Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
NL17.4733
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3409, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag, Belarus, LHBT, nieuwe wetgeving, verslechtering situatie, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4733


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2017 in de zaak tussen

[naam], eiseres

(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker).

Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.4734, plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.M. Faes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Belarussische nationaliteit. Op 11 september 2013 heeft zij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 22 mei 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiseres lesbisch is, maar zich op het standpunt gesteld dat haar asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen, dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar het land van herkomst. Bij uitspraak van 20 september 2014 (AWB 14/13948) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiseres daartegen ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 28 september 2015 (201410225/1/V2) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

  2. Op 28 april 2017 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. Met de publicatie van het Besluit van verweerder van 26 oktober 2015, nummer WBV 2015/16, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder het beleid voor LHBT’s afkomstig uit de Russische Federatie gewijzigd, in die zin dat zij voortaan als risicogroep worden aangemerkt. Eiseres stelt dat de situatie van LHBT’s in Belarus is verslechterd en vergelijkbaar is met de situatie in Rusland, zodat LHBT’s uit Belarus ook als risicogroep dienen te worden aangemerkt, althans dienen te worden behandeld als behorend tot een risicogroep. Het thematisch ambtsbericht over politieke oppositie, homoseksuelen en dienstplichtigen in Wit-Rusland van het ministerie van Buitenlandse Zaken van september 2012 (het ambtsbericht) is sindsdien niet meer geactualiseerd. Eiseres heeft een brief met bijlagen van Vluchtelingenwerk Nederland van 16 december 2016 overgelegd, waaruit onder meer blijkt dat in Belarus op 1 juli 2017 een wet van kracht wordt die het propageren van niet-traditionele seksuele relaties tussen jongeren verbiedt, dat intimidatie en discriminatie van LHBT’s sinds 2014 is toegenomen en dat het vragen van bescherming bij politie of hogere autoriteiten geen enkele zin heeft. Voornoemde ontwikkelingen zijn vergelijkbaar met de ontwikkelingen in Rusland die in 2015 aanleiding hebben gegeven om LHBT’s afkomstig uit Rusland als risicogroep aan te merken. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat van haar niet verwacht mag worden dat zij bij terugkeer naar Belarus haar seksuele gerichtheid verborgen houdt om problemen te voorkomen.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij tot op heden geen aanleiding heeft gezien om het beleid ten aanzien van LHBT’s uit Belarus te wijzigen. De wetswijziging die in Belarus is ingevoerd op 1 juli 2017, is niet te vergelijken met de wetswijziging in Rusland waarbij het propageren van niet-traditionele seksuele relaties onder minderjarigen strafbaar is gesteld. Dit is een wezenlijk verschil met de wetswijziging in Belarus, waar geen strafbepalingen in staan. Verder kan niet op voorhand gesproken worden van een toename van discriminatie en geweld tegen LHBT’s, nu de gevolgen van de wetswijziging nog niet inzichtelijk zijn. De door eiseres overgelegde informatie wijkt niet af van de informatie die verweerder reeds voorhanden heeft. Verwezen wordt naar het ambtsbericht van september 2012. Voor een actualisering van dit ambtsbericht bestaat tot op heden geen aanleiding, nu niet is gebleken dat de situatie voor LHBT’s in Belarus significant is verslechterd. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het enkele feit dat eiseres zich in Belarus niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland, op zichzelf onvoldoende aanleiding vormt om eiseres in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in Belarus daadwerkelijk te vrezen heeft voor vervolging. Daarbij acht verweerder van belang dat homoseksualiteit in Belarus niet verboden is, er geen wetgeving is die de rechten van homoseksuelen beperkt en er geen sprake is van een actief opsporings- en vervolgingsbeleid. Verweerder verwijst daarbij opnieuw naar het ambtsbericht van september 2012, alsmede naar de uitspraak van deze rechtbank in de eerste procedure van eiseres. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een groter risico loopt om gediscrimineerd of mishandeld te worden dan ten tijde van haar eerste aanvraag.

