Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12770

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
NL17.5992
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiser. Eiser heeft telkens vóór het verlopen van de overdrachtstermijn een nieuw verzoek in een andere lidstaat ingediend, waardoor deze overdrachtstermijnen inmiddels zijn verlopen. Het betoog van eiser dat de verantwoordelijkheid van Italië hierdoor is overgegaan op een ander land is niet te verenigingen met de doelstelling van de Dublinverordening om forumshopping te voorkomen. De verantwoordelijkheid van Italië is evenmin overgegaan vanwege het verstrijken van de 12-maanden termijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat dit artikel moet worden toegepast op grond van de situatie ten tijde van het eerste asielverzoek van eiser. Tot slot heeft verweerder niet onterecht een verzoek tot terugname i.p.v. overname gedaan, omdat Italië eerder al een terugnameverzoek van België expliciet heeft geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

van Eritrese nationaliteit,

v-nummer [v-nummer] ,

eiser

(gemachtigde: mr. M. Snel-de Kroon),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.5993, plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), omdat gebleken is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013, L 180; hierna: de Dublinverordening).

2. Niet in geschil is dat eiser op illegale wijze via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en dat hij vervolgens op 27 augustus 2014 in Zwitserland,

op 24 april 2015 in Duitsland en op 4 februari 2016 in België een verzoek om

internationale bescherming heeft ingediend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Italië nog steeds de verantwoordelijke lidstaat is en zo ja, of verweerder terecht een verzoek tot terugname op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening heeft gedaan.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Eiser heeft betoogd dat de verantwoordelijkheid van Italië is overgegaan op Zwitserland en vervolgens, doordat verweerder aan Zwitserland geen verzoek om herziening heeft ingediend, is overgegaan op Nederland. Daartoe heeft eiser betoogd dat de Zwitserse autoriteiten hem niet binnen 18 maanden na het fictieve akkoord van 16 november 2014 hebben overgedragen aan Italië, waardoor Italië op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening niet langer verantwoordelijk is.

5. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening dient een lidstaat de verzoeker voor wiens asielverzoek een andere lidstaat verantwoordelijk is, binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek tot terug- of overname, aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien de overdracht niet binnen deze termijn plaatsvindt, de verzoekende lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Eveneens op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze overdrachtstermijn tot maximaal één jaar worden verlengd wegens gevangenzetting van de vreemdeling, of tot maximaal 18 maanden indien de vreemdeling onderduikt.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 augustus 2014 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend, dat de Zwitserse autoriteiten op 15 september 2014 aan Italië hebben verzocht eiser over te nemen en dat de Italiaanse autoriteiten, door het niet tijdig reageren op dit verzoek, op 16 november 2014 fictief akkoord zijn gegaan.

Vervolgens heeft eiser op 4 maart 2015 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming ingediend. De Duitse autoriteiten hebben op 1 juli 2015 aan Italië verzocht eiser over te nemen. Doordat de Italiaanse autoriteiten niet tijdig op dit verzoek hebben gereageerd, zijn zij op 23 oktober 2015 fictief akkoord gegaan.

Hierna heeft eiser op 5 februari 2016 in België een verzoek tot internationale bescherming ingediend. De Belgische autoriteiten hebben op 10 maart 2016 bij Italië een verzoek tot overname ingediend. De Italiaanse autoriteiten zijn op 22 maart 2016 hiermee akkoord gegaan. Op 8 juni 2016 hebben de Belgische autoriteiten de Italiaanse autoriteiten ingelicht dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, waarmee de overdrachtstermijn is opgeschort op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.

Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder uitgaan van de juistheid van deze, van de andere lidstaten verkregen, informatie. Dat delen van deze informatie enkel staan vermeld in memo's van verweerder, waarin de resultaten van onderzoek bij een andere lidstaat staan vermeld, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

