Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12912

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
6122574 RP VERZ 17-50392
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op grond van bedrijfseconomische omstandigheden (‘a-grond’) en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (‘g-grond’). Het verzoek op de a-grond slaagt niet, omdat de werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing zou zijn door een unieke functie. Van een verstoorde arbeidsverhouding is daarnaast niet voldoende gebleken. Wedertewerkstelling in een passende functie wordt toegewezen. De nevenverzoeken van de werknemer worden gesplitst op grond van art. 7:686a lid 10 BW en voortgezet in een dagvaardingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1343

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

RvV

Zaaknr.: 6122574 RP VERZ 17-50392

Uitspraakdatum: 7 september 2017

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

Air Resources Limited, h.o.d.n. Air Energi Netherlands,

gevestigd te Manchester en mede kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A. van Nielen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. N.P.B. Schmeitz.

Partijen worden hierna genoemd “Air Energi” en “ [verweerder] ”.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van 3 juli 2017, ter griffie ontvangen op 4 juli 2017;

  • -

    het verweerschrift van 1 augustus 2017;

  • -

    de aanvullende producties van 8 augustus 2017 zijdens [verweerder] ;

  • -

    de aanvullende producties van 9 augustus 2017 zijdens Air Energi;

  • -

    de door mr. van Nielen overgelegde pleitaantekeningen;

  • -

    de door mr. Beijerman overgelegde pleitaantekeningen.

1.2

Op 10 augustus 2017 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij namens Air Energi is verschenen [D] , bijgestaan door mr. A. van Nielen. Daarnaast is [verweerder] verschenen, bijgestaan door mr. K. Beijerman. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 Feiten

2.1

Air Energi houdt zich bezig met-en is gespecialiseerd in de werving en selectie van (hoogopgeleid) technisch personeel. Aan de hand van vacatures bij haar klanten zoekt Air Energi arbeidskrachten. Bij het vinden van een geschikte kandidaat voor een passende vacante positie, draagt zij kandidaten vervolgens voor bij haar klanten. Wanneer de klant instemt met de voorgedragen kandidaat, wordt door de kandidaat een arbeidsovereenkomst gesloten met Air Energi.

2.2

[verweerder] , geboren te [land] op [1984] , is op [2014] in dienst getreden bij Air Energi. Hij heeft laatstelijk de functie van [functie] vervuld tegen een bruto loon van € [xx] per uur.

2.3

Air Energi heeft op [2014] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten met [verweerder] . Deze arbeidsovereenkomst is vervolgens op [2015] met één jaar verlengd. [verweerder] is feitelijk tewerkgesteld bij Total E&P Nederland B.V. (hierna: “Total”). Op [2016] is de opdracht bij Total beëindigd. Nadien heeft [verweerder] geen werkzaamheden meer verricht voor Total of andere klanten van Air Energi.

2.4

Bij vonnis (zaaknummer: 5610872/16-35199) in kort geding heeft de kantonrechter te Den Haag op 27 februari 2017 geoordeeld dat de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege geconverteerd is in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, nu de totale keten van arbeidsovereenkomsten een termijn van 24 maanden en 2 dagen bedroeg en daarmee – gelet op artikel 7:668 lid 1 sub a BW – de termijn van 24 maanden overschreden was. Voorts heeft de kantonrechter de nevenverzoeken afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de vorderingen in een bodemprocedure zouden worden toegewezen. Partijen hebben deze beslissing als rechtens juist aanvaard.

2.5

Air Energi heeft op 21 februari 2017 toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te mogen opzeggen.

2.6

Het UWV heeft bij besluit van 4 mei 2017 (kenmerk: O-17162070 MVE246) geweigerd om aan Air Energi toestemming te geven voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden en heeft daarbij het volgende overwogen:

“(…)

Aan de hand van de door u overgelegde stukken is duidelijk geworden dat werknemer geplaatst was op een opdracht bij Total, welke opdracht per 18 oktober 2016 is geëindigd. Voorts is gebleken dat u deze opdracht op uw eigen initiatief heeft beëindigd, nu u in de veronderstelling was (en thans nog steeds bent) dat werknemer werkzaam was op basis van een arbeidscontract voor bepaalde tijd en dit contract van rechtswege zou eindigen. Sinds 18 oktober 2016 is er geen vervangende opdracht voor werknemer voorhanden gebleken, op grond waarvan u thans heeft besloten de functie van [functie] – en daarmee de arbeidsplaats van werknemer – te laten vervallen. Alhoewel de opdracht op uw eigen initiatief is beëindigd en de oorzaak van de thans aangevoerde bedrijfseconomische reden u derhalve valt aan te rekenen, is voor ons wel duidelijk geworden dat de opdracht waarop werknemer werkzaam was geheel is komen te vervallen en het sinds oktober niet meer gelukt is werknemer bij een andere opdrachtgever te plaatsen. Aangezien er tegenover de loonkosten van werknemer geen inkomsten staan en u niet verwacht dat hier binnen een redelijke termijn verandering in zal komen, kunnen wij begrijpen dat u daarom maatregelen wenst te nemen in de personele sfeer.

Zoals aangegeven wilt u de functie van [functie] – en daarmee de arbeidsplaats van werknemer – laten vervallen. De ontslagregeling bepaalt dat werknemer volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht. Volgens u betreft dit een unieke functie, waardoor het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is. Wij zijn echter van mening dat u, ondanks dat u daar meermaals de mogelijkheid voor heeft gehad, er niet in bent geslaagd uw stelling in voldoende mate aannemelijk te maken. Ten eerste blijft er – na twee rondes van hoor en wederhoor – onduidelijk hoeveel werknemers er daadwerkelijk bij u in dienst zijn. Vervolgens verstrekt u als bijlage een lijst van ‘runners’. Op ons verzoek hieromtrent meer helderheid te verschaffen, verstrekt u een lijst van 3 werknemers die op uw kantoor in Den Haag werken en een lijst van contractors. De lijst met contractors is vervolgens weer ingedeeld in ZZP’ers, contractors die via een bedrijf werken en contractors die op contract bij uw onderneming werken. Op geen van beide lijsten staat werknemer vermeld, terwijl werknemer volgens u wel degelijk bij u een dienstverband heeft. De personeelsoverzichten (b)lijken derhalve niet compleet. Daarnaast blijft onduidelijk in hoeverre de contractors werkzaam via een bedrijf tot uw personeelsbestand gerekend dienen te worden.

Vervolgens geeft u aan, op de vraag of de functie van Method Engineer SCE uitwisselbaar is met enige andere functie binnen uw onderneming, dat de functies die de contractors uitvoeren werkervaring en minimaal een bachelor of master diploma vereisen. U onderbouwt uw stelling echter in het geheel niet. Derhalve valt niet vast te stellen in hoeverre de functies genoemd op uw personeelsoverzichten (voor zover deze overzichten al compleet zijn) qua inhoud, vereiste kennis, vaardigheden, competenties, niveau en beloning al dan niet gelijkwaardig zijn met de functie van Method Engineer SCE. Gezien de onduidelijkheid die bestaat omtrent de omvang van uw personeelsbestand en de overeenkomsten/verschillen tussen de verschillende functies binnen uw onderneming, zijn wij van mening dat u ons er in onvoldoende mate van heeft kunnen overtuigen dat de functie van Method Engineer SCE een unieke functie betreft.

Nu u er niet in bent geslaagd aannemelijk te maken dat het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is, komen wij niet meer toe aan de vraag of herplaatsingsmogelijkheden aanwezig zijn.

(…)”

3 Het verzoek

3.1

Air Energi verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, althans artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Aan dit verzoek legt Air Energi ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – bedrijfseconomische redenen, subsidiair van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding tussen [verweerder] en Air Energi, dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2

Ter onderbouwing van de primaire ontslaggrond (de ‘a-grond’) heeft Air Energi naar voren gebracht dat zij opereert op een afnemende markt en de arbeidsplaats van [verweerder] structureel is komen te vervallen omdat de opdracht bij Total is geëindigd. Doordat het salaris van [verweerder] – een bedrag ter hoogte van € 14.255,73 bruto per maand – zwaar op het budget van Air Energi drukt, zou zij bij het voortduren van de arbeidsovereenkomst moeite hebben om het hoofd boven water te houden en meerdere banen op de tocht komen te staan. Andere passende functies zouden vanwege de opleiding, ervaring en capaciteiten van [verweerder] bovendien niet voorhanden zijn.

