Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12911

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
5963109 RL EXP 17-11118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde maakt verboden onderscheid op grond van leeftijd door de ex-werknemers ingevolge de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening toegekende wachtgelduitkering te beëindigen wegens het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1353

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB

Rolnr.: 5963109 RL EXP 17-11118

26 september 2017

[jw.sys.1.rolnummer]

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [werknemer 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [werknemer 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3 [werknemer 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

4 [werknemer 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. L.V. Sloot (Clingendael Advocaten)


tegen

de publieke rechtspersoon (Zelfstandig Bestuursorgaan) Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers,

gevestigd en kantoorhoudend te Rijswijk,

gedaagde partij,

gemachtigde: mevr. mr. J.T. Terpstra (USG Legal).

Partijen worden aangeduid als “de werknemers” en “COA”.

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 27 april 2017, met 10 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 5 juli 2017;

  • -

    de door mr. Sloot overgelegde pleitaantekeningen.

1.2

Op 29 augustus 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarbij zijn [werknemer 1] , [werknemer 3] en [werknemer 4] in persoon verschenen, samen met hun gemachtigde en is namens COA verschenen mevrouw [P] , samen met de gemachtigde van COA. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de werknemers pleitnotities overgelegd. Van het verhandelde ter comparitie van partijen zijn door de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Een schikking is niet bereikt.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De werknemers zijn allen ex-werknemers van COA (of een gelieerde vennootschap), van wie tussen 2004 en 2011 het dienstverband met COA is beëindigd wegens een reorganisatie.

2.2

De werknemers hebben vanwege de beëindiging van hun dienstverband een wachtgeld toegekend op grond van de (toenmalige) CAO Welzijn &Maatschappelijke Dienstverlening, meer precies het wachtgeld conform ‘Uitvoeringsregeling L Wachtgeld’.

2.3

De artikelen 4.3 en 9.1 van de Uitvoeringsregeling luiden, voor zover relevant, achtereenvolgens:

Artikel 4

1. De duur van het wachtgeld bedraagt drie maanden. Voor de rechthebbende die op de dag van het ontslag nog geen 21 jaar oud is, wordt daar een duur van 18% van zijn diensttijd bij opgeteld, voor de rechthebbende die op de dag van ontslag 21 jaar oud is een duur gelijk aan 19,5% van zijn diensttijd, en zo per leeftijdsjaar opklimmend met 1,5% tot aan de rechthebbende die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is. Voor laatstgenoemde bedraagt de vermeerdering 78%.

De rechthebbende die op de datum van ontslag jonger is dan 50 jaar krijgt maximaal gedurende 4 jaar wachtgeld.

(…)

3 De duur van het wachtgeld van de rechthebbende die op het tijdstip van zijn ontslag minstens 50 jaar oud was en een diensttijd van minstens 10 jaar had volbracht, wordt na afloop van de berekende wachtgeldtermijn verlengd tot de dag waarop hij 65 jaar wordt.

(…)

Artikel 9

1 1 Het recht op wachtgeld eindigt:

a met ingang van de eerste dag van de maand waarin de rechthebbende 65 jaar wordt;

b (…)

3 De vordering

3.1

De werknemers vorderen, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, (1.) te verklaren voor recht dat de bepalingen aangehaald in paragraaf 20 en 21 van de dagvaarding (de artikelen 4.3 en 9.1 sub a Uitvoeringsregeling L) in strijd zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL) en derhalve nietig, (2.) COA te veroordelen het aan de werknemers toegekende Wachtgeld uit te blijven keren of te doen uitkeren tot de momenten waarop de werknemers de AOW-gerechtigde leeftijd zullen bereiken, (3.) COA te veroordelen in de werkelijke kosten van rechtshulp, tot op heden begroot op € 6.000,-- inclusief BTW, (4.) COA te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder salaris gemachtigde.

3.2

Aan deze vordering leggen de werknemers – samengevat – ten grondslag dat, zodra de rechthebbende 65 jaar wordt en het wachtgeld beëindigd wordt, sprake is van een verboden onderscheid op grond van leeftijd, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Artikelen 4.3 en 9.1 sub a Uitvoeringsregeling L zijn daardoor in strijd met artikel 13 in verbinding met artikel 3 van de WGBL en derhalve nietig.

4 Het verweer

4.1

COA voert gemotiveerd verweer. Voor zover relevant, zal het verweer hierna besproken worden.

