Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12822

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2924, 16_4253, 16_5362, 16_6579, 16_6580, 16_6861, 16_6866, 16_9573, 16_9578, 17_2044, 17_2049
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.

Talloze verzoeken om openbaarmaking van documenten.

Aanleggen digitaal schaduwarchief van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Misbruik van recht. Beroep niet ontvankelijk.

Vervolg op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:2478).

Wetsverwijzingen
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 16/2924, 16/4252, 16/5362, 16/6579, 16/6580, 16/6861, 16/6866, 16/9573, 16/9578, 17/2044 en 17/2049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

-de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder 1

(gemachtigde: mr. P. van den Berg)

-de minister van Defensie, verweerder 2

(gemachtigden: mr. R. de Ruiter en mr. L. Beening).

Procesverloop

In de zaak 16/2924

Op 21 juni 2013 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel aanwezige journalen inzake terrorisme van de voormalige Centrale Recherche Informatiedienst (CRI).

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft verweerder 1 het verzoek afgewezen. Bij besluit van 31 juli 2014 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juli 2015 (zaaknummer SGR 14/8334) heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het besluit van 31 juli 2014 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Bij brief van 11 april 2016 heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij besluit van 22 april 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, aan eiser een inzagedossier verstrekt van 266 pagina’s en een proceskostenvergoeding toegekend ten bedrage van € 1696,40. Bij brief van 17 mei 2016 heeft eiser zijn beroep gehandhaafd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 11 oktober 2017 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

In de zaak 16/4252

Op 10 januari 2014 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aanwezige gegevens die betrekking hebben op de BVD-operaties “Diepvries” en “Porselein” IVD [cijferreeks] .

Bij het primaire besluit van 5 juni 2015 heeft verweerder 1 aan eiser een inzagedossier van 617 bladzijden verstrekt. Bij het bestreden besluit van 14 april 2016 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aan eiser een aanvullend inzagedossier van 310 bladzijden verstrekt. Bij brief van 17 mei 2016 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft verweer gevoerd.

In de zaak 16/5362

Op 1 oktober 2014 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de AIVD aanwezige gegevens over de bestuurlijke aangelegenheid [cijferreeks] afschriften, korte informatierapporten (KIR-en) en speciale inlichtingenanalyses (SIA’s), opgesteld in 2008.

Bij het primaire besluit van 11 december 2014 heeft verweerder 1 het verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 25 mei 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 27 juni 2016 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft verweer gevoerd.

In de zaak 16/6579

Op 14 oktober 2015 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de AIVD aanwezige gegevens over de bestuurlijke aangelegenheid: Onderwerpsdossier [cijferreeks] Ambon.

Bij het primaire besluit van 10 maart 2016 heeft verweerder 1 eiser een inzagedossier van 54 bladzijden verstrekt. Bij het bestreden besluit van 7 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard en aan eiser twee eerder niet verstrekte passages alsnog verstrekt. Bij brief van 15 augustus 2016 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft verweer gevoerd.

In de zaak 16/6580

Op 8 april 2016 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de AIVD aanwezige gegevens over “verslagen besprekingen HBVD met de Minister van Binnenlandse Zaken over de periode 1 januari 1985 tot en met 31 december 1989”.

Bij het primaire besluit van 2 mei 2016 heeft verweerder 1 eiser een inzagedossier verstrekt van 9 bladzijden. Bij het bestreden besluit van 7 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 15 augustus 2016 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft verweer gevoerd. Eiser heeft de rechtbank, desgevraagd, toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om kennis te nemen van de door verweerder overgelegde geheime stukken. Bij brief van 8 februari 2017 heeft eiser nadere gronden ingediend. Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

In de zaak 16/6861

Op 8 april 2016 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) eventueel aanwezige niet-actuele gegevens betreffende handboeken en gedragscodes gebruikt door de Onderzoeksgroep Inlichtingen en Veiligheid Defensie onder leiding van [persoon A] in 2006.

Bij brief van 23 augustus 2016 heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij besluit van 10 november 2016 heeft verweerder 2 het verzoek deels ingewilligd en een aantal documenten (fotokopieën in bewerkte vorm) aan eiser verstrekt. Voor het overige is het verzoek geweigerd. Bij brieven van 8 februari 2017 en 20 maart 2017 heeft eiser het beroep aangevuld. Op 16 maart 2017 heeft verweerder de rechtbank bericht dat aan eiser een dwangsom is toegekend van in totaal € 5780,- voor in totaal 22 openbaarmakingsverzoeken waaronder het verzoek van 8 april 2016. Op 10 oktober 2017 heeft de rechtbank een geheimhoudingsbeslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Ter zitting heeft eiser toestemming verstrekt mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen. Verweerder heeft verweer gevoerd.

