Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12964

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
SGR 17/2910
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank concludeert dat verweerder, onder verwijzing naar de rapporten van de SAOZ, de omvang van de schade op goede gronden heeft vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de waardevermindering van 2,9% weliswaar substantieel, maar niet zodanig zwaar dat verweerder deze schade niet volledig voor rekening van eisers heeft kunnen laten. Verweerder heeft daarbij, anders dan eisers menen, in aanmerking kunnen nemen dat de afstand van eisers’ woning tot de nieuwe ontwikkeling zodanig groot is dat de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat beperkt merkbaar zullen zijn, en dat de door de ontwikkeling ontstane schade voor eisers per saldo als relatief gering dient te worden aangemerkt.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2910

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser, en

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

samen aan te duiden als eisers,

(gemachtigde: mr. G.J.M. Immens),

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder

(gemachtigden: N.N.C. Plug en M.E. Bosboom).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eisers om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts was aanwezig mr. I.M.A.M. de Looij, adviseur van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ).

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers zijn woonachtig aan [adres 1] te [plaats] , gemeente Nieuwkoop. De woning behoort hen in eigendom toe en het perceel waarop deze woning is gelegen is kadastraal bekend als gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer] .

2. Eisers hebben verweerder op 11 september 2015 verzocht om tegemoetkoming in de schade, bestaande uit een waardedaling van de woning als gevolg van het op 6 november 2013 onherroepelijk geworden bestemmingsplan ‘ [nieuwe bestemmingsplan] ’ (het nieuwe bestemmingsplan). Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in de bouw van woningen en bijbehorende voorzieningen op gronden ten zuiden, gescheiden door water en groen, van het perceel van eisers.

3.1.

Verweerder heeft de SAOZ verzocht advies uit te brengen over de aanvraag van eisers. Op 14 maart 2016 heeft de SAOZ een conceptadvies uitgebracht. Eisers en verweerder hebben hierop gereageerd. Het definitieve advies dateert van 27 mei 2016. De SAOZ heeft de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan vergeleken met die onder het oude planologische regime, welke werd gevormd door de bestemmingsplannen ‘ [bestemingsplan 1] ’ en ‘ [bestemmingsplan 2] ’ (het oude planologische regime). De SAOZ heeft in haar advies opgenomen dat de gronden ten zuiden van het perceel van eisers op basis van het oude planologische regime in essentie waren bestemd voor agrarische doeleinden. In het nieuwe bestemmingsplan zijn deze gronden in essentie bestemd voor ‘water’, ‘groen’ en vervolgens voor ‘woongebieden 2’. Deze gronden worden door middel van de bestemming ‘Verkeer- Verblijfsgebied’ op twee punten op de bestaande wegen ontsloten. Volgens de SAOZ bestaan de voor het onroerend goed van eisers nadelige ruimtelijke effecten als gevolg van de planologische wijziging uit een verslechtering van het karakter van de bestemming, een vermindering dan wel beperking van het zicht en een onrustigere woonomgeving. De SAOZ heeft de waardevermindering van de woning per de peildatum van 6 november 2013 berekend op € 12.000,--, zijnde een waardedaling van 2,9%. De SAOZ heeft geadviseerd om deze schade niet voor uitkering in aanmerking te laten komen, aangezien deze binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

3.2.

Verweerder heeft het advies van de SAOZ aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.

3.3.

Het tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift is vervolgens voor advies aan de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Nieuwkoop (de bezwaarschriftencommissie) voorgelegd. In bezwaar hebben eisers een rapport van mr. S. Berns van adviesbureau Gloudemans (Gloudemans) ingebracht. Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder de SAOZ verzocht een aanvullend advies uit te brengen. De SAOZ heeft hieraan op 9 november 2016 gehoor gegeven. Op 13 december 2016 heeft de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de SAOZ op verzoek van verweerder een nadere rapportage uitgebracht. Dit aanvullende rapport dateert van 3 januari 2017. Verweerder heeft dit rapport aan de bezwaarschriftencommissie doen toekomen.

3.4.

Op 23 februari 2017 heeft de bezwaarschriftencommissie haar advies uitgebracht. Volgens de bezwaarschriftencommissie kan het primaire besluit in stand blijven.

