Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12718

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
17/10377
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Intrekking vv reg, aanvraag wijziging bep in 'niet tijdelijk humanitaire gronden', huiselijk geweld, 8 EVRM, schending hoorplicht, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/10377

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter,

[naam 2] ,

gezamenlijk: eiseressen,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 april 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig N. Faes-Matsko, tolk in de Russische taal, mevrouw Beeuwkes, maatschappelijk werkster bij het Leger des Heils en de heer [naam 3] .

Overwegingen

1. Eiseressen, geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] , zijn burger van Oekraïne. Op 4 november 2014 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam 4] ”, geldig tot 4 november 2019. Aan haar dochter [naam 2] is een van eiseres afhankelijk verblijfsrecht verleend. Op 2 mei 2016 heeft de echtgenoot van eiseres gemeld dat hun relatie is verbroken. Op 18 mei 2016 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend voor wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning in de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld door toedoen van haar echtgenoot.

Bij primaire besluit van 5 oktober 2016 heeft verweerder de aan eiseressen verleende verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken per 2 mei 2016 omdat niet meer voldaan wordt aan de beperkingen waaronder de vergunning zijn verleend. Daarnaast heeft verweerder bij dit besluit de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning afgewezen omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van huiselijk geweld dat geleid heeft tot verbreking van de relatie. Eiseres voldoet derhalve niet aan het beleid ter zake huiselijk geweld, zoals uitgewerkt in hoofdstuk B9, paragrafen 8.6, 11 en 18 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft in het kader van de afwijzing van de aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning het volgende overwogen. Uit de door eiseres in bezwaar overgelegde mutatierapporten van de politie van respectievelijk 30 maart 2015, 18 december 2015, 28 april 2016 en 1 mei 2016 blijkt niet dat bij de politie aannemelijk is gemaakt dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Uit het door eiseres in bezwaar overgelegde verslag van Veilig Thuis Zeeland van 20 oktober 2016, een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: verslag Veilig Thuis), blijkt volgens verweerder niet dat sprake is geweest van huiselijk geweld. Er worden wel meldingen genoemd van huiselijk geweld bij de politie, maar de politie heeft huiselijk geweld niet aannemelijk geacht. De door eiseres in bezwaar ingebrachte e-mails van de familie [naam 3] van 20 en 26 oktober 2016 betreffen geen stukken uit objectieve bron en kunnen daarom niet dienen als bewijs dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft tot slot overwogen dat de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de dochter van eiseres niet leidt niet tot schending van haar recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij met de in bezwaar ingebrachte stukken wel degelijk heeft aangetoond dat sprake is geweest van huiselijk geweld dat geleid heeft tot verbreking van haar relatie. Anders dan verweerder heeft gesteld, blijkt uit het overgelegde verslag van Veilig Thuis dat huiselijk geweld door de politie wordt onderschreven. Onder het kopje ‘Bevindingen politie’ wordt immers vermeld:: “In [plaats] zijn er meldingen geweest van huiselijk geweld. Geen letsel maar verbaal geweld. [naam 2] is hiervan getuige.” Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning van haar dochter in strijd is met haar recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Diverse hulpverlenende instanties zijn betrokken bij haar dochter en bij uitzetting naar Oekraïne zal deze hulpverlening in het gedrang komen. In het kader van de belangenafweging is onvoldoende gewicht aan haar belangen toegekend. Tot slot is verweerder voorbij gegaan aan de hoorplicht in bezwaar.

4. De rechtbank ziet aanleiding om eerst het betoog van eiseres dat de hoorplicht is geschonden te beoordelen. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen van het horen afzien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is alleen sprake als, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen eiseres in eerste instantie heeft aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval niet van het horen mogen afzien. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Uit het in bezwaar overgelegde verslag van Veilig Thuis blijkt dat op 20 oktober 2016 een gesprek op het gemeentehuis heeft plaatsgevonden met diverse hulpverlenende instanties, waaronder de politie, om te praten over de instabiele thuissituatie van [naam 2] . De rechtbank is met eiseres van oordeel van uit de verslag, zoals hierboven letterlijk weergegeven, kan worden afgeleid dat politie tijdens dat gesprek heeft bevestigd dat sprake is van huiselijk geweld in de vorm van verbaal geweld. Het standpunt van verweerder in het verweerschrift van 17 juli 2017 dat de politiemutaties in het verslag onjuist zijn weergegeven, nu de politie de meldingen van ruzies niet als huiselijk geweld heeft gekwalificeerd, volgt de rechtbank niet. Het verslag van Veilig Thuis betreft immers een weergave van de bevindingen van de politie die bij het gesprek op 20 oktober 2016 aanwezig was. Bij gerezen twijfel over de laatste bevindingen van de politie en over de juiste kwalificatie had het in de rede gelegen om hierover tijdens een hoorzitting meer duidelijkheid te krijgen. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat eiseres in bezwaar verklaringen van de heer en mevrouw [naam 3] - die ook bij het gesprek op 20 oktober 2016 aanwezig waren - heeft ingebracht, waaruit blijkt dat zij op basis van eigen waarneming hebben verklaard over het verbaal agressief gedrag van de echtgenoot van eiseres. Het feit dat deze verklaringen niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij niet kunnen dienen als steunbewijs voor het aannemelijk maken van huiselijk geweld.

6. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat verweerder bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM rekening heeft gehouden met de in bezwaar ingebrachte informatie waaruit blijkt dat meerdere hulpverlenende instanties bezig zijn met de dochter van eiseres. Verweerder had derhalve moeten beoordelen in hoeverre deze hulpverlening door de intrekking van haar verblijfsvergunning wordt belemmerd. Om de belangen van haar dochter in dit verband goed in kaart te brengen, was er naar het oordeel van de rechtbank ook alle aanleiding om eiseres te horen in bezwaar.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuwe besluit nemen en eiseres daaraan voorgaand uitnodigen voor een hoorzitting.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.A.B. Koens. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2017

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.