3.3

Ter onderbouwing van de subsidiaire ontslaggrond (de ‘g-grond’) heeft Air Energi naar voren gebracht dat zij al het mogelijke heeft gedaan om tot een oplossing te komen. [verweerder] zou daarbij “zijn hakken in het zand hebben gezet” en een weigerachtige en oncoöperatieve houding hebben ingenomen. Voorts zou de verstoring aan [verweerder] te wijten zijn, vanwege het feit dat hij de opdracht van Total heeft meegenomen naar een grote concurrent van Air Energi, om vervolgens de werkzaamheden bij Total abrupt doen te beëindigen. Het vertrouwen van Air Energi in [verweerder] is om die reden ernstig geschaad en een terugkeer naar Total is uitgesloten.

4 Het verweer en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

4.1

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2

Air Energi biedt enerzijds geen relevante aanvullende informatie aan, die bijdraagt aan het vaststellen van een bedrijfseconomische omstandigheid voor ontslag. De functie bij Total, die [verweerder] laatstelijk – naar volle tevredenheid – heeft vervuld, is daarbij niet structureel vervallen, maar enkel ingenomen door een ander. Voorts zou het in onderhavig geval niet gaan om een unieke functie, nu er meerdere mensen via Air Energi werkzaam zijn bij Total in soortgelijke functies. Van enige teruglopende markt is bovendien niets gebleken en de overgelegde kwartaalomzetten zijn niet voldoende onderbouwd.

4.3

Van een verstoring in de arbeidsrelatie zou daarnaast geen sprake zijn, en mocht daar al sprake van zijn, dan staat die verstoring – gelet op de constructie dat [verweerder] via Air Energi feitelijk werkzaam is bij een derde – niet in de weg voor een voortzetting van de arbeidsrelatie. Bovendien valt de vermeende verstoring in de arbeidsrelatie niet te rijmen met het laatste gesprek dat [verweerder] op 27 juni 2017 met mevrouw [D] heeft gevoerd over de mogelijke functies elders en waarbij hij hartelijk werd ontvangen. Van een gespannen sfeer was aldus geen sprake. Ook heeft Air Energi geen pogingen ondernomen om de vermeende verstoring in de arbeidsrelatie op te lossen, bijvoorbeeld door het beproeven van mediation.

4.4

Wat betreft de herplaatsingsplicht heeft Air Energi, na het vonnis in kort geding – waarin werd geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd – en ook na afwijzing van de ontslagaanvraag door het UWV, nauwelijks de moeite genomen om [verweerder] – hoewel hij zich nadrukkelijk beschikbaar heeft gesteld om te werken, in welke hoedanigheid dan ook, en concrete posities aanwees uit de vacaturelijst van Air Energi – aan het werk te krijgen, dan wel scholing te laten volgen om meer kans te krijgen op plaatsing in een andere functie. De enige inspanning die Air Energi in het kader van de herplaatsingsplicht zou hebben verricht, is het houden van een gesprek op 27 juni 2017, waarin geïnventariseerd is wat de eventuele andere mogelijkheden zouden zijn. Dat vervolgens een concrete poging is ondernomen om [verweerder] te herplaatsen, is vanwege het feit dat Air Energi op 3 juli 2017 een ontbindingsverzoek heeft ingediend, niet gebleken.

4.5

Voor zover de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] binnen 24 uur na afgifte van deze beschikking, toegelaten te worden tot de overeengekomen werkzaamheden dan wel passende werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag of per deel van een dag dat Air Energi in gebreke blijft de beschikking te voldoen.

4.6

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] (subsidiair) om toekenning van de transitievergoeding van € 12.684,- en een billijke vergoeding van twee bruto jaarsalarissen.

4.7

Daarnaast heeft [verweerder] een aantal aanvullende tegenverzoeken ingediend, waarbij hij – kort gezegd – verzoekt tot betaling van achterstallige vakantietoeslag, uitbetaling van vakantiedagen en nationale feestdagen, uitbetaling van loon over een aantal ziektedagen, het vergoeden van zijn ziektekostenverzekering over de periode vanaf oktober tot heden en het vergoeden van zijn advocaatkosten.

