Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
C/09/520447 / FT RK 16/2286
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om eerst te beslissen op de door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw en pas nadat een (eventuele) hoger beroepstermijn is verstreken, te beslissen op het verzoek tot toepassing van

de schuldsaneringsregeling. Ten aanzien van dat verzoek overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966 bepaald dat ‘ingevolge artikel 292 lid 2 Fw tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling noch door schuldeisers noch door andere belanghebbende verzet, hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis moet art. 292 lid 2 Fw aldus worden begrepen dat deze bepaling eveneens eraan in de weg staat dat de schuldenaar in het zich hier voordoende geval een rechtsmiddel aanwendt tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. De vraag of hoger beroep mogelijk is tegen de afwijzing van een dwangakkoord na toewijzing van de schuldsaneringsregeling is een vraag die niet de rechtbank, maar het gerechtshof zal moeten beantwoorden. Voorts overweegt de rechtbank dat het dwangakkoordverzoek naar zijn aard annex is aan het WSNP-verzoek. Hoewel de toets een andere is en elk verzoek op de eigen merites moet worden beoordeeld, kan het dwangakkoordverzoek niet zonder het wsnp-verzoek bestaan. Ook dat is een reden om niet op twee verschillende momenten te beslissen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Faillissementswet 292
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/520447 / FT RK 16/2286

vonnis van 2 februari 2017


in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

tegen

[verweerster sub 1]

vertegenwoordigd door Van Arkel Gerechtsdeurwaarders en Incasso

wonende te Maasdijk

en

[verweerster sub 2]

vertegenwoordigd door Credifin

gevestigd te Hoek van Holland

en

[verweerster sub 3]

wonende te Voorhout

Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid als verweersters, maar afzonderlijk van elkaar als ‘verweerster sub 1’, ‘verweerster sub 2’ en ‘verweerster sub 3’.

1 De procedure

1.1

Op 20 oktober 2016 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 januari 2017. Verzoeker en verweerster sub 1, vertegenwoordigd door [X], zijn bij gelegenheid verschenen en gehoord. Verweerster sub 2 en verweerster sub 3 zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting.

1.3

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Verzoeker heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 184.278,41 aan 32 schuldeisers.

2.2

De vordering van verweerster sub 1 op verzoeker bedraagt € 23.700,99, zijnde 13,52% van de totale schuldenlast. De vordering van verweerster sub 2 op verzoeker bedraagt
€ 656,85, zijnde 0,37% van de totale schuldenlast. De vordering van verweerster sub 3 op verzoeker bedraagt € 12.928,00, zijnde 7,38% van de totale schuldenlast.

2.3

Namens verzoeker is bij brief van 23 december 2014 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 15,94% en 31,88%. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker een maandelijks inkomen heeft van € 1.783,17 exclusief vakantiegeld en dat voor verzoeker een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.043,71 exclusief vakantiegeld, zodat onder de huidige omstandigheden maandelijks een bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is van € 739,46. Daarnaast is voor betaling aan schuldeisers in totaal beschikbaar € 2.127,96 van het vakantiegeld van verzoeker. In totaal kan in de schuldsanering naar schatting € 21.351,63 worden gespaard.

2.4

De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoeker stelt dat verweerders in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.

3.2

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om eerst te beslissen op de door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw en pas nadat een (eventuele) hoger beroepstermijn is verstreken, te beslissen op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.2

Verweerster sub 3 heeft per e-mailbericht van 23 februari 2016 bericht niet akkoord te gaan omdat de vordering loon en een persoonlijke lening is. Verweerster sub 2 stelt, bij e-mailbericht van 13 juli 2016, dat verzoeker niet te goeder trouw heeft gehandeld en weigert daarom instemming. Verweerster sub 1 heeft aan zijn weigering ten grondslag gelegd dat de hoogte van de vordering onjuist is; deze zou naar beneden moeten worden bijgesteld. Daarnaast zou verzoeker niet te goeder trouw hebben gehandeld ten aanzien van het laten ontstaan van de vordering. Het toewijzen van het dwangakkoord zou bovendien onredelijk zijn, aldus verweerster sub 1, omdat het aangeboden percentage in geen verhouding zou staan tot zijn vordering op verzoeker. Verweerster sub 1 heeft ter zitting verklaard dat hij beslag heeft gelegd op het loon van verzoeker en dat via dit loonbeslag tot op heden wordt afgelost op de vordering van verweerster sub 1 op verzoeker. Dat laatste is door verzoeker erkend.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerders in

redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Zij wijst het verzoek toe indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoeker dat door de weigering wordt geschaad.

4.2

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat

100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden

regeling voorziet in een lagere uitkering dan volledige voldoening van de vordering, staat in beginsel het belang van de schuldeisers vast.

4.3

Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw. zullen onder meer de volgende

omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.):

is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

- is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de

schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of

meer zal ontvangen;

- wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige

nakoming;

- hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

- staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling

instemmende schuldeiser.