5 De beoordeling

5.1

In deze procedure gaat het in feite om het volgende. De werknemers zijn allen geruime tijd geleden uit dienst van COA gegaan en maken sindsdien gebruik van de wachtgeldregeling van het Uitvoeringsbesluit, die hen een financiële overbrugging geeft tot het moment dat zij gebruik kunnen maken van een AOW-uitkering. Ten tijde van hun ontslag was de AOW-leeftijd 65 jaar. Sindsdien wordt de AOW-leeftijd in stappen verhoogd tot (thans) 67 jaar. Niettemin bepaalt artikel 9.1 van de Uitvoeringsregeling dat de wachtgeldregeling eindigt met ingang van de eerste maand waarin de rechthebbende 65 jaar wordt. Deze bepaling is niet in verband met de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd aangepast. Voor werknemers, die op grond van artikel 4 van de Uitvoeringsregeling een maximale wachtgeldduur hebben, die zich uitstrekt tot een datum na de dag waarop zij 65 jaar worden, houdt dit in dat zij geen gebruik kunnen maken van hun maximale wachtgeldduur en derhalve een financieel ‘gat’ hebben, omdat zij tussen de dag waarop zij 65 jaar worden en de dag waarop zij AOW zullen gaan ontvangen geen wachtgeld meer ontvangen.

5.2

De in deze procedure te beantwoorden vraag is, of dit gegeven een ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie oplevert, die op grond van artikel 13 in combinatie met artikel 3 WGBL nietig is.

5.3

Uit artikel 4 van de Uitvoeringsregeling vloeit voort dat er drie categorieën rechthebbenden op wachtgeld met een verlengde wachtgeldduur kunnen zijn, namelijk:

1. Een categorie werknemers, die op de datum van ontslag jonger dan 50 jaar waren. Zij krijgen maximaal 4 jaar wachtgeld;

2. Een categorie werknemers, die bij ontslag 50 jaar oud waren, maar minder dan 10 jaar in dienst. Voor hen eindigt het wachtgeld na het verstrijken van de op hen van toepassing zijnde termijn, maar op grond van artikel 9 niet later dan de maand waarin zij 65 jaar worden; en

3. Een categorie werknemers, die bij ontslag 50 jaar oud waren, en langer dan 10 jaar in dienst. Voor hen eindigt het wachtgeld niet na het verstrijken van de op hen van toepassing zijnde termijn, maar wordt deze verlengd tot de maand, waarin zij 65 jaar worden.

5.4

Voor de beantwoording van het voorliggende geschil zijn de rechthebbende in categorie 1. niet relevant. Zij hebben immers geen nadeel van het feit dat zij op het moment dat zij 65 jaar worden geen wachtgeld meer ontvangen. Voor hen vloeit dat voort uit het feit dat hun wachtgeld zich nooit uitstrekt tot na de dag, waarop zij 54 jaar worden.

5.5

Voor de rechthebbenden in categorieën 2. en 3. kan de dag waarop zij 65 jaar worden, wel relevant zijn. Voor rechthebbenden in categorie 2 is de leeftijd van 65 jaar relevant, indien hun maximale wachtgeldtermijn nog niet verstreken was op de dag waarop zij 65 jaar worden, en, zoals thans het geval is, tijdens de duur van de regeling de AOW-leeftijd verhoogd wordt. Zij kunnen geen gebruik maken van hun maximale wachtgeldtermijn, alleen vanwege het feit dat zij 65 jaar worden. Voor rechthebbenden in categorie 3 is de leeftijd van 65 jaar relevant, indien, zoals thans het geval is, tijdens de duur van de regeling de AOW-leeftijd verhoogd wordt. Zij hebben weliswaar reeds hun maximale wachtgeldtermijn geconsumeerd, maar hebben niettemin een financieel nadeel in de zin van een ‘gat’ tussen de maand waarin zij 65 jaar oud worden en de maand, waarna zij een AOW-uitkering zullen ontvangen.

5.6

Ondanks dat de leeftijd van 65 jaar voor beide categorieën relevant is, zijn beide categorieën niet met elkaar vergelijkbaar. Rechthebbenden in categorie 2 hebben een zuiver nadeel bij verhoging van de AOW-leeftijd, want op grond van artikel 9 van de regeling eindigt het wachtgeld bij 65 jaar en voor hen ontstaat dus een gat voor de periode tussen de maand, waarin zij 65 jaar worden en de maand waarna zij een AOW-uitkering gaan ontvangen. Rechthebbenden in categorie 3 hebben een relatief nadeel, want hun maximale wachtgeldperiode was reeds verstreken. Zij hebben dus reeds meer gekregen dan rechthebbenden in categorie 2. Echter, ook voor hen ontstaat er een gat voor de periode tussen de maand, waarin zij 65 jaar worden en de maand, waarna zij een AOW-uitkering gaan ontvangen.