3.5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie.

4.1.

Eisers stellen in de eerste plaats dat de bezwaarschriftencommissie hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het aanvullende rapport van de SAOZ van 3 januari 2017.

4.2.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers naar aanleiding van het aanvullende advies van 3 januari 2017 niet opnieuw gehoord hoefden te worden. Dit advies behelst niet meer dan een nadere toelichting op reeds eerder door verweerder ingenomen standpunten. Dat deze nadere toelichting is voorzien van niet eerder vermelde jurisprudentie, leidt niet tot een ander oordeel. Het betreft geen nieuwe informatie waarmee eisers niet eerder bekend hadden kunnen zijn. Van een schending van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook geen sprake.

5.1.

Eisers stellen voorts dat de SAOZ blijk lijkt te geven van een tunnelvisie door krampachtig aan haar conclusies van het advies van 27 mei 2016 vast te houden. Daarnaast bevreemdt het eisers dat de SAOZ, als onafhankelijk adviseur, verweerder in haar aanvullende rapporten adviseert het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren.

5.2.

De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus, dat verweerder niet zonder meer van het advies van de SAOZ heeft mogen uitgaan. Voorop staat dat indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – de Afdeling – van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398).

5.3.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het door de SAOZ uitgebrachte advies. Van vooringenomenheid of een tunnelvisie is de rechtbank niet gebleken. De omstandigheid dat de SAOZ op verzoek van verweerder twee aanvullende rapportages heeft uitgebracht, en daarbij haar eerder ingenomen standpunt heeft gehandhaafd, is daartoe onvoldoende. Weliswaar heeft de SAOZ verweerder in die aanvullende rapportages geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren, maar dat maakt niet dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of anderszins gebrekkig is te achten. Het betoog van eisers faalt dan ook.

6.1.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. In het tweede lid, onder a, is, voor zover hier van belang, bepaald dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is: een bepaling van een bestemmingsplan.

6.2.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

6.3.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van artikel 6.2. van de Wro, voor zover thans van belang, blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager:

van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

7. De rechtbank overweegt in lijn met vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant. Alleen de objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime zijn van belang. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers door de wijziging van het planologisch regime in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Partijen zijn echter verdeeld over de omvang van het planologisch nadeel en omtrent de vraag voor wiens rekening de schade dient te komen.

9. Om de omvang van het planologisch nadeel te kunnen bepalen, hebben een planschadedeskundige van de SAOZ en makelaar-taxateur C.F.C. Magermans de woning van eisers opgenomen en gewaardeerd. Onder het oude planologische regime is deze per de peildatum van 6 november 2013 getaxeerd op een bedrag van € 410.000,--. Van deze taxatie is een taxatierapport opgesteld dat als bijlage bij het advies van de SAOZ van 27 mei 2016 is gevoegd. In samenspraak tussen de SAOZ en voornoemde makelaar-taxateur is de waarde van de woning onder het nieuwe planologische regime vastgesteld op € 398.000,--, hetgeen overeenkomt met een waardedaling van € 12.000,-- oftewel een waardedruk van 2,9%. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het planologische nadeel relatief gering is, vanwege de in aanmerking te nemen schadefactoren en de afstand van ongeveer 70 meter tot het plangebied.

10. Onder verwijzing naar de rapportage van Gloudemans stellen eisers dat de door de SAOZ verrichte waardering onjuist is. De waardedruk van 2,9% staat niet in verhouding tot het vastgestelde nadeel. Gezien het aantal schadefactoren en de korte afstand tot het plangebied is volgens eisers sprake van (middel)zware schade. Er dient dan ook van een waardedruk van 6 à 7% te worden uitgegaan. Dit komt volgens het rapport van Gloudemans neer op een waardedaling van de woning per de peildatum van € 17.500,--.

