Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12997

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
17-11044
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op 29 mei 2017 ingesteld, summiere gronden (anderhalve pagina) op 11 juli 2017 ingediend, aanvullende uitgebreide gronden (17 pagina's) op 22 september 2017 ingediend. Zitting op 6 oktober 2017. Strijd met de goede procesorde. Rechtbank betrekt een aantal beroepsgronden niet bij haar beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/11044

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen

[naam] ,

V-nummer: [nummer] ,

eiser

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M.J. Hofstra).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Daarnaast is geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend en is geen uitstel van vertrek verleend. Het bestreden besluit is aangemerkt als terugkeerbesluit. De vertrektermijn is bepaald op vier weken.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 29 mei 2017 beroep ingesteld. Bij brief van 11 juli 2017 heeft hij gronden van beroep ingediend. Bij brief van 22 september 2017 heeft eiser nadere - uitgebreide - gronden van beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op 19 september 1984.

1.1.

Eiser heeft op 29 oktober 2015 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 26 november 2015 heeft een gehoor aanmeldfase plaatsgevonden. Eiser heeft tijdens het eerste gehoor van 14 juni 2016 verklaard dat hij op 25 september 2015 uit Iran is vertrokken.

1.2.

Eiser heeft tijdens het nader gehoor van 16 juni 2016 en het aanvullend nader gehoor van 18 juni 2016 naar voren gebracht dat hij in Iran problemen heeft ondervonden vanwege een toespraak die hij in de herfst van 2008 heeft gehouden, vanwege zijn activiteiten bij een huiskerk van een zekere heer [naam] in de periode maart 2011 tot 16 augustus 2015 en vanwege het behoren tot de Yarsan-gemeenschap. Voorts heeft eiser uiteengezet dat hij in november/december 2014 drie dagen in voorarrest heeft gezeten en dat hij is ondervraagd en mishandeld in verband met activiteiten voor een NGO die zich bezighield met milieuvraagstukken. De autoriteiten verdachten eiser ervan dat deze organisatie een dekmantel was voor activiteiten van een verboden Yarsan-sekte. Op 16 augustus 2015 heeft eiser vernomen dat hij door de rechtbank was veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en een verbanning van vijf jaren. Verder heeft eiser verklaard dat op 14 of 15 september 2015 invallen hebben plaatsgevonden in zijn huis en in het huis van zijn ouders. Eiser was op dat moment niet thuis, maar zijn vader is gearresteerd en een week vastgehouden. Eiser hoorde dat de invallen te maken hadden met zijn activiteiten voor de huiskerk. Naar aanleiding van deze invallen heeft eiser Iran verlaten. Ten slotte heeft eiser naar voren gebracht dat hij na zijn vertrek uit Iran is bekeerd tot het christendom. Eiser vreest dat hem bij terugkeer naar Iran het ergste te wachten staat.

1.3.

Bij brief van 1 mei 2017 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het voornemen bestaat om de asielaanvraag af te wijzen en hem geen reguliere vergunning of uitstel van vertrek te verlenen. Verweerder heeft vastgesteld dat het asielrelaas van eiser is opgebouwd uit de volgende relevante elementen:

  1. betrokkene stelt [naam] te zijn en geboren te zijn op [geboortedatum] te Kermanshah, Iran. Betrokkene stelt Koerd te zijn en de Iraanse nationaliteit te bezitten;

  2. betrokkene stelt in de herfst van 2008 een toespraak te hebben gehouden op een bijeenkomst voor Koerdische studenten van de Esfahan Universiteit, waarin hij in het algemeen kritiek heeft geuit op het Iraanse bewind;

  3. betrokkene stelt vanaf maart/april 2011 tot 16 augustus 2015 actief te zijn geweest bij de huiskerk van de heer [naam];

  4. betrokkene stelt afkomstig te zijn uit een liberale Yarsan-familie;

  5. betrokkene stelt in november/december 2014 drie dagen te zijn vastgehouden waarbij hij is mishandeld vanwege de beschuldiging van het propageren van de verboden Yarsan-sekte onder de dekmantel van NGO Zagros-e Ma.

