Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12749

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
AWB 17 / 1506
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek, omdat vanwege het hierdoor ontstane verblijfsgat niet voldaan kan worden aan de voorwaarde voor een verblijfsvergunning regulier medisch.

De rechtbank is van oordeel dat, ook al zou het verblijfsgat komen te vervallen, eiser niet meer kan voldoen aan de voorwaarde voor een verblijfsvergunning regulier medisch, omdat

- er sprake is van een tweede verblijfsgat dat in rechte vaststaat, en

- eiser niet tijdig een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning regulier medisch.

Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/1506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 ( hierna: Vw 2000) bepaald dat aan eiser met ingang van 17 november 2016 uitstel van vertrek wordt verleend voor de duur van de opname in Transcultureel Psychiatrisch Centrum Veldzicht, met een maximum van een half jaar en wel tot 17 mei 2017.

Bij besluit van 27 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Zowel eiser als zijn gemachtigde zijn, na voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft eiser op 29 oktober 2013 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 11 maart 2014 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard en deze ongegrond-verklaring is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 25 februari 2015 bevestigd. Eiser heeft vervolgens op 13 oktober 2015 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overige humanitaire gronden’ ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 2 november 2015. Tegelijkertijd heeft verweerder toen wel (op grond van een BMA advies van 8 september 2015) ambtshalve uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 verleend en wel van 2 november 2015 tot 2 november 2016. Na het afwijzende besluit van 25 november 2015 heeft eiser op 23 mei 2016 nog een tweede aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Deze is bij besluit van 5 juli 2016 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is ongegrond verklaard.

2. Vervolgens heeft eiser in de onderhavige zaak op 13 september 2016 een kennisgeving voor een verzoek tot uitstel van vertrek ingediend, op 24 oktober 2016 gevolgd door een aanvraag. Deze aanvraag is door verweerder als incompleet aangemerkt en bij brief van 31 oktober 2016 is aan eiser verzocht om de aanvraag binnen twee weken aan te vullen. Op 17 november 2016 heeft verweerder de ontbrekende opnameverklaring ontvangen. Bij besluit van 24 november 2016 heeft verweerder aan eiser het gewenste uitstel van vertrek verleend voor een periode van maximaal zes maanden, met ingang van 17 november 2016.

3. Eiser kan zich vinden in het verleende uitstel van vertrek, maar niet in de ingangsdatum van 17 november 2016. Hij voert hiertoe aan dat uit de opnameverklaring duidelijk blijkt dat eiser al vanaf 2 november 2015 ononderbroken opgenomen is in een kliniek. Daarom had verweerder het tweede uitstel van vertrek moeten verlenen direct aansluitend aan de einddatum van het eerste (ambtshalve) verleende uitstel van vertrek, derhalve vanaf 2 november 2016. Door dit niet te doen is er een zogenoemd verblijfsgat ontstaan, waardoor het voor eiser niet mogelijk is te voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel “medische behandeling”.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen belang (meer) heeft bij het onderhavige beroep. Hij voert hiertoe aan dat het bij het bestreden besluit verleende uitstel van vertrek inmiddels van rechtswege per 24 januari 2017 is beëindigd, omdat de klinische opname van eiser op dat moment met ingang van 10 januari 2017 was beëindigd. Vervolgens is aan eiser (op diens verzoek) opnieuw uitstel van vertrek verleend met ingang van 14 februari 2017 tot 14 augustus 2017, vanwege een nieuwe opname. Dit nieuwe (derde) uitstel van vertrek is daarna verlengd van 14 augustus 2017 voor de duur van de opname, maar uiterlijk tot 14 februari 2018. Nu in de periode van 24 januari 2017 tot 14 februari 2017 sprake is geweest van een tweede verblijfsgat heeft eiser geen belang meer bij de thans aanhangige procedure. Dit tweede verblijfsgat staat inmiddels immers in rechte vast. Ook al zou het eerste verblijfsgat komen te vervallen (zoals eiser wenst), dan nog heeft eiser met het tweede verblijfsgat de situatie laten ontstaan dat hij niet aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.46, vierde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) voldoet. Met de onderhavige procedure kan hij hierdoor niet (meer) datgene bereiken wat hij hiermee beoogt.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Volgens paragraaf A3/7.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna:Vc 2000), voor zover thans van belang, verleent verweerder uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 zonder hiervoor medisch advies aan het BMA te vragen als uit een bewijs blijkt dat de vreemdeling:

a. klinisch opgenomen is; en

b. een actieve medische behandeling ondergaat die niet buiten de kliniek mogelijk is; en

c. in dit verband tijdelijk niet in staat is om te reizen.

Verweerder verleent in deze gevallen uitstel van vertrek voor de duur van de opname tot een maximum van een half jaar. Het verleende uitstel van vertrek vervalt van rechtswege twee weken na beëindiging van opname.

7. De rechtbank ziet zich (allereerst) voor de vraag geplaatst of eiser nog belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

8. In artikel 3.46, vierde lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling niet wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, van de Vw 2000, en evenmin op het feit dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, van de Vw heeft gehad. Volgens paragraaf B8/9.1.1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, is er geen sprake van een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag, indien de aanvraag niet tijdig is ingediend. De IND beschouwt de aanvraag als tijdig ingediend als de vreemdeling de aanvraag bij de IND indient in de periode tussen:

  • -

    28 dagen voor het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64Vw; en

  • -

    28 dagen na het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw.

9. Uit het dossier is niet gebleken dat eiser in de periode van 28 dagen voor of na de eerste beëindiging van zijn rechtmatig verblijf (op 2 november 2016) een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier medisch heeft ingediend. Gelet hierop kan eiser niet meer in aanmerking komen voor de bedoelde vergunning op grond van het eerste verleende uitstel van vertrek (van 2 november 2015 tot 2 november 2016). Uit het dossier is voorts niet gebleken dat eiser de einddatum van zijn tweede uitstel van vertrek (op 24 januari 2017), danwel de aanvangsdatum van zijn derde uitstel van vertrek (op 14 februari 2017) heeft aangevochten. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat eiser een nieuw, tweede, verblijfsgat heeft dat in rechte vast staat en wel van 24 januari 2017 tot 14 februari 2017. Nu eiser ook in de periode van 28 dagen voor of na deze tweede beëindiging van zijn rechtmatig verblijf (van 24 januari 2017) geen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier medisch heeft ingediend, kan eiser – ook al zou de rechtbank van oordeel zijn dat het eerste verblijfsgat moet komen te vervallen – niet meer voldoen aan het vereiste van een tijdig ingediende aanvraag ten aanzien van de periode (direct) voorafgaand aan 24 januari 2017. Een eventuele reparatie van het eerste verblijfsgat kan dus hoe dan ook niet tot het gewenste resultaat lijden. Eiser heeft derhalve geen belang (meer) bij de onderhavige procedure.

10. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser heeft verzocht om nihilstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282), is de rechtbank van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt en niet in staat is het verschuldigde bedrag van € 168,00 te betalen.

11. Aan eiser is bij brief van 13 juli 2017 meegedeeld dat de rechtbank vooralsnog afziet van het heffen van griffierecht. Het verzoek van eiser om over te gaan tot nihilstelling wordt hierbij definitief gehonoreerd.

12 Het beroep is bij gebreke van een procesbelang niet-ontvankelijk.

13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.K.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

26 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 oktober 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.