11.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door de SAOZ verrichte waardering van de woning onder het oude planologische regime. Uit het advies van de SAOZ blijkt dat de waarde van de woning is vastgesteld met bijstand van een makelaar-taxateur die de situatie ter plaatse heeft opgenomen. Weliswaar worden in de taxatie geen referentieobjecten genoemd, maar dat betekent niet zonder meer dat niet van de taxatie kan worden uitgegaan. De inzichten van een makelaar-taxateur zijn gebaseerd op zijn kennis en ervaring en een nadere toelichting op deze inzichten kan niet in alle gevallen worden verlangd. De rechtbank wijst in dit verband bij wijze van voorbeeld op de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4420. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval van de taxatie worden uitgegaan, nu daarin inzichtelijk is gemaakt welke feiten en omstandigheden daaraan ten grondslag zijn gelegd. De makelaar-taxateur heeft niet alleen de woning van eisers en de omgeving beschreven, maar ook toegelicht welke factoren bepalend zijn voor de waarde van de onroerende zaak. De taxatie bevat verder geen tegenstrijdigheden en is voldoende duidelijk. Het enkele feit dat bij de taxatie van de SAOZ geen referentieobjecten worden genoemd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een ondeugdelijk advies, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1992.

11.2.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding te twijfelen aan de door de SAOZ verrichte waardering van de woning onder het nieuwe planologische regime. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het planologisch nadeel als (middel)zwaar gekwalificeerd dient te worden. Uit de jurisprudentie van de Afdeling kan niet worden afgeleid dat een afstand van ongeveer 70 meter als een beperkte afstand heeft te gelden. Bij wijze van voorbeeld noemt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2198. In deze uitspraak werd het nadelige effect van een nieuwe woonwijk juist beperkt geacht door de afstand van ten minste 55 meter van de woning tot aan de nieuwe woonwijk en de drukte van een tussengelegen weg. In de onderhavige zaak heeft verweerder bij het bepalen van de omvang van het planologisch nadeel in het bijzonder in aanmerking kunnen nemen dat op de tussen het perceel van eisers en het plangebied gelegen gronden, reeds bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van 2 à 3 meter konden worden opgericht. Ten aanzien van de te verwachten visuele hinder betekent dit dat eisers al rekening hadden te houden met een beperkt zicht. Gelet op de relatief ruime afstand tot het plangebied en de bouwmogelijkheden op de daartussen gelegen gronden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de schadefactoren als gevolg van de planologische wijziging te licht heeft ingeschat. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2097) betekent het enkele feit dat er een verschil van inzicht bestaat ten aanzien van de waardering van de uit de planologische vergelijking voortvloeiende nadelen niet dat het door de deskundige verrichte onderzoek, in dit geval de SAOZ, onzorgvuldig of onvolledig is geweest.

11.3.

Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt nog gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2292). Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier geen vergelijkbaar geval, reeds nu het in de door eisers aangehaalde zaak mogelijk werd om op korte afstand van de perceelsgrens gebouwen op te richten. Deze uitspraak leidt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.

11.4.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder, onder verwijzing naar de rapporten van de SAOZ, de omvang van de schade op goede gronden heeft vastgesteld.

12.1.

De rechtbank dient zich vervolgens te buigen over de vraag voor wiens rekening de berekende schade dient te komen. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ, op het standpunt gesteld dat deze voor rekening van eisers blijft, aangezien deze volledig onder het normaal maatschappelijk risico valt.

12.2.

De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval (uitspraak van de Afdeling 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7254).

12.3.

Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen (uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7254).

In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past (uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:986).

Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel (uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7254).

12.4.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668), is de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

13. De rechtbank stelt vast dat de planologische ontwikkeling een uitbreiding van de woningbouw aan de rand van de bestaande kern van [plaats] mogelijk maakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de aard van deze ontwikkeling, te weten een uitbreiding van woningbouw aan de rand van bebouwde kom, in zijn algemeenheid aan te merken als een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee eisers in abstracto rekening hadden kunnen houden. Dit betekent op zichzelf nog niet dat die planologische ontwikkeling ook in de lijn der verwachtingen lag.

14. Eisers betwisten dat de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Zij wijzen er op dat geen sprake was van gemeentelijk beleid waaruit zij konden begrijpen dat er een nieuwe woonwijk zou komen. Verder bestrijden zij dat in het kader van het normale maatschappelijke risico belang toekomt aan de afstand van hun woning tot aan het plangebied en de impact van de nieuwbouw. Deze aspecten zijn volgens eisers al meegenomen bij de vaststelling van de omvang van de schade.