  6. betrokkene stelt op 16 augustus 2015 kennis te hebben genomen van zijn veroordeling door de rechtbank van Kermanshah tot een gevangenisstraf van drie jaar plus vijf jaar verbanning;

  7. betrokkene stelt dat er op 14 of 15 september 2015 invallen zijn geweest bij zowel hemzelf als bij zijn vader thuis, waarbij zijn vader is opgepakt. Nadat de vader van betrokkene werd vrijgelaten kreeg betrokkene te horen dat zijn activiteiten voor de huiskerk verband hielden met de invallen;

  8. betrokkene stelt in Nederland te zijn bekeerd tot het christendom.

1.4.

Verweerder heeft de identiteit, afkomst en nationaliteit van eiser aannemelijk geacht, alsmede het element dat hij in 2008 een kritische toespraak heeft gehouden. Verweerder acht echter niet aannemelijk dat eiser actief is geweest voor een huiskerk, dat hij een Yarsan achtergrond heeft, dat hij vanwege een toespraak in 2014 in verband is gebracht met de verboden Yarsan-sekte, dat hij om die reden is veroordeeld door een Iraanse rechtbank, dat vanwege zijn activiteiten voor de huiskerk invallen hebben plaatsgevonden en dat hij in Nederland is bekeerd tot het christendom.

1.5.

Op 27 februari 2017 heeft eiser zijn zienswijze naar voren gebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

3. Eiser heeft betoogd dat verweerder de in rechtsoverweging 1.3. onder 3 tot en met 8 genoemde elementen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser op 29 mei 2017 beroep heeft ingesteld. Daarop heeft de rechtbank eiser bij brief van 13 juni 2017 verzocht binnen vier weken na de datum van verzending van deze brief de gronden van beroep aan de rechtbank te sturen. Bij brief van 11 juli 2017 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van beroep ingediend. Deze beslaan anderhalve pagina.

5.1.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 22 september 2017 aanvullende gronden van beroep ingediend, die zeventien pagina’s beslaan en die zijn voorzien van een bijlage.

5.2.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door deze gang van zaken de goede procesorde is geschonden.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat in de brief van 11 juli 2017 slechts op een aantal van de in rechtsoverweging 1.3. opgesomde elementen wordt ingegaan. Voor zover verweerder in het bestreden besluit de betrokkenheid bij de huiskerk, de Yarsan-afkomst en de invallen op 14 en 15 september 2015 (de in rechtsoverweging 1.3. genoemde elementen 3, 4 en 7) ongeloofwaardig heeft bevonden, heeft de gemachtigde van eiser daar geen woord aan gewijd. Pas in de aanvullende gronden van beroep van 22 september 2017 is de gemachtigde van eiser uitgebreid ingegaan op alle elementen. Gelet op de omvang van de brief van 22 september 2017, de lange periode tussen het instellen van het beroep en het indienen van de brief van 22 september 2017, terwijl de gemachtigde van eiser daarvoor geen gerechtvaardigde reden heeft gegeven, en het feit dat in de brief van 11 juli 2017 niet is gesteld dat eiser zich niet kon vinden in het standpunt van verweerder ten aanzien van voornoemde elementen 3, 4 en 7, zal de rechtbank de beroepsgronden die op deze elementen zien niet bij haar beoordeling betrekken wegens strijd met de goede procesorde. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemachtigde van verweerder voldoende in de gelegenheid gesteld om alle gronden van beroep tijdig in te dienen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder te kennen heeft gegeven dat verweerder zich ten aanzien van deze elementen onvoldoende heeft kunnen prepareren op de behandeling van het beroep ter zitting. Ten aanzien van de overige elementen overweegt de rechtbank als volgt.

6. Eiser stelt dat verweerder het ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij in Iran gevaar loopt vanwege een kritische toespraak die hij in 2008 heeft gehouden, aangezien verweerder wel geloofwaardig heeft geacht dat eiser die toespraak heeft gehouden.

6.1.

Verweerder wijst erop dat de Iraanse autoriteiten eiser vergiffenis hebben geboden, nadat hij spijt had betuigd. Om die reden is het volgens verweerder niet aannemelijk dat de autoriteiten eiser vanwege deze toespraak zullen vervolgen.

6.2.

De rechtbank kan verweerders standpunt volgen en is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten hem de toespraak nog nadragen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser zijn standpunt niet heeft onderbouwd. Voor zover hij een beroep doet op WBV 2017/7 slaagt dit niet, reeds omdat daarin is vermeld dat alleen mensen die “significant kritiek uiten” hebben te vrezen voor vervolging. Uit de gedingstukken, noch uit hetgeen eiser op dit onderdeel naar voren heeft gebracht, is gebleken dat sprake is van door eiser geuite significante kritiek.

