Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13012

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5795
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling ligt voor of eiser gedurende de tijdvakken van 8 februari 1996 tot en met 1 december 1998, en van 1 april 2003 tot en met 2 maart 2010 verzekerd was voor de AOW. Vastgesteld dient te worden of op eiser ingevolge de van toepassing zijnde EEG-Verordening 1408/71 in voornoemde tijdvakken de Nederlandse of de Belgische wetgeving van toepassing was. Verweerder heeft op toereikende gronden geconcludeerd dat op eiser in de genoemde tijdvakken de Belgische wetgeving van toepassing is. Er is terecht een korting toegepast op het AOW-ouderdomspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/54
PJ 2018/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/5795

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van maart 2010 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Het toegekende AOW-pensioen bedraagt 78% van het maximale AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde, nog te vermeerderen met een (partner)toeslag.

Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van deze rechtbank (in de zaak met zaaknummer SGR 15/7814) is het tegen het besluit van 12 oktober 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, en is dat besluit vernietigd. Verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van die uitspraak.

Bij een nieuwe beslissing op bezwaar van 8 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 12 oktober 2017 is de onderhavige zaak ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak van eiser, geregistreerd onder zaaknummer SGR 16/5786. Eiser is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1945, en op [trouwdatum] 1966 gehuwd met

[persoon A] , geboren op [geboortedatum] 1946. Op 3 maart 1960 heeft de opbouw van het (recht op) AOW-pensioen voor eiser een aanvang genomen. Op 3 maart 2010 heeft eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

1.2

Op het door eiser aangevraagde AOW-pensioen heeft verweerder bij het primaire besluit beslist.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser in de tijdvakken van

8 februari 1996 tot en met 1 december 1998, en van 1 april 2003 tot en met 2 maart 2010 wegens wonen en werken buiten Nederland niet verzekerd is geweest voor de AOW. In verband met de (afgerond) negen niet-verzekerde jaren is een korting van 18% op het AOW-pensioen van eiser toegepast. Daarenboven is een korting van 4% toegepast omdat eiser bij besluiten van 25 juli 2006 en 21 november 2006, 100% schuldig nalatig is verklaard ter zake van het niet betalen van premie ingevolge de AOW over respectievelijk de jaren 2002 en 2000. Op de bovenop het AOW-pensioen te ontvangen (partner)toeslag wordt een korting van 22% toegepast, nu de echtgenote van eiser in de tijdvakken van

8 februari 1996 tot en met 30 juni 1998 en van 8 december 2000 tot en met 2 maart 2010, zijnde in totaal (afgerond) elf jaar, niet verzekerd is geweest voor de AOW.

Voor de stelling van eiser dat hij ook gedurende de tijdvakken dat hij in België woonde als zelfstandige werkzaamheden in Nederland heeft verricht, ontbreken volgens verweerder concrete bewijsstukken. Dat eiser niet meer in het bezit zou zijn van relevante (bewijs)stukken uit zijn bedrijfsadministratie dient naar het inzicht van verweerder voor rekening en risico van eiser te komen. Evenmin heeft eiser volgens verweerder aannemelijk gemaakt dat in de van belang zijnde tijdvakken premieafdracht heeft plaatsgevonden, nog daargelaten dat premieafdracht niet kan leiden tot verzekeringsplicht voor de AOW.

Verder is verweerder niet gebleken dat de korting van 22% op de (partner)toeslag onjuist is vastgesteld. Verweerder ziet in het door eiser in bezwaar aangevoerde dan ook geen reden tot wijziging van zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aan.

In de periode van 8 februari 1996 tot 3 maart 2010 zijn door eiser onafgebroken werkzaamheden in Nederland verricht. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiser naar de door hem overgelegde uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel (KvK), die zien op [bedrijf A] , [bedrijf B] en [bedrijf C] , alle drie Nederlandse rechtspersonen, waar eiser (in Nederland) werkzaamheden voor heeft verricht.

Wat betreft de aanname van verweerder dat eiser vanaf april 2003 werkzaam zou zijn geweest in de door hem naar Belgisch recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba), stelt eiser zich op het standpunt dat dit onjuist is; hij heeft als gedelegeerde alleen de bvba vertegenwoordigt en de administratieve verplichtingen om het bestaansrecht van de bvba te waarborgen naar behoren vervuld.

Voorts is de handelwijze van verweerder in de visie van eiser op bepaalde punten onzorgvuldig, onnauwkeurig en/of dubieus te noemen.