15.1.

Onder verwijzing naar het advies van de SAOZ heeft verweerder de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen geacht. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de ontwikkeling in haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving van het plangebied past, omdat zich in de omgeving van het plangebied soortgelijke woningen bevinden als die met het nieuwe planologische regime mogelijk worden gemaakt. Deze ruimtelijke structuur wordt door eisers niet bestreden. Daarnaast heeft verweerder in aanmerking genomen dat de planologische ontwikkeling binnen het langdurige provinciale beleid past, aangezien met de provinciale Structuurvisie Noordse Buurt gemeente Nieuwkoop, die op 23 september 2009 in de Staatscourant is gepubliceerd, de rode contour is verlegd. Deze contour geeft het vlak aan waarbinnen verstedelijking mogelijk is. Zoals door verweerder nader ter zitting is toegelicht, is met deze verschuiving ook het gebied gelegen ten zuiden van het perceel van eisers waarbinnen volgens het nieuwe planologische regime woningen kunnen worden opgericht, onder de rode contour komen te vallen. De omstandigheid dat deze verstedelijking niet eerder in gemeentelijk beleid is vastgesteld, laat onverlet dat de ontwikkeling binnen het langdurige provinciale beleid past. De stelling van eisers dat voormelde rode contour niet als zodanig in het nieuwe bestemmingsplan is opgenomen, maakt dat niet anders.

15.2.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat de planologische ontwikkeling in dit geval in de lijn der verwachtingen lag. Dit betekent op zichzelf echter nog niet dat de gevolgen van de ontwikkeling geheel onder het normale maatschappelijke risico vallen. In dit verband komt tevens betekenis toe aan het antwoord op de vraag of de schade onevenredig is in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak. Dit zijn verschillende aspecten die bij de beoordeling van het normale maatschappelijke risico worden betrokken en elkaar niet uitsluiten (uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2009).

15.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is de waardevermindering van 2,9% weliswaar substantieel, maar niet zodanig zwaar dat verweerder deze schade niet volledig voor rekening van eisers heeft kunnen laten. Verweerder heeft daarbij, anders dan eisers menen, in aanmerking kunnen nemen dat de afstand van eisers’ woning tot de nieuwe ontwikkeling zodanig groot is dat de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat beperkt merkbaar zullen zijn, en dat de door de ontwikkeling ontstane schade voor eisers per saldo als relatief gering dient te worden aangemerkt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hierboven in rechtsoverweging 12.3. genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012.

16.1.

Eisers doen ten slotte een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij stellen dat verweerder in een andere planschadezaak over hetzelfde bestemmingsplan geen verhoogd normaal maatschappelijk risico heeft aangenomen, maar heeft vastgehouden aan het forfait van 2% zoals bedoeld in artikel 6.2, het tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro. Het gaat om de locatie [adres 2] te [plaats] .

16.2.

De rechtbank stelt vast dat de SAOZ in juni 2015 een definitief advies over een planschadeverzoek ten aanzien van de locatie [adres 2] te [plaats] heeft uitgebracht. Bij die locatie is de waardedruk op 6,8% berekend en is een drempelaftrek aan normaal maatschappelijk risico van 2% in acht genomen.

16.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gelijke gevallen, reeds omdat de afstand tussen de locatie [adres 2] en het plangebied substantieel kleiner is dan die tussen de locatie van eisers en het plangebied. Hierdoor is de planologische inbreuk ten aanzien van de locatie [adres 2] zwaarder dan die van eisers, hetgeen ook van invloed is op het in aanmerking te nemen normaal maatschappelijk risico. Daarbij komt dat de jurisprudentie van de Afdeling sinds medio 2015 een tendens laat zien waarbij in geval van waardevermindering door aantasting van het woongenot een hogere drempel wordt aangenomen dan het forfait van 2% als bedoeld in artikel 6.2, het tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat deze ontwikkeling in de rechtspraak al eerder is ingezet, nu de door hen aangehaalde jurisprudentie van vóór 1 juli 2015 waarbij een verhoogd maatschappelijk risico werd aangenomen niet specifiek op de ontwikkeling van nieuwbouw ziet. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

17. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. B. Hammer, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.