7. Uit het voorgaande volgt dat eiser telkens vóór het verlopen van de overdrachtstermijn een nieuw verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend. Of eiser al dan niet daadwerkelijk ooit aan Italië is overgedragen, is in deze niet relevant. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de overdrachtstermijn uit artikel 29 van de Dublinverordening blijft lopen, ook indien de betreffende vreemdeling gedurende deze termijn een asielverzoek bij een derde lidstaat indient, als gevolg waarvan bij het verlopen van deze termijn de verantwoordelijkheid van de ene lidstaat overgaat op de andere lidstaat.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74, overwogen, dat met de doelstelling van de Dublinverordening niet verenigbaar is dat een vreemdeling zich aan de werkingssfeer van de Dublinverordening kan onttrekken door naar een andere lidstaat te reizen om zijn verzoek om internationale bescherming daar te laten behandelen. In dat verband is volgens de Afdeling van belang dat het Hof van Justitie in het arrest in de zaak Ghezelbash van 7 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:409, onder punt 54, onder verwijzing naar zijn arrest in de zaak N.S. e.a. van 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865, heeft overwogen dat het Dublinsysteem "forum shopping" beoogt te voorkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de door eiser betoogde interpretatie van artikel 29 van de Dublinverordening niet te verenigingen is met de doelstelling van de Dublinverordening. Immers, een vreemdeling zou dan door het doen van meerdere aanvragen in verschillende lidstaten kunnen afdwingen dat een bepaalde lidstaat verantwoordelijk wordt. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog, dat de verantwoordelijkheid van Italië is overgegaan op Zwitserland, als gevolg van het verstrijken van de maximale termijn van 18 maanden sinds het fictieve akkoord van 16 november 2014. De rechtbank ziet zich in dit oordeel versterkt door de omstandigheid dat de Italiaanse autoriteiten op 22 maart 2016 hun verantwoordelijkheid expliciet hebben bevestigd tegenover de Belgische autoriteiten.

De verwijzing door eiser naar de conclusie van advocaat generaal Sharpston van 20 juli 2017 in de zaak Shiri tegen Oostenrijk (C‑201/16, ECLI:EU:C:2017:579) leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie. Nog daargelaten dat het een conclusie van de advocaat generaal betreft en niet een uitspraak van het Hof van Justitie, is de rechtbank het met verweerder eens dat het in de zaak Shiri tegen Oostenrijk gaat om termijnoverschrijding door één lidstaat, terwijl de betreffende vreemdeling nog steeds in die lidstaat verblijft. Dit is dus een andere situatie dan die van eiser. Voorts volgt uit overweging 40 van voornoemde conclusie van A.G. Sharpston, dat de verschuiving van de verantwoordelijkheid als gevolg van termijnoverschrijding is bedoeld als stimulans voor de lidstaten om overdrachten snel uit te voeren, zodat verzoeken om bescherming van vreemdelingen snel inhoudelijk kunnen worden behandeld. De interpretatie van eiser, die tot gevolg zou hebben dat vreemdelingen door onder te duiken en aanvragen in meerdere landen in te dienen een verschuiving van de verantwoordelijkheid zouden kunnen afdwingen, valt daar niet mee te rijmen.

De rechtbank ziet evenmin grond voor het oordeel dat Italië niet langer verantwoordelijk gehouden kan worden vanwege het verstrijken van de 12-maanden termijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Immers, ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening moet artikel 13 worden toegepast op grond van de situatie ten tijde van het eerste asielverzoek van de vreemdeling. In het geval van eiser was dit ten tijde van zijn asielverzoek op 25 augustus 2014 in Zwitserland, op welk moment deze 12-maanden termijn nog niet was verstreken. Dit is ook bevestigd door het Hof van Justitie in haar arrest van 26 juli 2017 in de zaak A.S. tegen Slovenië (C-490/16, ECLI:EU:C:2017:585, rechtsoverwegingen 52 en 53).

Gelet op het voorgaande is de verantwoordelijkheid van Italië niet overgegaan op Zwitserland. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte een claimverzoek aan de Italiaanse autoriteiten gericht.

8. Eiser heeft voorts betoogd dat verweerder ten onrechte een verzoek tot terugname heeft gedaan, nu eiser immers nooit in Italië een asielverzoek heeft ingediend. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 9 september 2016 (AWB 16/18221). Anders dan in deze uitspraak, kan in onderhavige zaak echter niet worden geconcludeerd tot instandhouding van de rechtsgevolgen, aldus eiser. Daartoe betoogt eiser dat het terugnameverzoek onjuiste informatie bevat en dat, wanneer er een overnameverzoek zou zijn gedaan met de juiste informatie, Italië had geconcludeerd dat zij niet langer verantwoordelijk was.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij Italië een verzoek om terugname heeft gedaan op grond van artikel 18, lid 1 onder b, van de Dublinverordening. Hoewel er sprake is van een fictief claimakkoord, heeft verweerder er naar het oordeel van de rechtbank desalniettemin van mogen uitgaan dat eiser in Italië een asielverzoek heeft gedaan en dat dit verzoek nog in behandeling is. Daartoe acht de rechtbank van belang dat Italië op 22 maart 2016 expliciet akkoord zijn gegaan met een terugnameverzoek op dezelfde grond van de Belgische autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier voldoende uit dat eiser in Italië een asielverzoek heeft ingediend, ook al blijkt dat niet expliciet uit de Eurodac-resultaten.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.P.H. Evers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.