In de zaak 16/6866

Op 15 november 2015 heeft eiser een verzoek ingediend, gericht aan de Wob-functionaris van verweerder 2, inhoudende de openbaarmaking van “Regiobulletins Nederlandse Antillen en Aruba” opgesteld tussen 1 januari 2000 en 31 december 2004.

Bij besluit van 19 november 2015 heeft verweerder eiser medegedeeld dat er geen documenten zijn aangetroffen maar dat, indien eiser wenst dat zijn verzoek ook op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) wordt behandeld, verweerder, indien eiser dat wenst, voor doorgeleiding naar de MIVD kan zorgdragen. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Bij brieven van 22 februari 2016 en 7 april 2016 heeft eiser de MIVD in gebreke gesteld. Bij brief van 23 augustus 2016 heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij brief van 8 september 2016 heeft verweerder de rechtbank bericht dat er geen sprake is van niet tijdig beslissen aangezien eiser geen verzoek om doorgeleiding van zijn eerdere Wob-verzoek heeft ingediend en bij de MIVD ook geen zelfstandig verzoek op grond van de Wiv om openbaarmaking van regiobulletins Nederlandse Antillen en Aruba is ontvangen. Eiser heeft hier niet op gereageerd.

In de zaken 16/9573 en 16/9578

Op 22 februari 2016 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de AIVD aanwezige gegevens over: [cijferreeks] Weekrapportage P Terrorisme kalenderjaar 2004.

Op 5 januari 2016 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de AIVD aanwezige gegevens over: [cijferreeks] rapportages van de AIVD mbt Irak tbv de CVIN.

Bij de primaire besluiten van 10 oktober 2016 heeft verweerder 1 de verzoeken niet in behandeling genomen omdat deze niet zijn aan te merken als een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van artikel 51 van de Wiv. Bij brieven van 14 november 2016 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om rechtstreeks beroep. Verweerder heeft de bezwaren doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als rechtstreeks beroep. Bij besluiten van 23 november 2016 heeft verweerder de besluiten van 10 oktober 2016 ingetrokken en de verzoeken niet in behandeling genomen omdat sprake is van misbruik van recht. Bij brieven van 28 december 2016 heeft eiser de gronden aangevuld. Verweerder heeft verweer gevoerd. Bij brieven van 8 februari 2017 heeft eiser nadere gronden ingediend.

In de zaak 17/2044

Bij brieven van 19 november 2013, 15 november 2015, 3 mei 2016 en 24 juni 2016 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van eventueel bij de AIVD aanwezige gegevens over: [cijferreeks] weekoverzichten/focussen van de Stafafdeling SBP van de BVD in de periode 01-01-1975 t/m 31-12-1979, [cijferreeks] door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten in de periode van oktober 2005 tot en mei 2010, [cijferreeks] periodieke rapportages van de PID ‘s Hertogenbosch van 1982 t/m 1984 en [cijferreeks] Indonesische handelsvereniging [naam handelsvereniging].

Bij de primaire besluiten van 3 augustus 2016 heeft verweerder 1 afzonderlijk op deze verzoeken beslist. Verweerder heeft de verzoeken niet in behandeling genomen omdat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van artikel 51 van de Wiv. Eiser heeft hiertegen bij brieven van 24 augustus 2016 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 1 december 2016 heeft verweerder zijn eerdere besluiten van 3 augustus 2016 ingetrokken en beslist dat de verzoeken niet in behandeling worden genomen omdat sprake is van misbruik van recht. Bij brieven van 5 januari 2017 heeft eiser de bezwaargronden aangevuld. Bij besluiten van 9 februari 2017 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser bij brief van 14 maart 2017, aangevuld bij brief van 5 april 2017, beroep ingesteld. Verweerder heeft verweer gevoerd.

In de zaak 17/2049

In de periode van 1 december 2014 t/m 9 november 2016 heeft eiser 72 verzoeken om openbaarmaking van delen van het archief van de AIVD ingediend.

Bij primaire besluiten van 23 november 2016, 1 december 2016 en 7 december 2016 heeft verweerder de verzoeken niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht. Bij brief van 28 december 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij de bestreden besluiten van 9 februari 2017 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Bij brief van 5 april 2017 heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1 Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling kan worden toegekomen ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de beroepen van eiser ontvankelijk zijn. Verweerders hebben zich in alle zaken, zowel in de uitvoerige verweerschriften als mondeling ter zitting van de rechtbank, primair op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van recht. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2478). Subsidiair hebben verweerders inhoudelijk verweer gevoerd.

2.1

Artikel 3, eerste lid, van de Wob luidt: "Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf."

Het derde lid luidt: "De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen."

Artikel 51, eerste lid, van de Wiv luidt: "Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. […]"

Artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) luidt: "Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt."

Het tweede lid luidt: "Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen."