Eiser komt alles overziend tot de slotsom dat hij en zijn echtgenote gezamenlijk recht hebben op een AOW-pensioen ter hoogte van € 1.422,26 per maand. De door hen als gevolg van het ontvangen van een te laag AOW-pensioen geleden – en door verweerder te vergoeden – schade wordt door eiser begroot op minimaal € 22.515,76, nog te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.1

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, een korting toegepast van 2%

voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest. Ingevolge hetzelfde lid, aanhef en onder b, wordt een korting van 2% toegepast voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd schuldig nalatig is geweest als bedoeld in artikel 61 van de Wet financiering sociale verzekeringen, de over dat jaar verschuldigde premie, bedoeld in artikel 61, derde lid, onderdeel b, van die wet, te betalen.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a, van de AOW wordt op de bruto-toeslag, na toepassing van artikel 10, een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest.

4.2

Op grond van artikel 13, tweede lid, sub b, van de ten tijde van belang zijnde toepasselijke EEG-Verordening 1408/71 (Vo 1408/71) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat als zelfstandige werkzaamheden uitoefent de wetgeving van die lidstaat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woonachtig is.

In het tweede lid van artikel 14bis van de Vo 1408/71 is bepaald dat op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van de lidstaat van toepassing is op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van die werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat uitoefent. Indien hij geen werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont, is de wetgeving van de lidstaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht. De criteria ter bepaling van de hoofdwerkzaamheden zijn vastgesteld bij de in artikel 98 bedoelde verordening.

5.1

Ter beoordeling ligt voor of eiser gedurende de tijdvakken van

8 februari 1996 tot en met 1 december 1998, en van 1 april 2003 tot en met 2 maart 2010 verzekerd was voor de AOW. Daartoe dient vastgesteld te worden of op eiser ingevolge de Vo 1408/71 in voornoemde tijdvakken de Nederlandse of de Belgische wetgeving van toepassing was. Van belang is dus of eiser, die – zoals tussen partijen niet in geschil is – woonachtig was in België , in Nederland werkzaamheden verrichtte. Indien daarvan sprake is, is vervolgens doorslaggevend of en in welke mate hij tevens in België als zelfstandige werkzaam was.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in de tijdvakken hier van belang niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Gelet op het woonland is in die tijdvakken volgens verweerder de Belgische wetgeving op eiser van toepassing, en moet hij als niet verzekerd voor de AOW worden aangemerkt.

5.3

Eiser betwist het door verweerder ingenomen standpunt en stelt dat hij van

8 februari 1996 tot 3 maart 2010 onafgebroken als zelfstandige werkzaamheden in Nederland heeft verricht.

5.4

Aangezien eiser een aanvraag tot toekenning van een AOW-pensioen heeft gedaan, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in beginsel op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij in de hier van belang zijnde perioden als verzekerde in de zin van de AOW moet worden aangemerkt. Het is aan verweerder om de informatie die eiser aanlevert te onderzoeken.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij in de tijdvakken van 8 februari 1996 tot en met 1 december 1998, en van

1 april 2003 tot en met 2 maart 2010, in Nederland werkzaamheden anders dan in loondienst, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71, heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de gegevens die eiser heeft aangeleverd voldoende onderzoek heeft gedaan om de stelling van eiser dat hij in de tijdvakken hier van belang in Nederland als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht te verifiëren. Van enige onzorgvuldigheid in dat onderzoek is de rechtbank niet gebleken. Nu het door verweerder verrichte onderzoek geen onderbouwing van het standpunt van eiser heeft opgeleverd, was het aan eiser om zijn stelling met objectieve, verifieerbare gegevens nader te onderbouwen. Eiser heeft tegenover de onderzoeksbevindingen van verweerder echter geen objectiveerbare, controleerbare bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij van 8 februari 1996 tot 3 maart 2010 (onafgebroken) als zelfstandige werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De door eiser in dit verband overgelegde uittreksels van de KvK zijn daartoe onvoldoende. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat hij mede door het verstrijken van de wettelijke bewaartermijnen, wat daar ook van zij, in bewijsnood is komen te verkeren, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit voor rekening en risico van eiser dient te komen. Van een feitelijke onmogelijkheid om de benodigde (bewijs)stukken uit de bedrijfsadministratie te verstrekken is niet gebleken.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op toereikende gronden heeft geconcludeerd dat op eiser in de tijdvakken van 8 februari 1996 tot en met

1 december 1998, en van 1 april 2003 tot en met 2 maart 2010, de Belgische wetgeving van toepassing is. Daarnaast zijn geen rechtsmiddelen (tijdig) aangewend tegen de besluiten van 25 juli 2006 en 21 november 2006 waarbij eiser schuldig nalatig is verklaard over de jaren 2000 en 2002. Dit betekent dat verweerder terecht aan eiser met ingang van maart 2010 een pensioen ingevolge de AOW heeft toegekend ter hoogte van 78% van het maximale AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde, nog te vermeerderen met een (partner)toeslag, en dat het tegen dat besluit gerichte bezwaar terecht ongegrond is verklaard.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
- het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, en mr. C.J. Waterbolk en mr. B. Hammer, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.