Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12734

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3332
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzing als herplaatsingskandidaat in het kader van Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt. De rechtbank voorziet zelf in plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3332

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort),

en

de korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A.M. Bot).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser aangewezen als herplaatsingskandidaat en geplaatst in de functie [functie 1] , gewaardeerd op schaal 9, in de formatie van [formatie 1] , plaats van tewerkstelling te [plaats] .

Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen en eiser aangewezen als herplaatsingskandidaat.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Bij brief van 1 december 2015 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem op grond van het concept Personeelsplaatsingsplan als herplaatsingskandidaat aan te wijzen en hem te herplaatsen in de functie van [functie 2] , gewaardeerd op schaal 10. Deze functie komt voor in de formatie van [formatie 2] te [plaats] .

Eiser heeft geen bedenkingen ingediend.

1.2.

Bij het primaire besluit is eiser als herplaatsingskandidaat aangewezen en herplaatst in de functie van [functie 1] , gewaardeerd op schaal 9. Deze functie komt voor in [formatie 1] te [plaats] .

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en eiser aangewezen als herplaatsingskandidaat. Verweerder heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Niet in geschil is dat eisers korpsfunctie [korpsfunctie] was en zijn taakgebied [taakgebied]. Bij besluit van 16 december 2013 heeft eiser de LFNP-functie van [functie 1] gekregen. Bij besluit van 1 december 2015 is de oorspronkelijke functie van eiser vastgesteld op [functie 1] .

Het taakgebied van eiser keert terug in het nieuwe team in de nieuwe formatie, maar de generieke LFNP-functie van eiser niet. In dat geval dient de Commissie Functievergelijking Personele Organisatie (CFV) te adviseren of sprake is van een vergelijkbare of uitwisselbare functie in het nieuwe team.

Er kwamen volgens de CFV twee mogelijk vergelijkbare of uitwisselbare functies in aanmerking, namelijk de horizontale functie [functie 3] en de verticale functie [functie 2] , op één schaalniveau hoger. De CFV heeft aangegeven dat de functie van [functie 3] voor wat betreft

het LFNP-domein Ondersteuning en het LFNP-vakgebied wel, maar voor wat betreft de kern van de LFNP-functie niet vergelijkbaar of uitwisselbaar is met de korpsfunctie van bezwaarde, hetgeen door eiser overigens niet is betwist.

Verweerder is overeenkomstig het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM kamer PREO (bezwaaradviescommissie), met de CFV van oordeel dat de LFNP functie [functie 2] niet uitwisselbaar is met de korpsfunctiebeschrijving uit de uitgangspositie van eiser, omdat uit de korpsfunctiebeschrijving geen operationele of uitvoerende taken blijken en deze korpsfunctie dus niet vergelijkbaar met het LFNP-domein Uitvoering. Omdat bij de domeinbepaling al is geconstateerd dat geen sprake is van een vergelijkbare/uitwisselbare functie, is een vergelijking met een LFNP-vakgebied uit dit domein (bijvoorbeeld [vakgebied] ) en functies binnen dat vakgebied niet meer aan de orde. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de korpsfunctiebeschrijving van eisers functie niet blijkt dat deze voornamelijk gericht is op het zelf verrichten van operationele politietaken. Deze korpsfunctie is derhalve niet met het domein Uitvoering vergelijkbaar. Gelet daarop is [functie 2] terecht niet als

vergelijkbare/uitwisselbare functie aangemerkt.

Dat de korpsfunctie in het kader van de invoering van het LFNP gematcht is als [functie 1] , in het domein Uitvoering, maakt dit volgens verweerder niet anders, omdat bij de matching in het kader van de invoering van het LFNP volgens de daarvoor

geldende criteria werd gematcht, waarbij de plaats in de organisatie tot matching in een bepaald LFNP-domein kan leiden. Bij de functievergelijking door de CFV gelden andere regels en wordt van de korpsfunctiebeschrijving uitgegaan tenzij deze geen uitsluitsel biedt, hetgeen bij eiser niet aan de orde is. Bovendien is bij de functie van [functie 2] onder meer sprake van operationele sturing/organisatorische coördinatie terwijl daarvan in de korpsfunctie geen sprake is. Eiser is daarom terecht als herplaatsingskandidaat aangemerkt en niet als functievolger geplaatst in de functie van [functie 2] .

Ten behoeve van de herplaatsing van herplaatsingskandidaten is conform artikel 7 van het Landelijk Sociaal Statuut (LSS) een belangstellingsregistratie (BSR) gehouden. Bij de plaatsing van herplaatsingskandidaten worden de opgegeven voorkeuren wel bekeken, maar een herplaatsing hangt niet primair af van de opgegeven voorkeuren, maar van de regelgeving inzake de (her)plaatsing c.q. aanwijzing als herplaatsingskandidaat.