7. Eiser stelt voorts dat verweerder het ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij in november/december 2014 drie dagen is vastgehouden, waarbij hij is mishandeld vanwege de beschuldiging van het propageren van de verboden Yarsan-sekte onder de dekmantel van de NGO Zagros-e Ma. Eiser stelt dat hij als bewijs van zijn stelling bij de politie in Rotterdam een origineel document heeft overgelegd, dat ziet op een veroordeling door de revolutionaire rechtbank in Kermanshah. Dit document zou zijn zoekgeraakt.

7.1.

Verweerder brengt naar voren dat het document dat eiser bij de politie in Rotterdam heeft overgelegd, door Bureau Documenten is onderzocht, maar dat dit niet origineel is bevonden. Daarmee heeft Bureau Documenten het ook niet kunnen beoordelen op echtheid. Voorts merkt verweerder op dat het feit dat eiser veroordeeld zou zijn vanwege teksten over een geheime Yarsan-sekte niet wordt gevolgd, reeds omdat eiser niet gevolgd wordt in zijn stelling dat hij tot de Yarsan behoort.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden overwogen dat aan het door eiser overgelegde document niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan wenst te hechten. Bureau Documenten heeft als deskundige op 11 november 2015 rapport uitgebracht en geconcludeerd dat het document dat eiser heeft overgelegd, anders dan eiser zelf stelt, niet origineel is. Eiser heeft geen tegenrapportage in het geding gebracht waaruit blijkt dat het document wél origineel is, noch enig ander bewijs voor zijn stelling dat hij in voornoemde periode is vastgehouden en mishandeld vanwege een toespraak waarin hij naar eigen zeggen het Yarsan-geloof heeft aangehaald. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat dit onderdeel van eisers relaas ongeloofwaardig is. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat het niet aannemelijk is dat eiser het Yarsan-geloof in een speech heeft genoemd, nu het in Iran een feit van algemene bekendheid is dat spreken over dit geloof strafbaar is en kan worden gevolgd door de doodstraf.

7.3.

Voor zover eiser stelt dat hij door de revolutionaire rechtbank in Kermanshah is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en een verbanning van vijf jaar vanwege de inhoud van deze speech, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte overwogen dat dit niet geloofwaardig is, nu eiser dit aspect van zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is het document dat eiser heeft overgelegd niet origineel bevonden en heeft Bureau Documenten dit niet op echtheid kunnen beoordelen. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is veroordeeld vanwege de speech.

8. Voorts stelt eiser dat verweerder zijn bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden Hij geeft daartoe aan dat hij meent dat hij overtuigend en coherent heeft verklaard over zijn bekering, over het proces dienaangaande en over de uitoefening van het geloof. Tevens stelt eiser dat hij voldoende kennis over het christendom heeft. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn beroep - onder meer - een doopakte, een rapport van de commissie Plaisier en ondersteunende brieven van mede-kerkgangers overgelegd.

8.1.

Verweerder brengt naar voren dat eiser het proces van zijn bekering niet aannemelijk heeft gemaakt.

8.2.

Uit de verklaringen van eiser volgt dat eiser een actieve bekeerling is. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3502) wordt bij een actieve bekering, meer dan bij een passieve bekering, waarde gehecht aan het bekeringsproces.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het standpunt dat de bekering van eiser ongeloofwaardig is, uitgebreid heeft gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op deze motivering niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser, gezien het summiere en oppervlakkige karakter van zijn verklaringen, geen inzicht heeft verschaft in het proces van bekering. Daarbij heeft verweerder mede kunnen betrekken dat het ongeloofwaardig is dat eiser enerzijds heeft gesteld dat hij - als bioloog - een man van de ratio is, terwijl hij anderzijds zich aanvankelijk niet heeft verdiept in de Bijbel en het christelijk geloof. In dat licht heeft verweerder het opmerkelijk kunnen achten dat eiser stelt dat het proces van zijn bekering door een wonder is aangevangen.

8.4.