4.4

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerster sub 3 en verweerster sub 2 hun standpunten niet dan wel onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

4.6

Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van verweerster sub 1 om te weigeren in te stemmen met de aangeboden regeling gelegen in het door hem gelegde loonbeslag. Verweerster sub 1 heeft, doordat hij succesvol loonbeslag heeft weten te leggen, vooralsnog geen reden aan te nemen dat zijn vordering niet geheel zal kunnen worden voldaan uit dit loonbeslag of dat hij minder zou krijgen dan hem nu wordt aangeboden. Verweerster sub 1 heeft daarom in redelijkheid kunnen komen tot weigering.

4.7

Daar komt bij dat de vorderingen van verweerders tezamen 21,27% vertegenwoordigen van de totale schuldenlast. Zij vertegenwoordigen daarmee een substantieel deel van de schuldenlast en hebben daarom een substantieel belang bij de beslissing over de schuldsaneringsregeling. Dat maakt dat de rechtbank oordeelt dat niet voorbij kan worden gegaan aan de weigering van verweersters tot het aangaan van een minnelijke regeling, zodat het verzoek om verweerster sub 1, verweerster sub 2 en verweerster
sub 3 te bevelen hun medewerking te verlenen aan een minnelijke regeling zal worden afgewezen.

4.8

Ten aanzien van het verzoek van verzoeker om eerst te beslissen op de door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw, en de beslissing op het WSNP-verzoek aan te houden overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966 bepaald dat ‘ingevolge artikel 292 lid 2 Fw tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling noch door schuldeisers noch door andere belanghebbende verzet, hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis moet art. 292 lid 2 Fw aldus worden begrepen dat deze bepaling eveneens eraan in de weg staat dat de schuldenaar in het zich hier voordoende geval een rechtsmiddel aanwendt tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Is een schuldenaar eenmaal toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, dan dient deze in de visie van de wetgever voortvarend van start te gaan, zonder verder oponthoud door een beroep dat (door een schuldeiser) zou kunnen worden ingesteld tegen toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dan wel door een beroep dat (door de schuldenaar) zou kunnen worden ingesteld tegen afwijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Wat dit laatste betreft, beoogde de wetgever te voorkomen dat een afzonderlijk beroep tegen afwijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling het mogelijk zou maken 'tot en met de Hoge Raad door te procederen over een gedwongen schuldregeling, om na afwijzing daarvan pas te gaan kijken of de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten’. De vraag of hoger beroep mogelijk is tegen de afwijzing van een dwangakkoord na toewijzing van de schuldsaneringsregeling is een vraag die niet de rechtbank, maar het gerechtshof zal moeten beantwoorden. Bij de vraag of een aanhouding aan de orde is, kan de rechtbank een en ander wel in de afweging betrekken.

4.9

Voorts overweegt de rechtbank dat het dwangakkoordverzoek naar zijn aard annex is aan het WSNP-verzoek. Hoewel de toets een andere is en elk verzoek op de eigen merites moet worden beoordeeld, kan het dwangakkoordverzoek niet zonder het wsnp-verzoek bestaan. Ook dat is een reden om niet op twee verschillende momenten te beslissen. Een beslissing op een wsnp-verzoek op een later moment – of na hoger beroep op een veel later moment – brengt ook de complicatie met zich dat onduidelijk is of de situatie, die voor een groot deel ex nunc (naar het nu) wordt beoordeeld, niet gewijzigd is. Dat zou in sommige vallen mogelijk zelfs tot heropening van de behandeling van het wsnp-verzoek nopen. Al om proceseconomische redenen is dat niet gewenst.

4.10

Het verzoek om aanhouding wordt afgewezen.

4.11

Een oplossing voor de situatie waarin verzoeker lijkt te vrezen te komen – dat hij een kans krijgt in de wettelijke regeling in plaats van in de minnelijke regeling zijn schuldenprobleem op te lossen – kan omzeild worden door het wsnp-verzoek in te trekken onder de opschortende voorwaarde van afwijzing van het dwangakkoord. Of hij met enkel een afgewezen dwangakkoord zal worden ontvangen in hoger beroep, is aan het gerechtshof. De rechtbank onderkent dat hij het risico loopt dat verzoeker, na een voorwaardelijke intrekking en als het hoger beroep ook niet tot een dwangakkoord leidt, opnieuw een wsnp-verzoek in moet dienen. Dat risico zal hij voor lief moeten nemen. Het systeem van dwangakkoord en wsnp-verzoek is niet gericht op vrijblijvendheid, maar op bewuste keuzes van schuldenaren die zich optimaal willen inspannen om schuldenvrij te worden.

4.12

Een voorwaardelijke intrekking is niet gedaan, zodat er na afwijzing van het dwang-akkoordverzoek nog altijd een wsnp-verzoek ter beslissing voorligt. Op dat toelatingsverzoek zal heden afzonderlijk vonnis worden gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven.

Gewezen door mr. G.H.M. Smelt, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2017 in tegenwoordigheid van mr. F.M. Verburg, griffier.

Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Faillissementswet).