschapsmodellenverordening, komt het recht op een Gemeenschapsmodel evenwel toe aan de ontwerper ervan. Niet valt in te zien dat dat hier anders zou zijn. De vorderingen van Avelon Fashion komen derhalve ook op deze grondslag niet voor toewijzing in aanmerking.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Avelon Fashion worden afgewezen. Avelon Fashion zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. [gedaagde] maakt aanspraak op vergoeding van volledige kosten op de voet van artikel 1019h Rv. Dit artikel is van toepassing, nu deze zaak is aan te merken als een procedure in de zin van artikel 1019 Rv. [gedaagde] heeft een totaalbedrag van

€ 22.509,63 aan kosten opgegeven. Avelon Fashion heeft bezwaar gemaakt tegen dit bedrag voor zover het ziet op kosten voor werkzaamheden verricht in de periode 5 januari 2017 tot 31 maart 2017, dus vóór haar sommatiebrief (r.o 2.9). Dat in die periode al sprake was van een concrete (dreiging) van handhaving van intellectuele eigendomsrechten door Avelon Fashion (en dat de opgegeven werkzaamheden in dat kader zijn verricht), is gesteld noch gebleken. Blijkens [gedaagdes] toelichting betrof het werkzaamheden naar aanleiding van het staken van de activiteiten van Avelon Fashion. Met Avelon Fashion moet daarom worden geoordeeld dat de over de betreffende periode berekende kosten, ter hoogte van € 3.867,- niet aan deze procedure kunnen worden toegerekend. Avelon Fashion heeft voorts terecht gesteld dat dat ook moet gelden voor de als productie 35 overgelegde aanvullende kostenopgave van € 10.706,50, nu deze niet van een specificatie is voorzien. De op 16 oktober 2017 ontvangen specificatie maakt dat niet anders, omdat deze pas na de zitting is toegezonden en dientengevolge buiten beschouwing blijft. Het resterend deel van de opgave, te weten (afgerond) € 7.936,- zal als verder niet bestreden en vallend onder het in de Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 april 2017) vastgestelde maximale tarief voor een normaal kort geding, worden toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met € 287,- aan griffierecht, zodat de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] in totaal worden begroot op € 8.223,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Avelon Fashion in de proceskosten, tot dusver aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 8.223,-;

5.3.

verklaart het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T. Aalbers en in het openbaar uitgesproken op

10 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), inwerkingtreding: 1-9-2006, laatstelijk gewijzigd bij Trb. 2007,1.