Behalve het bekeringsproces neemt verweerder ook het proces van geloofsontwikkeling ná de bekering in beschouwing. Hoewel eiser enige kennis heeft van het christendom, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat hij geen blijk heeft gegeven van een verdieping in het geloof. Eiser heeft op vragen over het geloof volstaan met algemene opmerkingen. Zo heeft hij verklaard dat de kern van het christendom “liefde en het kruis” en “naastenliefde” is. Verder heeft hij verklaard dat Jezus zijn redder is, maar heeft hij dit niet verder kunnen uitdiepen. Nu eiser heeft gesteld in Iran de huiskerk van de heer [naam] te hebben bezocht en in Nederland kerkdiensten te hebben bijgewoond, mag van eiser worden verwacht dat hij meer kan vertellen over wat het christendom voor hem betekent.

8.5.

Ten aanzien van het door eiser ter staving van zijn bekering overgelegde rapport van de commissie Plaisir van de Protestantse Kerk in Nederland van 14 september 2017, op basis van het op 23 augustus 2017 met eiser gevoerde gesprek, stelt de rechtbank vast dat deze commissie tot de conclusie komt dat de bekering van eiser geloofwaardig is.

8.6.

De rechtbank overweegt dat uit de eerder genoemde uitspraak van 30 december 2016 van de ABRvS, in samenhang met de uitspraak van de ABRvS van diezelfde datum (ECLI:NL:RVS:2016:3514), kan worden afgeleid dat de commissie Plaisier, anders dan verweerder, geen integrale geloofsbeoordeling verricht, waardoor aan de beoordeling niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Verweerder neemt een standpunt in over het asielrelaas als geheel op basis van de afweging van de geloofwaardige en niet-geloofwaardige elementen in onderlinge samenhang. Ook beziet verweerder de door eiser afgelegde verklaringen en documenten tegen hetgeen eiser heeft verklaard over zijn omgeving en herkomst, zoals de houding van de autoriteiten in het land van herkomst of de maatschappelijke opvattingen over het zich afwenden van de islam en het zich bekeren tot het christendom, én wat verweerder bekend is over andere vreemdelingen die zijn bekeerd. Het door eiser overgelegde rapport kan daardoor niet afdoen aan het bestreden besluit. Gelet daarop heeft verweerder meer waarde mogen toekennen aan zijn eigen beoordeling dan aan de overgelegde rapporten. Naar het oordeel van de rechtbank doen de door eiser overgelegde schriftelijke steunbetuigingen van mede-kerkgangers niet af aan het voorgaande. Ook in het feit dat eiser is gedoopt heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien voor een ander standpunt. De doop biedt immers geen inzicht in de motieven voor en het proces met betrekking tot de bekering (vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 6 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:850 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=78167)).

8.7.

De rechtbank komt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat eiser er niet in is geslaagd voldoende over zijn bekeringsproces te verklaren. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de gestelde bekering ongeloofwaardig is.

9. Ten slotte stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran gevaar loopt wegens zijn illegale uitreis en het indienen van zijn asielaanvraag in Nederland. Eiser heeft in dit verband onder meer verwezen naar de rapportages 'Country Information and Guidance Iran: Illegal Exit' van het UK Home Office van december 2015 en juli 2016.

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Dat in de rapportage van het UK Home Office van december 2015 staat dat Iraniërs die het land illegaal hebben verlaten, bij het inreizen worden onderworpen aan een onderzoek door de autoriteiten, neemt niet weg dat daarin ook staat dat louter de illegale uitreis geen gevaar oplevert. De rapportage van het UK Home Office van juli 2016 werpt naar het oordeel van de rechtbank geen ander licht op deze situatie. Ook de overige stukken die eiser hierover heeft overgelegd, bevatten geen relevante andersluidende informatie. De door eiser overgelegde stukken over de risico's die volgens hem zijn verbonden aan de indiening van een asielaanvraag, nopen evenmin tot inwilliging van de aanvraag. In het algemeen ambtsbericht inzake Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 augustus 2012 (hierna: het ambtsbericht) staat weliswaar dat Iraniërs die asiel hebben aangevraagd volgens de Iraanse autoriteiten in staat van beschuldiging moeten worden gesteld, en dat dit volgens een voormalig rechter in het Hooggerechtshof op basis van de Iraanse wetgeving ook mogelijk is, maar in dat ambtsbericht wordt niet vermeld dat in de praktijk sprake is van strafrechtelijke procedures of bestraffingen wegens het vragen van asiel. De overige stukken bevatten geen relevante andersluidende informatie. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de ABRvS van 6 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2433).

10. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Coster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.