5 De beoordeling

ontbinding van de arbeidsovereenkomst

5.1

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. In onderhavige zaak gaat het om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op de a-grond, dan wel de g-grond.

5.2

Voorop gesteld wordt dat tussen partijen vaststaat dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met een opzegverbod.

a-grond

5.3

Air Energi is ontvankelijk in het op artikel 7:669 lid 3 sub a BW gegronde ontbindingsverzoek, nu de in artikel 7:671a BW vereiste toestemming van het UWV is geweigerd.

5.4

Het verzoek is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming door het UWV is geweigerd en is daarmee tijdig ingediend.

5.5

Uit de wetsgeschiedenis (zie: Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 31) volgt dat in een procedure als de onderhavige de kantonrechter bij zijn beoordeling dient te toetsen aan dezelfde (wettelijke) criteria als die voor het UWV gelden. Deze (wettelijke) criteria zijn vervat in de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015, 12685) tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding (hierna: de Ontslagregeling) en laatstelijk gewijzigd op 1 juli 2016 (Stcrt. 2016, 34013). Op grond van de Ontslagregeling dient een werkgever aannemelijk te maken dat er structureel arbeidsplaatsen vervallen door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsuitvoering. Tevens dient voldaan te zijn aan het afspiegelingsbeginsel en, tot slot, dient er geen mogelijkheid te zijn om de werknemer binnen een redelijke termijn (al dan niet met behulp van scholing) te herplaatsen in een andere passende functie binnen de onderneming of andere ondernemingen binnen de groep, indien de onderneming van de werkgever deel uitmaakt van een groep.

5.6

Air Energi voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het vervallen van de arbeidsplaats van [verweerder] op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. De kantonrechter is echter van oordeel dat de door de Air Energi in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding opleveren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Daartoe wordt overwogen als volgt.

5.7

Voorop gesteld moet worden dat het in beginsel aan de (beleids)vrijheid van een ondernemer wordt gelaten om te bepalen op welke wijze en waar in de onderneming zal worden ingegrepen.

5.8

De kantonrechter is allereerst met UWV van mening dat Air Energi voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opdracht bij Total is komen te vervallen en, vanwege de beloning van [verweerder] die thans niet wordt bekostigd door klanten, Air Energi maatregelen wenst te treffen in de personele sfeer.

5.9

Waar het verzoek echter – ook in onderhavige procedure – reeds op strandt, is de vraag of het afspiegelingsbeginsel juist is toegepast en of in onderhavig geval sprake is van een unieke functie.

Air Energi meent dat het in onderhavig geval gaat om een unieke functie en het afspiegelingsbeginsel om die reden niet van toepassing is. De uniekheid van de functie zou onder meer blijken uit het feit dat Air Energi geen vacatures zoekt voor haar werknemers, maar werknemers zoekt ter vervulling van vacatures bij haar klanten. Of echter sprake is van onderlinge uitwisselbaarheid van functies, dan wel sprake is van een unieke functie, moet op basis van objectieve criteria worden vastgesteld. In artikel 13 van de Ontslagregeling is bepaald wat verstaan wordt onder uitwisselbare functies. Dit artikel bepaalt dat functies uitwisselbaar zijn indien de functies (1) naar functie-inhoud, (2) vereiste kennis, (3) vaardigheden en competenties, en (4) de tijdelijke of structurele aard vergelijkbaar en naar (5) niveau en (6) beloning gelijkwaardig zijn. Vervolgens is onder het tweede lid van artikel 13 bepaald dat de zes factoren, zoals hiervoor genoemd, in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

Air Energi slaagt er – anders dan in de procedure bij UWV – echter slechts ten dele in om aannemelijk te maken dat sprake is van een unieke functie. Ter onderbouwing van de stelling dat het om een unieke functie zou gaan, heeft Air Energi een lijst (productie 4) overgelegd waarop te zien is welke mensen bij Air Energi werkzaam zijn en onder welke contractsvorm (als werknemer, dan wel als ZZP’er) dat gebeurt. Ook is vermeld wat de functiebenaming, start- en einddatum, en de werklocatie is. Tot slot is een kolom opgenomen waarin “extra informatie” is beschreven en waarin bijvoorbeeld is te zien dat een bepaalde werknemer een aantal jaren werkervaring heeft voordat de werknemer bij de klant geplaatst werd.

Wat echter ontbreekt – en van evident belang is om vast te stellen of sprake is van een unieke functie – is een functiebeschrijving of een omschrijving van de feitelijke werksituatie, en voorts welke beloning hoort bij een bepaalde functie. Air Energi blijft daarbij in zijn motivering vallen in algemeenheden en merkt slechts op dat de functie van [verweerder] niet uitwisselbaar is met andere functies vanwege de vereiste kennis, ervaring, opleiding en het salaris. Air Energi verzuimt daarbij expliciet te vermelden welke kennis, ervaring, opleiding voor andere functies vereist zijn en tegen welke beloning dat gebeurt. Aldus is onvoldoende, althans slechts ten dele, vast te stellen of de functie van [verweerder] als uniek valt aan te merken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat Air Energi onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de functies bij Total, die thans door andere werknemers worden vervuld en – terecht – door [verweerder] in zijn verweerschrift naar voren worden gehaald, niet uitwisselbaar zijn.

5.10

De conclusie van het vorengaande is dat Air Energi (opnieuw) niet aannemelijk heeft gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is. Het verzoek op basis van de a-grond moet daarom worden afgewezen.

g-grond

5.11

Air Energi heeft aan het verzoek om ontbinding tevens ten grondslag gelegd dat sprake zou zijn van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding tussen [verweerder] en Air Energi, dat in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.12

Ook ten aanzien van deze ontslaggrond is de kantonrechter van oordeel dat de door de Air Energi in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding opleveren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Daartoe wordt overwogen als volgt.

5.13

De kantonrechter stelt allereerst vast dat [verweerder] zijn werkzaamheden bij Total altijd naar volle tevredenheid heeft verricht. Dat blijkt onder meer uit de verlenging van de opdracht van Total en het niet door Air Energi betwiste feit dat Total heeft geprobeerd om eind 2016 een gesprek te arrangeren tussen Air Energi en [verweerder] om de lucht te klaren.

5.14

Ook stelt de kantonrechter vast dat Air Energi nooit enige poging heeft ondernomen om de vermeende verstoring in de arbeidsverhouding te herstellen, bijvoorbeeld door het beproeven van mediation. Mocht daarnaast al sprake zijn van enige verstoring in de arbeidsrelatie, dan is die verstoring geheel te wijten aan het feit dat Air Energi zich onjuist – zo is overwogen in het (eerdere) vonnis in kort geding – op het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou zijn geëindigd. Dat tijdens en na het geschil enige frictie tussen partijen is ontstaan, is voorstelbaar, maar niet voldoende om een onherstelbare verstoring in de arbeidsverhouding aan te nemen. Van het feit dat Air Energi na het vonnis in kort geding al het mogelijke heeft gedaan om tot een oplossing te komen en dat [verweerder] zich daarbij oncoöperatief en weigerachtig heeft opgesteld, is daarnaast onvoldoende gebleken. Sterker nog, [verweerder] wilde niets liever dan zijn (voormalige) werkzaamheden of vergelijkbare werkzaamheden hervatten en stelt zich ten opzichte van passende functies elders flexibel op. Dat hij daarbij vasthoudt aan zijn overeengekomen salaris en prefereert om in Nederland te blijven, is op zichzelf niet onredelijk te noemen.

5.15

Tot slot valt het gesprek op 27 juni 2017, dat ongeveer een uur heeft geduurd en waarvan [verweerder] een transcriptie heeft overgelegd, niet te rijmen met een verstoring in de arbeidsverhouding. Daarin is immers met geen woord gerept over enige onherstelbare verstoring in de arbeidsverhouding en is slechts bekeken welke andere mogelijkheden op dit moment bestaan om [verweerder] terug aan het werk te krijgen.

5.16

Gelet op het vorengaande wordt het verzoek de arbeidsovereenkomst op basis van de g-grond te ontbinden, afgewezen.

5.17

Nu een redelijke grond ontbreekt, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW, is de conclusie dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden. De vraag of herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, zal daarbij onbeantwoord blijven. Ook het in dit kader gedane (voorwaardelijke) tegenverzoek tot toekenning van een transitievergoeding en billijke vergoeding behoeft geen behandeling meer.

tegenverzoeken

5.18

[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht Air Energi te veroordelen tot wedertewerkstelling van [verweerder] in zijn overeengekomen dan wel passende werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag of dagdeel dat Air Energi in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen.