4. Eiseres heeft in beroep betoogd dat gelet op de door haar ingebrachte informatie wel degelijk gesproken kan worden van een zodanige verslechtering van de situatie voor LHBT’s dat een beleidswijziging in de door haar bepleite zin geïndiceerd is. Dat de nieuwe wetgeving in Belarus, anders dan de Russische wet, geen strafbepalingen bevat is volgens eiseres een verschil van ondergeschikte aard. Uit het algemeen ambtsbericht inzake de Russische Federatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2015 blijkt immers dat voor overtredingen van de wet in Rusland slecht incidenteel en relatief geringe geldboetes worden opgelegd. Van belang is het te verwachten effect van de wet op de situatie van LHBT’s in Belarus, zoals een verdere inperking van hun rechten en vrijheden. Uiteraard kan het feitelijke effect thans nog niet beoordeeld worden, maar duidelijk is al wel dat deze wetswijziging past binnen het algehele beeld dat de Belarussische overheid zich steeds vijandiger is gaan opstellen jegens LHBT’s. Daarnaast heeft eiseres erop gewezen dat uit de door haar overgelegde informatie blijkt dat de wetswijziging niet het enige punt van verslechtering in de situatie van LHBTI na 2012 in Belarus is. Verweerder kan derhalve niet meer uitgaan van het thematische ambtsbericht van 2012, nu dit gedateerd is. Met betrekking tot de wijze waarop eiseres bij terugkeer uiting zou willen geven aan haar gerichtheid, stelt zij dat de verwijzing van verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank in haar vorige procedure niet volstaat, nu uit de door haar ingebrachte informatie blijkt dat het openlijk uitkomen voor een lesbische gerichtheid gelet op het huidige maatschappelijke klimaat in Belarus niet mogelijk is.

5. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de strekking van de nieuwe wetgeving in Belarus anders is dan die in Rusland. Volgens de nieuwe wetgeving in Belarus moet alle informatie (waaronder ook TV-programma’s) voor kinderen worden voorzien van een ‘rating’ die aangeeft voor welke leeftijden het geschikt is. Bij de wijziging van verweerders beleid ten aanzien van LHBT’s uit Rusland was met name van belang dat de Russische autoriteiten het propageren van homoseksualiteit strafbaar hebben gesteld. Er kan dan niet meer van LHBT’s gevraagd worden om bescherming te vragen bij deze autoriteiten. In Belarus is er geen sprake van strafbepalingen, zodat LHBT’s zich in het algemeen kunnen wenden tot de autoriteiten. Er is in Belarus geen sprake van wetgeving die de rechten van LHBT’s beperkt, aldus verweerder.
De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Uit de door eiseres overgelegde informatie, onder meer het artikel ‘Spread of Russian-Style Propaganda Laws’ van Human Rights First van 11 juli 2016, blijkt dat de nieuwe wetgeving in Belarus, anders dan de wetgeving in Rusland, de term ‘homoseksualiteit’ niet expliciet vermeldt. De wet verbiedt echter het verspreiden van bepaalde categorieën informatie onder kinderen, waaronder informatie die ‘het instituut van het huwelijk in diskrediet brengt’ en ‘familie waarden ontkent’. Deze formuleringen zijn vergelijkbaar met de formuleringen die in de Russische wetgeving worden gebruikt. In meerdere door eiseres genoemde rapporten, waaronder het rapport van de speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus van 21 april 2017, wordt gesteld dat gevreesd wordt dat deze wetgeving de rechten van LHBT’s in Belarus verder zal beperken. Dat er in de Belarussische wetgeving geen strafbepalingen staan, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen stellen dat de wetgeving niet vergelijkbaar is met de Russische wetgeving. In een uitspraak van 20 juni 2017 (67667/09, Bayev e.a. t. Rusland) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) immers geoordeeld dat de Russische wetgeving, mede gelet op de dubbelzinnige formuleringen, op zichzelf een ‘predisposed bias on the part of a heterosexual majority against a homosexual minority’ inhoudt. Het EHRM concludeert dat er sprake is van een schending van artikel 10 en artikel 14 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat de strekking van de Belarussische wetgeving anders is dan die in Rusland en dat deze de rechten van LHBT’s niet beperkt.

7. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd dat uit de door eiseres overgelegde informatie niet blijkt van een verslechtering van de situatie voor LHBT’s in Belarus ten opzichte van de situatie die staat beschreven in het ambtsbericht uit 2012. Dit ambtsbericht vermeldt dat discriminatie van LHBT’s door de autoriteiten voorkomt, maar met name wanneer zij een publieke manifestatie willen organiseren. Daar krijgen zij routineus geen toestemming voor. Verder wordt vermeld dat met name onder de meer conservatieve delen van de samenleving weinig tolerantie bestaat.
Uit de door eiseres overgelegde recentere informatie blijkt echter dat intimidatie van de LHBT-gemeenschap door het regime sinds 2014 is toegenomen en dat LHBT’s regelmatig te maken hebben met intimidatie en geweld door de politie. De activiteiten en communicatie van LHBT’s, met name activisten, worden gemonitord door de overheid en websites van LHBT-organisaties zijn het doelwit van cyberaanvallen en worden regelmatig door de overheid verwijderd. Verder blijkt dat homofoob discours wijdverspreid is en dat anti-LHBT-retoriek is toegenomen sinds 2014. Ook zijn er berichten van mishandeling van LHBT’s door de politie en weigering van de politie om aangiftes te onderzoeken. Verweerder kan daarom niet zonder nader onderzoek en nadere motivering stellen dat er geen sprake is van een verslechtering.

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient nader onderzoek te doen naar de huidige situatie van LHBT’s in Belarus, alvorens een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.