Daarbij is niet alleen van belang of de functie passend is in de zin van artikel 55o van het Barp, maar vooral ook de plaatsingsrangorde van het LSS en het Hoofdlijnenakkoord.

Concreet betekent dit dat bij het plaatsen van herplaatsingskandidaten de volgende volgorde geldt. Horizontaal plaatsen in het eigen team (waar het taakgebied terugkomt) gaat voor op verticaal plaatsen in het eigen team (en ook voor op horizontaal plaatsen in een ander team). Bij verticaal plaatsen (één schaalniveau hoger of lager) geldt dat in de betreffende functie formatieruimte moet zijn. Verticaal positief gaat bovendien voor op verticaal negatief en een verticaal negatieve plaatsing in het eigen team is, in het geval dat er in een ander team horizontale mogelijkheden zijn, alleen mogelijk met instemming van de ambtenaar. Pas als blijkt dat er met inachtneming van deze regels geen mogelijkheden binnen het eigen team zijn, dan wordt gekeken naar mogelijkheden om in een ander team te plaatsen, waarbij wederom geldt dat horizontaal plaatsen gaan op verticaal plaatsen.

Eiser heeft in het kader van de herplaatsing zijn voorkeur geuit voor de volgende functies:

[functie 1] in de [formatie 3] te [plaats]

en

[functie 2] in [formatie 2] te [plaats] .

De eerste functie betreft een horizontale voorkeur in een ander team en de tweede functie betreft een verticale voorkeur in het eigen team.

Beide voorkeuren zijn niet gehonoreerd en de PAC heeft een andere horizontale functie in een ander team gevonden: [functie 1] bij de [formatie 1] te [plaats] .

Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat deze werkwijze niet strookt met de plaatsingsrangorde.

Aangezien het aan bezwaarde gedane aanbod voor de functie van [functie 1] met de hierboven uiteengezette plaatsingsrangorde in strijd is (en waarin bezwaarde zich ook niet kan vinden) dient dit aanbod te worden ingetrokken.

Verweerder heeft daarom het bezwaar op dit punt gegrond verklaard en het primaire besluit voor zover het betreft de plaatsing in laatstgenoemde functie ingetrokken.

Met betrekking tot de tweede voorkeursfunctie van eiser heeft verweerder het volgende overwogen.

Op grond van de plaatsingsrangorde wordt eerst naar mogelijkheden binnen het eigen team gekeken: eerst de horizontale mogelijkheid en, indien die er niet is, vervolgens de (+1) verticale mogelijkheid. In het team van bezwaarde is dit enerzijds de functie van [functie 3] (schaal 9) en anderzijds de functie van [functie 2] (schaal 10). Dit onderzoek naar mogelijkheden in het eigen team heeft in het geval van bezwaarde niet dan wel niet volledig plaatsgevonden.

Met verweerder is de commissie van oordeel dat hieruit volgt dat het onderzoek naar een passende functie naar fase 2 dient te worden verplaatst, en dat in het besluit op bezwaar niet tot een aanbod kan worden overgegaan.

De commissie merkt op dat conform artikel 55n, eerste lid, van het Barp verweerder gehouden is bezwaarde binnen een periode van twaalf maanden vanaf de bekendmaking van de aanwijzing als HPK ten minste twee maal een passende functie aan te bieden, maar dat hij niet verplicht is dit reeds in het plaatsingsbesluit of de beslissing op bezwaar te doen.

3. Met betrekking tot hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.1.

Eiser betoogt primair dat hij als functievolger had moeten worden geplaatst op de functie [functie 2] binnen het eigen team. De CFV heeft ten onrechte geadviseerd dat de functie [functie 2] niet vergelijkbaar of uitwisselbaar is met eisers oude korpsfunctie. Het is te kort door de bocht om te stellen dat er geen uitvoerende taken in eisers oude functiebeschrijving waren opgenomen.

Verweerder had, nu het domein niet (uitsluitend) kan worden bepaald op basis van de korpsfunctiebeschrijving, andere informatie moeten raadplegen, zoals de organisatorische context en eventueel toegekende taakaccenten. Eisers oude korpsfunctiebeschrijving vermeldt weliswaar niet expliciet uitvoerende taken, maar zijn functie is wel gematcht met een LFNP-functie in het domein Uitvoering, vakgebied [vakgebied] . De functie [functie 2] is nog beschikbaar. Eiser dient op deze functie geplaatst te worden.

