Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12843

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
NL17.5912
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tunesië veilig land van herkomst, identiteit ongeloofwaardig, asielrelaas ongeloofwaardig, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5912


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2017 in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak 17.5913, plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Tunesische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 18 juli 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij Tunesië heeft verlaten, omdat de leefomstandigheden slecht zijn en hij wil werken om voor zijn gezin te zorgen. Daarnaast heeft eiser Tunesië verlaten omdat hij door de (lokale) politie is benaderd om in militaire dienst te gaan en hij dit niet wil.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de nationaliteit van eiser geloofwaardig. De identiteit en herkomst van eiser worden niet geloofwaardig geacht, nu eiser geen documenten heeft overgelegd en hij twee verschillende geboortedata heeft opgegeven. Verder wordt eiser gevolgd in zijn verklaring over de slechte economische omstandigheden. Eiser wordt evenwel niet gevolgd in zijn verklaring over de militaire dienstplicht. Verder is volgens verweerder Tunesië te beschouwen als een veilig land van herkomst. Verweerder heeft voor de motivering daarvan verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 11 oktober 2016 over de derde tranche nationale lijst veilige landen van herkomst. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Tunesië, in afwijking van de algemene situatie, jegens hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen eventuele problemen de bescherming van de autoriteiten in te roepen.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is en dat dit afbreuk doet aan zijn overige verklaringen. Eiser heeft doelbewust geen identificerende documenten meegenomen en heeft deze evenmin alsnog laten opsturen door familie in zijn land van herkomst. Daarnaast heeft eiser twee verschillende geboortedata genoemd. Anders dan eiser stelt is het ontbreken van deze documenten wel degelijk van belang voor de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

5. Verder heeft verweerder terecht het aanvullende relaas van eiser over zijn detentie en de mishandelingen tijdens deze detentie niet bij de beoordeling van het asielrelaas betrokken. Vast staat dat eiser eerst bij de zienswijze correcties en aanvullingen op het rapport gehoor veilig land van herkomst heeft ingediend. In aanvulling op zijn eerdere verklaring heeft eiser hierbij aangegeven dat hij een keer is betrapt op het roken van een joint en vervolgens is aangehouden en één jaar en acht maanden is gedetineerd. Tijdens deze detentie is eiser mishandeld. Met deze verklaring is eiser teruggekomen op zijn eerdere verklaringen. Gelet hierop was het aan eiser om hier een deugdelijke verklaring voor te geven. Dit heeft hij nagelaten. De enkele stelling dat eiser zich schaamde om dit tijdens het gehoor naar voren te brengen is onvoldoende. Daarnaast is de verklaring van eiser over zijn detentie summier en bevat het geen of weinig details en heeft eiser over het letsel aan zijn hoofd eerder anders verklaard. Verweerder heeft dan ook terecht de verklaring van eiser over zijn detentie niet bij de beoordeling betrokken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eveneens de gestelde dienstplichtontduiking niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn stellingen niet met documenten onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser slechts bij indicatie kan aangeven wanneer hij is benaderd door de politie en kan hij niet aangeven waarom hij niet direct is meegenomen door de vertegenwoordiger van de politie die aan de deur is geweest. Ook heeft eiser geen verklaring kunnen geven waarom hij niet op het moment dat hij dienstplichtig werd is opgeroepen, maar eerst nadat hij de leeftijd van 26 jaar had bereikt. Eiser heeft slechts mogelijke redenen geschetst, zonder onderbouwing daarvoor. Eiser is wel steeds in Tunesië woonachtig geweest.

7. Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat Tunesië een veilig land van herkomst is. Eiser heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:3186), waarin de ministeriële regeling van 11 oktober 2016 onverbindend is verklaard voor zover daarbij Tunesië door een wijziging van bijlage 13 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst.

8. In de uitspraak van 3 mei 2017 met zaaknummer 201702914/2/V1 heeft de voorzitter van de Afdeling echter een voorlopige voorziening getroffen waarbij de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 maart 2017 is geschorst, voor zover daarin de ministeriële regeling van 11 oktober 2016, nummer 750970, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, met betrekking tot Tunesië onverbindend is verklaard. Er wordt daarom geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het standpunt van de staatssecretaris dat Tunesië als veilig land van herkomst kan worden gezien.

9. Eiser heeft anders dan de verwijzing naar genoemde uitspraak niets aangevoerd ten opzichte van gebrekkige rechtsbescherming in Tunesië. Gelet op het voorgaande is het evenwel aan eiser om aannemelijk te maken dat Tunesië wegens zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. Daarin is eiser niet geslaagd. Het asielrelaas is immers op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit geval dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ook in het individuele geval van eiser Tunesië als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

10. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.