Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:128

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
16/22166
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- mondelinge uitspraak

- visum kort verblijf

- doel en omstandigheden verblijf

- familieband niet aangetoond

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/22166

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken 4 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 september 2016 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Tevens waren ter zitting aanwezig [referent 1] en F. [referent 2], referenten. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank oordeelt als volgt.

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 30 mei 2016 heeft zij een aanvraag voor een visum kort verblijf ingediend. Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Visumcode. Eiseres heeft het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet aangetoond. Zij stelt haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen te willen bezoeken, maar heeft de gestelde familieband niet aannemelijk gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft in beroep betoogd dat zij niet beschikt over officiële documenten om de gestelde familieband aannemelijk te maken. Zij heeft alleen een foto van het huwelijk van haar dochter kunnen overleggen. Het lag daarom op de weg van verweerder om eiseres en haar dochter in de bezwaarfase te horen over de gestelde familieband. Voorts is de sociale binding van eiseres met Afghanistan, anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt, zeer sterk.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Het is aan eiseres om met objectief verifieerbare bewijsstukken de gestelde familieband aannemelijk te maken. De voornoemde foto kan niet als (een begin van) bewijs van de gestelde familieband worden aangemerkt. Dat eiseres, ook volgens haar eigen verklaring, niet over objectief verifieerbare bewijsstukken beschikt komt voor haar rekening en risico. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond is en daarom ook terecht afgezien van het horen in bezwaar.

5. Ten aanzien van de verwijzing in het bestreden besluit naar de sociale en economische binding van eiseres met het land van herkomst, stelt de rechtbank vast dat uit dat besluit niet blijkt dat de aanvraag ook op deze grond is afgewezen. Mede door het gebruik van het woord ‘bovendien’ komt de rechtbank tot de conclusie dat de genoemde binding een overweging ten overvloede is. Daarom zal de beroepsgrond die hierop betrekking heeft, niet worden beoordeeld. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013: 19294, kan niet tot een ander oordeel leiden. In die zaak was de aanvraag namelijk wel op grond van de geringe sociale binding met het land van herkomst afgewezen.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf terecht heeft afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier, op 4 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

(Opmerking: ter zitting is ten onrechte aan eiser medegedeeld dat hij binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal hoger beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.)

Afschrift verzonden aan partijen op: