Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12841

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
NL17.5939
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak, kennelijk tegenstrijdige verklaringen, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5939


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2017 in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 juli 2017 (het bestreden besluit).


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Alwandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Iraakse nationaliteit en is afkomstig uit de provincie Diyala in Irak. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 23 september 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij beroepsmilitair was in het Iraakse leger. Vanwege zijn werkzaamheden heeft hij in 2013 een dreigbrief en dreigsms’jes ontvangen van IS en is zijn woning verwoest door een ontploffing. Hij is in augustus 2013 gedeserteerd uit het leger en met zijn gezin naar Turkije gevlucht. Na ongeveer 13 maanden heeft eiser zijn vrouw en kinderen teruggestuurd naar Irak omdat hij hen in Turkije niet kon onderhouden. In Turkije is eiser door UNHCR erkend als vluchteling.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

  4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder bij UNHCR navraag heeft gedaan over de vluchtelingenstatus van eiser. Hieruit is gebleken dat eiser bij UNHCR in Turkije heeft verklaard dat hij van 2003 tot 2013 heeft gevoetbald bij [voetbalclub 1] en op een gegeven moment verantwoordelijk werd voor [voetbalclub 2] in [plaats]. In deze hoedanigheid zou eiser meerdere malen zijn bedreigd door soennitische moslims, waarschijnlijk gelieerd aan Al Qaida. Nadat in augustus 2013 twee mannen zouden zijn gedood bij het [voetbalclub 2] voetbalveld zou hij een dag zijn vastgehouden door de Iraakse autoriteiten en daarbij zijn gemarteld. Als gevolg van deze ervaring zou hij Irak ontvlucht zijn.

  6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de redenen van zijn vertrek uit Irak. De verklaringen die eiser bij UNHCR in Turkije heeft afgelegd, komen in het geheel niet overeen met de verklaringen die hij in Nederland heeft afgelegd in het kader van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft daarom geen geloof hoeven hechten aan de verklaringen die eiser in Nederland heeft afgelegd en heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft immers kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.

  7. De broer van eiser is op 24 februari 2017 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat er op dat moment in Diyala sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in voormeld artikel. Bij het besluit van verweerder van 28 maart 2017, nummer WBV 2017/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, is echter het beleid van verweerder inzake Irak gewijzigd. Diyala wordt niet langer aangemerkt als een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie. Nu het bestreden besluit dateert van na deze beleidswijziging, treft eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel.

  8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en behoeven de overige beroepsgronden, over de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij beroepsmilitair is en de documenten die hij heeft overgelegd, geen bespreking.

  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.