Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12837

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
16/28759
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VA, Irak, ongeloofwaardig relaas, geen 15 C Bagdad, medische omstandigheden, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/28759

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

mede namens zijn minderjarige zoon [naam 2],

gemachtigde mr. E. de Geus,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017, gezamenlijk met de behandeling van het beroep van eisers zoon [naam 3] (AWB 16/25099). Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Atrushi.

Ter zitting is de behandeling van het beroep aangehouden, zodat bij het Bureau Medische Advisering (BMA) een medisch advies kan worden opgevraagd.

Bij brief van 6 juni 2017 heeft verweerder het BMA-advies van 31 mei 2017 overgelegd.

Bij brief van 4 juli 2017 heeft eiser gereageerd op het BMA-advies en aanvullende medische stukken overgelegd.

Bij brief van 7 augustus 2017 heeft verweerder het aanvullend BMA-advies van 1 augustus 2017 overgelegd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Op 9 augustus 2017 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 5 september 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is in 2010 naar Bulgarije gevlucht, maar binnen een jaar weer teruggekeerd naar Irak. In 2012 is hij drie keer opgepakt door leden van het Mahdi leger die hem wilden dwingen mee te vechten. Eiser heeft telkens geweigerd, werd geslagen en vervolgens vrijgelaten. Ook is hij onder druk gezet door de sjiitische militie Asa’ib Ahl al-Haqq (AAH) om mee te vechten tegen IS. In 2014 is eisers zoon [naam 3] ook tot drie keer toe meegenomen door leden van het Mahdi leger. Nadat hij de laatste keer vrij is gekomen, heeft eiser ervoor gezorgd dat zijn zoon naar Turkije kon vluchten. In de periode daarna, tot aan eisers vertrek uit Irak in augustus 2015, werd hij regelmatig lastiggevallen door leden van het Mahdi leger omdat hij als soenniet nog steeds in de sjiitische wijk Bayaa verbleef.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers verklaringen over de problemen met het Mahdi leger en de AAH acht verweerder niet geloofwaardig.

  4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Aan het standpunt dat eisers verklaringen over de problemen met het Mahdi leger niet geloofwaardig zijn, heeft verweerder onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Niet valt in te zien dat het Mahdi leger, een sjiitische groepering, een soenniet zou benaderen om met hen mee te vechten. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij in die periode veel alcohol dronk. Gelet daarop was hij niet een aangewezen persoon om zich actief in te zetten. Voorts is het ongerijmd dat eiser tot 3 maal toe zou zijn benaderd en meegenomen door het Mahdi leger, maar vervolgens op geen enkele wijze meer door hen zou zijn benaderd. Tot slot heeft eiser geen documenten overgelegd van het gestelde ziekenhuisbezoek nadat hij zou zijn mishandeld.

  6. Aan het standpunt dat eisers verklaringen over de problemen met de AAH niet geloofwaardig zijn, heeft verweerder onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Uit onder meer het Ambtsbericht Veiligheidssituatie Irak van het ministerie van Buitenlandse Zaken van oktober 2015 blijkt dat gedwongen rekrutering door sjiitische milities in principe niet voorkomt, omdat voldoende vrijwilligers zich aanmelden. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de benaderingen door de AAH. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat hij in 2012 door deze militie is benaderd en dat hij daarna geen problemen meer heeft ondervonden totdat zijn zoon problemen kreeg in 2014. In de correcties en aanvullingen heeft eiser echter aangegeven dat hij na 2012 ook nog is benaderd door de AAH.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de hiervoor onder 5 en 6 weergegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is. Eisers stellingen dat het juist vanwege zijn dronkenschap geloofwaardig is dat hij niet meer werd meegenomen door het Mahdi leger en dat er wel degelijk soennieten met hen meevechten, zijn niet nader onderbouwd en kunnen daarom niet tot een ander oordeel leiden. Dat er geen sprake was van gedwongen rekrutering door de AAH, volgt de rechtbank evenmin. Eiser heeft immers verklaard dat hij onder druk werd gezet om zich aan te sluiten en dat hij zich daarom erg onveilig voelde en niet meer naar buiten durfde.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085) en 3 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1744). Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

9. Met betrekking tot de medische omstandigheden van eiser stelt de rechtbank vast dat uit het BMA-advies van 31 mei 2017 volgt dat eiser vanwege zijn psychische problemen wordt behandeld door de huisarts en is doorverwezen naar de GGZ. Het achterwege blijven van deze behandeling zal naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Voorts is eiser in staat om te reizen. In reactie daarop heeft eiser bij brief van 4 juli 2017 onder meer een intakeverslag van GGZ Oost-Brabant van 12 mei 2017 overgelegd. In het aanvullend advies van 1 augustus 2017 stelt het BMA dat de conclusie van het advies van 31 mei 2017 kan worden gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw en dat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eisers beroep op het arrest in de zaak Paposhvili van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016 (nr. 41738/10) kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit arrest biedt een toetsingskader voor de uitzetting van ernstig zieke vreemdelingen. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.