5.19

Air Energi heeft met betrekking tot dit tegenverzoek verweer gevoerd en gesteld dat een terugkeer in de overeengekomen werkzaamheden bij Total inmiddels uitgesloten is omdat de opdracht geëindigd is. Ook een passende functie zou niet voorhanden zijn. Wat betreft de overeengekomen werkzaamheden bij Total, is voldoende aannemelijk gemaakt dat die inmiddels (vooralsnog) vervallen zijn, nu de opdracht geëindigd is. De kantonrechter is echter van mening dat een hervatting in passende werkzaamheden – anders dan Air Energi meent – wel mogelijk is, althans dat Air Energi onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zulks niet mogelijk is. Juist ook vanwege het feit dat het tot de ‘core business’ van Air Energi behoort om te zoeken naar kandidaten voor opdrachten van haar klanten en dat [verweerder] zich dienaangaande flexibel en meedenkend opstelt, bestaat er naar de mening van de kantonrechter perspectief op een passende functie.

5.20

Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen en de kantonrechter een passende functie niet uitgesloten ziet, is er voldoende grond voor toewijzing van de gevraagde wedertewerkstelling, doch niet eerder dan vier weken na deze beschikking. Omdat een passende functie niet direct gevonden zal zijn, mag verwacht worden dat Air Energi (nog eenmaal) wat meer tijd nodig heeft [verweerder] te plaatsen in een passende functie elders.

5.21

Van beide partijen mag daarbij verwacht worden dat zij zich zullen inspannen om tot herstel en continuering van de arbeidsrelatie te komen en dat zij zich daartoe open, constructief en flexibel jegens elkaar zullen opstellen.

5.22

Voor het opleggen van een dwangsom ziet de kantonrechter (vooralsnog) geen reden.

proces- en advocaatkosten

5.23

De proceskosten van [verweerder] komen voor rekening van Air Energi, omdat zij ongelijk krijgt. Voor wat betreft de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten ziet de kantonrechter in onderhavige zaak geen bijzondere aanknopingspunten – zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan de zijde van Air Energi – om af te wijken van de hoofdregel dat alleen het salaris conform het liquidatietarief wordt gehanteerd.

nevenverzoeken

5.24

[verweerder] heeft, tot slot, een aantal nevenverzoeken geformuleerd. Deze nevenverzoeken hebben betrekking op de vraag of sprake is van een ‘all-in loon’, [verweerder] recht heeft op een vergoeding van zijn ziektekostenverzekering vanaf oktober tot en met heden en [verweerder] recht heeft op loon over een aantal ziektedagen. Hiertegen is door Air Energi verweer gevoerd.

5.25

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het in onderhavige zaak echter niet om (neven)vorderingen die in voldoende mate met het einde van het dienstverband verband houden, zoals bepaald in artikel 7:686a, derde lid BW. De kantonrechter zal derhalve splitsing en spoorwisseling gelasten conform artikel 7:686a, tiende lid BW in verbinding met artikel 69 Rv. Hoewel de zaak formeel op zitting is geweest, en de nevenverzoeken eerder zijn behandeld in kort geding, acht de kantonrechter het in dit geval opportuun een nadere schriftelijke ronde toe te staan. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter

Ten aanzien van de hoofdverzoeken:

6.1

wijst de verzochte ontbinding af;

6.2

veroordeelt Air Energi tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 517,- te weten:

  • -

    griffierecht € 117,-

  • -

    salaris gemachtigde € 400,-;

6.3

veroordeelt Air Energi om [verweerder] binnen vier weken na afgifte van deze beschikking in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten in een passende functie;

6.4

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5

wijst – voor zover nodig – het meer of anders gevorderde af.

Ten aanzien van de nevenverzoeken:

6.6

beveelt dat de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

6.7

verwijst de zaak naar de rol van 12 oktober 2017 om 10.00 uur onder rolnummer 6274187 RL EXPL 17-21653 voor conclusie van antwoord zijdens Air Energi;

6.8

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. ten Cate, kantonrechter en op 7 september 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter