Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12709

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
C-09-539862-KG ZA 17-1262
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot staking tenuitvoerlegging vervangende hechtenis in kader van schadevergoedingsmaatregel onder voorwaarde dat wordt voldaan aan betalingsregeling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/539862 / KG ZA 17-1262

Vonnis in kort geding van 3 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. F. Bogaerts te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Lekkerkerker te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brieven van de Staat van 12 en 19 oktober 2017, met producties;

- de op 27 oktober 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 mei 2015 is [eiser] veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, wegens valsheid in geschrift en diefstal. Daarnaast is aan [eiser] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 66.605,01, bij niet-betaling te vervangen door 340 dagen hechtenis.

2.2.

De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau ('CJIB').

2.3.

[eiser] heeft tot op heden niet voldaan aan de schadevergoedingsmaatregel. In dat verband staat thans - inclusief wettelijke verhogingen - een bedrag van € 92.522,81 open.

2.4.

Het CJIB heeft [eiser] verschillende keren aangeschreven en aangemaand om tot betaling over te gaan.

2.5.

Op 8 mei 2017 heeft [eiser] verzocht om een betalingsregeling van € 50,-- per maand. Het CJIB heeft dat verzoek op 22 mei 2017 afgewezen, omdat het volledige bedrag binnen 36 maanden moet zijn voldaan, wat niet realiseerbaar is voor [eiser] .

2.6.

Op 10 augustus 2017 is jegens [eiser] een arrestatiebevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden vervangende hechtenis.

2.7.

Op 11 augustus 2017 heeft de financieel begeleider van [eiser] aan het CJIB gevraagd om een oplossing voor de situatie ten aanzien van [eiser] . Hierop heeft het CJIB - op 17 augustus 2017 - aangegeven dat geen betalingsregeling meer kan worden getroffen omdat inmiddels een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Daaraan voegt het CJIB nog toe dat [eiser] - voor zover een betalingsregeling zou worden toegestaan die loopt tot aan het einde van de van toepassing zijnde executieverjaringstermijn - een bedrag van € 551,-- per maand zou moeten worden voldaan, wat voor [eiser] niet haalbaar is.

2.8.

[eiser] is vanaf 17 augustus 2017 gedetineerd in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te veroordelen hem in vrijheid te stellen en de executie van de vervangende hechtenis te staken en gestaakt te houden, onder de voorwaarde dat hij voldoet aan een betalingsregeling van € 160,-- per maand gedurende 36 maanden, waarna hij een nieuw betalingsvoorstel zal doen.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Ten tijde van het plegen van de delicten ter zake waarvan het onder 2.1 vermelde strafvonnis is gewezen, was ten aanzien van [eiser] sprake van een drank- en gokverslaving. Nadien is hij dakloos geraakt en failliet verklaard, welk faillissement inmiddels is opgeheven wegens gebrek aan baten. [eiser] heeft hulp gezocht voor de begeleiding voor het oplossen van zijn problemen en heeft die ook gevonden bij verschillende instanties. Op dit moment heeft [eiser] zijn leven weer op de rit. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis heeft daarop echter een ontwrichtend effect. De Staat handelt onrechtmatig door over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis en had [eiser] een betalingsregeling moeten toestaan, waarbij - rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van [eiser] - maatwerk had moeten worden geleverd. Het CJIB heeft dit nagelaten. [eiser] is op dit moment bereid en in staat om maximaal € 160,-- per maand te voldoen. Hem moet dan ook een regeling worden aangeboden waarbij hij dat bedrag gedurende 36 maanden betaalt. Daarna zal moeten worden bekeken of een ander/hoger bedrag mogelijk is.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] grondt zijn vordering op onrechtmatig handelen van de Staat (lees: het CJIB). Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

4.2.

In het wettelijke stelsel ligt besloten dat een onherroepelijke, veroordelende beslissing van de strafrechter niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd en wel zo spoedig mogelijk. Dat geldt ook voor de executie van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat uitstel van betaling kan worden verleend, dan wel betaling in termijnen kan worden toegestaan.

4.3.

In opdracht van het Openbaar Ministerie is het CJIB belast met de executie van een schadevergoedingsmaatregel. De wijze waarop het CJIB dat tot 1 september 2017 deed is neergelegd in de zogenoemde "Aanwijzing executie" (hierna 'de Aanwijzing'), die kan worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. In de Aanwijzing is opgenomen dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft en dat alleen op grond van bijzondere omstandigheden een verzoek daartoe kan worden gehonoreerd. De termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd is in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot hoogstens 36 maanden, doch alleen indien binnen de afgesproken termijn betaling van de gehele vordering aannemelijk is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van de maximale termijn van 36 maanden worden afgeweken. In dat geval wordt maatwerk toegepast in het individuele geval, maar ook dan moet de regeling er wel toe leiden dat het (totaal) verschuldigde bedrag binnen een redelijke termijn volledig wordt voldaan. Verder is van belang dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in beginsel niet in behandeling wordt genomen indien reeds een (waarschuwing) arrestatiebevel is uitgevaardigd. Aan het CJIB is een ruime beleidsvrijheid toegekend, wat meebrengt dat de beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kunnen worden getoetst in een procedure als de onderhavige.

4.4.

Voor betalingsregelingen die vanaf 1 september 2017 worden afgesproken is - ingevolge de (thans geldende) Aanwijzing - het beleid vastgelegd in een bij het CJIB ondergebracht beleidskader (hierna 'het Beleidskader'). Op grond hiervan moet onder andere worden voldaan aan onderstaande voorwaarden om voor een betalingsregeling in aanmerking te komen:

(i) de regeling moet leiden tot volledige betaling;

(ii) het CJIB mag nog geen dwangmiddel hebben ingezet.

4.5.

Het voorgaande betekent dat voor de beslissing in het onderhavige geschil van belang is het antwoord op de vraag of het CJIB tot 1 september 2017 heeft gehandeld overeenkomstig de Aanwijzing en vanaf 1 september 2017 met inachtneming van het Beleidskader. Op zichzelf verschillen partijen daarover ook niet van mening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het CJIB ten aanzien van [eiser] daaraan volledig voldaan. Daarvoor is het volgende van belang.

4.6.

Bezien in het licht van het voorgaande heeft het CJIB het verzoek van [eiser] van 8 mei 2017 om het door hem verschuldigde bedrag in termijnen van € 50,-- per maand te mogen voldoen op goede gronden afgewezen. De looptijd van die regeling zou uitkomen op ruim 154 jaren, wat niet kan worden beschouwd als een redelijke termijn voor de volledige voldoening in de zin van de Aanwijzing. Voor zover de financieel begeleider van [eiser] met zijn verzoek van 11 augustus 2017 heeft beoogd alsnog een betalingsregeling tot stand te brengen, behoefde het CJIB daarop niet in te gaan, nu op 10 augustus 2017 al een arrestatiebevel jegens [eiser] was uitgevaardigd.

4.7.

Door middel van zijn vordering wenst [eiser] te bewerkstelligen dat hem alsnog een (tijdelijke) betalingsregeling wordt toegestaan van € 160,-- per maand. Niet kan worden aangenomen dat het CJIB onrechtmatig handelt, dan wel handelt in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, door daarmee niet in te stemmen. Ingevolge het Beleidskader is immers geen plaats meer voor een betalingsregeling indien al een dwangmiddel is ingezet. Dat is hier het geval nu [eiser] al vanaf 17 augustus 2017 is gedetineerd. Overigens moet ervan worden uitgegaan dat het huidige voorstel van [eiser] evenmin voldoet aan de andere hiervoor - onder 4.4 sub (i) - vermelde voorwaarde. Afgezet tegen het openstaande bedrag, heeft een betalingsregeling van € 160,-- per maand een looptijd van ruim 48 jaar. Daarmee wordt de executieverjaringstermijn - na het verstrijken waarvan het vonnis van 28 mei 2015 niet meer kan worden geëxecuteerd - ruimschoots overschreden. Dit brengt mee dat [eiser] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij onder het 'nieuwe' beleid wel in aanmerking zou zijn gekomen voor een betalingsregeling die past bij zijn draagkracht.

4.8.

Voor zover [eiser] zich heeft beroepen op zijn persoonlijke omstandigheden, die - volgens hem - in de weg zouden moeten staan aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, moet daaraan worden voorbijgegaan. De regeling omtrent de schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in artikel 36f van het Wetboek van strafrecht. Deze regeling behelst onder meer dat vervangende hechtenis wordt bepaald voor het geval geen of onvolledige betaling of verhaal plaatsvindt. Hieruit volgt reeds dat de hechtenis ook ten uitvoer wordt gelegd in situaties waarin de veroordeelde niet aan de maatregel kan voldoen. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat zulks door de wetgever onder ogen is gezien (zie o.a. ook RHR 20 juni 2000, NJ 2000, 634). Ingevolge vaste rechtspraak vormt betalingsonmacht dan ook geen deugdelijke grond voor het afzien van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, dan wel het toestaan van een betalingsregeling waarbij het volledige schadebedrag niet wordt voldaan binnen de uit de Aanwijzing en het Beleidskader voortvloeiende grenzen. Daar komt bij dat de hoogte van de door de strafrechter opgelegde schadevergoedingsmaatregel is gebaseerd op de door het slachtoffer geleden schade, zonder daarbij rekening te houden met de draagkracht van de veroordeelde. Dit betekent dat soms relatief hoge schadevergoedingsmaatregelen worden opgelegd aan veroordeelden met een (zeer) beperkte aflossingscapaciteit, in welke gevallen de dreiging met vervangende hechtenis niet tot snellere betaling leidt. Dat de vervangende hechtenis daarmee in feite neerkomt op een strafoplegging in plaats van een drukmiddel om tot betaling over te gaan, maakt de tenuitvoerlegging evenwel niet onrechtmatig (ECLI:NL:RBSGR:2010: BM2771). Voorts is van belang dat aan detentie inherent is dat zij ingrijpende gevolgen heeft voor het persoonlijke leven van de veroordeelde. Dat maakt echter nog niet dat tenuitvoerlegging van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden vervangende hechtenis onrechtmatig is. Tot slot wordt - met het oog op de tijdelijkheid van de door [eiser] voorgestelde regeling - opgemerkt dat van het CJIB niet kan worden verlangd dat het rekening houdt met (zeer) onzekere toekomstverwachtingen met betrekking tot de verdiencapaciteiten van [eiser] .

4.9.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.10.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.

jvl