3.1.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat de functiebeschrijving van zijn korpsfunctie niet voornamelijk is gericht op het zelf verrichten van operationele politie taken. Op grond daarvan heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de functie van [functie 2] in de nieuwe organisatie die in het domein Uitvoering is gerangschikt niet is aan te merken als een vergelijkbare of uitwisselbare functie waarop eiser als functievolger kan worden geplaatst. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat de korpsfunctie is gematcht met de LFNP-functie [functie 1] in het domein Uitvoering niet doorslaggevend is omdat deze matching is geschied op andere criteria, waarbij is gezocht naar een meest vergelijkbare LFNP-functie. Verweerder heeft eiser derhalve terecht als herplaatsingskandidaat aangemerkt.

3.2.1.

Eiser stelt verder dat verweerder hem als herplaatingskandidaat had moeten plaatsen op de functie van zijn tweede voorkeur. In het beroepschrift stelt eiser dat deze functie [functie 2] in de formatie van [formatie 2] te [plaats] nog niet is vervuld. Hij verzoekt verweerder deze vacature nog niet te vervullen. Een directe collega van eiser, [collega A] (hierna: [collega A] ), is op de andere [functie 2] functie geplaatst, nadat hij zijn eerste aanbod van [functie 3] , een functie op horizontaal niveau had geweigerd. Hij had dezelfde oude korpsfunctie als eiser. Hiermee heeft verweerder het gelijkheidsbeginsel geschonden.

3.2.2.

Verweerder heeft op dit punt in het verweerschrift betoogd dat hij op grond van artikel 55n, eerste lid, van het Barp gehouden is binnen een periode van twaalf maanden vanaf de bekendmaking van de aanwijzing als herplaatsingskandidaat ten minste twee maal een passende functie aan te bieden. Hij hoeft dit dus niet direct bij de aanwijzing als herplaatsingskandidaat te doen. Nu in fase 1 nog geen passende functie van eiser is gevonden, dient het zoeken naar een passende functie in fase 2 plaats te vinden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat, omdat eiser in tegenstelling tot de collega de aangeboden functie heeft aanvaard en in bezwaar heeft aangevoerd dat hij als functievolger op een andere functie geplaatst diende te worden. Bij eiser is de vraag in geding of het eerste aanbod de toets van de plaatsingsregels kan doorstaan, terwijl bij de collega deze vraag niet langer meer aan de orde is omdat deze het eerste aanbod niet heeft aanvaard als gevolg waarvan voor deze een andere passende functie diende te worden gezocht.

Dit heeft voor de collega geleid tot een tweede aanbod, zodat geen sprake is van een gelijk geval.

3.2.3.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser, reeds omdat geen volledig onderzoek is gedaan naar een passende functie op horizontaal niveau binnen het eigen team, de functie van tweede voorkeur zou moeten worden geweigerd.

Verweerder heeft bij brief van 1 december 2015 aan eiser te kennen gegeven dat de functie van eisers tweede voorkeur een passende functie is. Dat verweerder niet heeft onderzocht of voor eiser een passende functie op horizontaal niveau in de eigen functie beschikbaar is, dient voor verweerders rekening te komen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom de functie van [functie 3] (schaal 9) niet ook aan eiser is aangeboden, nu dit kennelijk een passende functie is.

3.2.4.

De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Het standpunt van verweerder dat eisers situatie niet gelijk is aan die van [collega A] , omdat eiser zijn eerste aanbod heeft aanvaard, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Eiser heeft immers bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit waarin hij is geplaatst in de functie van [functie 1] die voorkomt in [formatie 1] te [plaats] , zodat hierin geen relevant onderscheid is gelegen.

Voor het overige is eisers situatie gelijk aan die van collega [collega A] . Ten tijde van het besluit op bezwaar was een van de functies [functie 2] , gewaardeerd op schaal 10, die voorkomt in [formatie 2] te [plaats] nog beschikbaar. Eiser heeft in het beroepschrift verzocht deze functie nog niet te vullen. Dat inmiddels op deze functie een andere medewerker is geplaatst kan eiser niet worden tegengeworpen.

4. Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat eiser met ingang van 1 oktober 2016 wordt geplaatst in de functie van [functie 2] , gewaardeerd op schaal 10, die voorkomt in de formatie van [formatie 2] , te [plaats] . De rechtbank hanteert de ingangsdatum 1 oktober 2016 en niet de door eiser voorgestane ingangsdatum van 1 juli 2016, omdat eiser indien hij gelijk zou zijn behandeld als [collega A] , eerst een functie zou hebben geweigerd. De rechtbank heeft daarom als ingangsdatum gehanteerd de datum met ingang waarvan [collega A] is geplaatst.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, bepaalt dat eiser met ingang van 1 oktober 2016 wordt geplaatst in de functie van [functie 2] , gewaardeerd op schaal 10, die voorkomt in de formatie van [formatie 2] , te [plaats] en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.