5.7

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van leeftijdsdiscriminatie is van belang dat er enerzijds een groep is, die geen negatieve gevolgen ondervindt in een bepaalde situatie en anderzijds een (andere) groep, die in een vergelijkbare situatie wel negatieve gevolgen ondervindt, uitsluitend doordat voor hen een bepaalde leeftijd of leeftijdsgrens geldt. In die zin zijn de categorieën 2. en 3. niet met elkaar vergelijkbaar.

5.8

Het voorgaande neemt echter niet weg dat binnen categorieën 2. en 3. wel sprake is van discriminatie, namelijk tussen de groep rechthebbenden, die volledig gebruik hebben kunnen maken van de maximale wachtgeldduur en inmiddels ‘naadloos’ zijn overgegaan van de wachtgeldregeling in een AOW-uitkering en de groep rechthebbenden, die nog niet hun maximale wachtgeldduur hebben verbruikt en thans aanlopen tegen een ‘gat’ tussen het einde van de wachtgeldregeling en het begin van hun AOW-uitkering. De enige bepalende factor hierbij is de leeftijdsgrens van 65 jaar en in de situatie, waarbij de AOW-leeftijd gelijkelijk wordt verhoogd, levert dat een onderscheid naar leeftijd op.

5.9

Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, bezien in samenhang met artikel 3, aanhef en onder d en e, van de WGBL is een dergelijk onderscheid verboden, met dien verstande dat dit onderscheid ingevolge artikel 7, eerste lid, van de WGBL in een aantal gevallen objectief gerechtvaardigd is te achten en het verbod dan niet geldt. Of sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Als aan deze voorwaarden is voldaan, levert het onderscheid op grond van leeftijd geen strijd op met de WGBL.

5.10

De kantonrechter is van oordeel dat voor het door COA gemaakte onderscheid op grond van leeftijd geen rechtvaardiging bestaat. De stelling van COA dat sprake is van een legitiem doel, vanwege de eerlijke verdeling van de beschikbare middelen, volgt de kantonrechter niet. In de eerste plaats is de stelling niet voldoende onderbouwd. Niet is komen vaststaan waarom de leeftijdsgrens van 65 jaar noodzakelijk is en tegen welke problemen COA aanloopt, indien de leeftijdsgrens van 65 jaar niet wordt gehanteerd. Daarnaast is het doel ook niet expliciet benoemd in de Uitvoeringsregeling en is niet uiteengezet waarom de leeftijdsgrens van 65 jaar noodzakelijk is.

5.11

De kantonrechter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat sprake is van een verboden onderscheid, dat ongedaan moet worden gemaakt. In die zin zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen, met dien verstande dat deze verklaring zich zal beperken tot de enige clausule in de Uitvoeringsregeling, die in strijd is met de WGBL en dat is artikel 9 lid 1 sub a. Daarnaast zal COA worden veroordeeld om het wachtgeld te blijven uitkeren tot de momenten, waarop de medewerkers de AOW-gerechtigde leeftijd zullen bereiken.

5.12

De vordering van de werknemers om COA te veroordelen in de werkelijke kosten van rechtshulp van de werknemers zal evenwel worden afgewezen. Enerzijds hebben de werknemers weliswaar aangegeven verschillende malen COA te hebben aangeschreven, zonder een tijdige reactie van de zijde van het COA, maar anderzijds heeft het COA aangegeven dat overleg en dus tijd nodig was om de problematiek uit te zoeken en overleg te voeren met sociale partners. Wellicht had COA in voorkomende gevallen wat sneller kunnen reageren, maar gelet op de benodigde tijd voor overleg was het dan gebleven bij mededelingen dat nog geen concrete reactie kon worden gegeven. Onder deze omstandigheden is van een verwijtbaar handelen van COA geen sprake en is er dus, buiten de forfaitaire veroordeling in de proceskosten, voor een verdergaande veroordeling in de proceskosten geen ruimte.

5.13

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal COA worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de medewerkers, begroot op € 820,31 (waarvan € 223,- aan griffierecht, € 500,- aan salaris gemachtigde en € 97,31 aan explootkosten).

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat artikel 9.1 sub a Uitvoeringsregeling L in strijd is met WGBL en derhalve nietig;

- veroordeelt COA het aan de werknemers toekomende wachtgeld te blijven uitkeren of te doen uitkeren tot de momenten, waarop de werknemers de AOW-gerechtigde leeftijd zullen bereiken;

- veroordeelt COA in de kosten van de procedure aan de zijde van de werknemers, tot op heden begroot op € 820,31;

- verklaart dit vonnis wat betreft de doorbetalingsverplichting van het wachtgeld en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.