Artikel 15 luidt: "Artikel 13 vindt buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet."

2.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt dient ook te gelden voor verzoeken tot kennisneming van documenten op grond van artikel 51, eerste lid, van de Wiv. Weliswaar hoeft een verzoeker geen belang te stellen voor het indienen van een dergelijk verzoek, maar de reden voor het indienen van een verzoek om kennisneming kan wel relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van misbruik van recht.

3.1

Onder verwijzing naar haar uitspraken van 9 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016: 15526, ECLI:NL:RBDHA:2016:15527 en ECLI:NL:RBDHA:2016:15529) die zijn bevestigd bij de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017, overweegt de rechtbank als volgt.

3.2

De door eiser ingediende verzoeken om openbaarmaking van documenten op grond van de Wob en de Wiv die in deze procedure aan de orde zijn, maken deel uit van een project om zoveel mogelijk documenten over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te verzamelen en te voorkomen dat deze met toepassing van de Archiefwet 1995 worden vernietigd. Eiser beoogt het aanleggen van een digitaal schaduwarchief van de archieven van verweerders. Het in de Wob en de Wiv neergelegde recht op informatie is, zo heeft ook de Afdeling in navolging van de rechtbank geoordeeld, niet bedoeld om de werking van de Archiefwet 1995 tegen te gaan door de documenten die op grond van deze wet en met inachtneming van de in deze wet opgenomen waarborgen moeten worden vernietigd te laten voortbestaan. De aard van het project brengt met zich dat eiser bij voortduring omvangrijke delen opvraagt van de archieven. Deze verzoeken leggen een zeer groot beslag op de (personele) capaciteit van verweerders, zodanig dat van een structureel grote belasting kan worden gesproken. De omstandigheid dat eiser zijn verzoeken opknipt in gedeelten en de informatie aldus fasegewijs opvraagt, maakt dit niet anders.

3.3

In reactie op het betoog van verweerders dat sprake is van misbruik van recht heeft eiser ter zitting van de rechtbank gesteld dat zijn motief er in is gelegen de mogelijkheid te willen openhouden in de toekomst tot publicatie over de werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten over te gaan. In verband daarmee wil eiser de daarvoor noodzakelijke, en volledige, informatie van verweerders verkrijgen. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd of zelfs maar aannemelijk gemaakt. De stelling dat hij reeds gepubliceerd heeft is evenmin onderbouwd of aannemelijk gemaakt, anders dan met een enkele verwijzing naar een website. Dit zijn dezelfde websites die zijn genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017. De rechtbank acht het dan ook, mede in het licht van de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 9 december 2016 en hetgeen haar over eerdere beroepszaken van eiser ambtshalve bekend is, ongeloofwaardig dat eiser met het opvragen van informatie zoals in deze procedure aan de orde is, een ander doel zou hebben dan voorheen, te weten het aanleggen van een schaduwarchief en het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens. Daarbij weegt mee dat eiser ook nu ter zitting nog heeft betoogd diverse documenten op te hebben gevraagd teneinde te voorkomen dat daartoe in verband met de Archiefwet straks niet meer de mogelijkheid bestaat. De informatieverzoeken die in de onderhavige procedure aan de orde zijn hebben een vergelijkbare vraagstelling en stammen uit dezelfde periode als de verzoeken op grond waarvan de rechtbank en de Afdeling misbruik van recht hebben aangenomen. Het staat vast dat eiser in de loop der jaren een zeer grote hoeveelheid documenten van verweerders heeft ontvangen en dat zeer veel documenten daadwerkelijk aan eiser zijn verstrekt. Indien eiser tot publicatie had willen overgaan, is hij daarvoor ruimschoots in de gelegenheid geweest.

3.4

Gelet op het voorgaande heeft eiser de bevoegdheid om informatieverzoeken in te dienen voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Voorts is sprake van onevenredigheid tussen het met die verzoeken gediende belang en de belasting die het beslissen hierop oplevert voor de betrokken ministers. Deze beide constateringen brengen met zich dat de zwaarwichtige gronden, bedoeld in overweging 2.2, zich voordoen, zodat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om Wob- en Wiv-verzoeken in te dienen.

4 Nu de beroepen misbruik van recht inhouden zijn deze beroepen dientengevolge niet-ontvankelijk.

In de zaak met het procedurenummer 16/6866 volgt de rechtbank het standpunt van verweerder 2 dat er geen besluit kan worden genomen omdat er geen inzageverzoek van eiser op grond van de Wiv is ontvangen. Eiser heeft immers niet gereageerd op de vraag om doorgeleiding danwel omzetting van zijn Wob-verzoek en evenmin heeft hij zelfstandig een verzoek bij de MIVD ingediend. Onder deze omstandigheden is een beroep niet tijdig beslissen niet aan de orde. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk.

5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.