Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
C-09-534885-KG ZA 17-857
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitlevering Griek aan de Russische Federatie. Geen schending van artikel 3 EVRM en ook niet van de artikelen 18 en 21 VWEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/534885 / KG ZA 17-857

Vonnis in kort geding van 2 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. B. Stapert te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brieven van de Staat van 17 en 18 oktober 2017, met producties;

- de op 19 oktober 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd;

- de brief van de Staat van 20 oktober 2017;

- de brief van [eiser] van 23 oktober 2017.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] , alias [A] , heeft (in ieder geval) de Griekse nationaliteit.

2.2.

Bij uitspraak van de Arrondissementsrechtbank voor het Arrondissement van Krasnogvardeisky van 23 september 2011 te Sint Petersburg (Russische Federatie) is [eiser] veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf van vijf jaar en zes maanden - kort gezegd - wegens invoer van drugs. In de uitspraak is opgenomen dat [eiser] in het kader van de uitvoering van de opgelegde straf zal worden gedetineerd in [… 1] . De uitspraak is op 3 april 2012 bekrachtigd door de cassatierechter te Sint Petersburg.

2.3.

Bij nota van 25 februari 2016 hebben de autoriteiten van de Russische Federatie aan de Nederlandse autoriteiten de uitlevering van [eiser] verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van de hiervoor aan [eiser] opgelegde straf.

2.4.

Sinds zijn aanhouding in februari 2016 bevindt [eiser] zich in uitleveringsdetentie.

2.5.

Bij uitspraak van 3 juni 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. Gelijktijdig adviseert de voorzitter van de betreffende strafkamer aan de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') om aan het verzoek om uitlevering gevolg te geven, met dien verstande dat aandacht wordt gevraagd voor - onder meer - de detentieomstandigheden in de Russische Federatie en voor de vraag van [eiser] om zijn straf te mogen uitzitten in Griekenland.

2.6.

Tegen de uitspraak van 3 juni 2016 is geen beroep in cassatie ingesteld.

2.7.

Bij e-mailbericht van 22 maart 2017 heeft de Staat het volgende bericht aan de Griekse autoriteiten:

"The Russian Federation has asked the Netherlands for the extradition of [A] because he is convicted to a sentence of over 5 years for - in short - drugs dealing.

The European Court of Justice has decided on September 6, 2016 in the Petruhhin case, that if a third country asks for the extradition of a citizen from another EU country, that EU country has to be informed about the possibility to draft a European Arrest Warrant. Since [A] is an Greek citizen, I am hereby informing you. If Greece wants to draft a European Arrest Warrant for the offences that are listed in the extradition request of the Russian Federation, then please inform me.

[A] is in extradition detention. I ask that you inform me at the latest on 30 March whether or not you will file an European Arrest Warrant. Please send me a confirmation of this e-mail_. _ If you want more information, please feel free to mail or call me."

2.8.

In reactie daarop hebben de Griekse autoriteiten uiteindelijk - bij e-mailbericht van 29 mei 2017 - het volgende bericht aan de Staat:

"We were advised that the Public Prosecutor does not intend to file a European Arrest Warrant against the above mentioned individual. Thank you very much for your assistance in this matter."

2.9.

Bij beschikking van 10 juli 2017 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan de Russische Federatie toegestaan. Nadat was gebleken dat in die beschikking is uitgegaan van een andere penitentiaire inrichting dan de autoriteiten van de Russische Federatie hebben bedoeld in de uitleveringsstukken, heeft de Minister op 3 augustus 2017 navraag gedaan naar de detentieomstandigheden in laatstbedoelde inrichting, dan wel in de inrichting waarin [eiser] zal worden gedetineerd.

2.10.

Bij brief, met bijlagen, van 22 augustus 2017 hebben de autoriteiten van de Russische Federatie aangegeven dat [eiser] in eerste instantie zal worden gedetineerd in [… 2] in de regio [regio] en vervolgens - binnen tien dagen na de uitreiking van het onherroepelijke strafvonnis - in [… 3] in de regio [regio] .

2.11.

Vervolgens heeft de Minister - bij beschikking van 31 augustus 2017 en onder vervallenverklaring van zijn beschikking van 10 juli 2017 - de uitlevering van [eiser] (andermaal) toegestaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert de Staat te bevelen hem niet uit te leveren aan de Russische Federatie.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - verkort weergegeven - aan dat zijn, op grond van de beschikking van de Minister van 31 augustus 2017, voorgenomen uitlevering aan de Russische Federatie een (flagrante) schending van zijn rechten, voortvloeiend uit (i) artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM') en (ii) de artikelen 18 en 21 van het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie ('VWEU'), meebrengen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

[eiser] grondt zijn vordering jegens de Staat op onrechtmatig handelen. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

4.2.

Zoals uit hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen blijkt, spelen in het onderhavige geschil twee kwesties. Deze zullen hierna - telkens afzonderlijk - worden besproken.

Artikel 3 EVRM

4.3.

Volgens [eiser] wordt door zijn uitlevering artikel 3 EVRM (flagrant) geschonden, aangezien de gevangenisomstandigheden in de Russische Federatie onmenselijk zijn. In dat verband wijst [eiser] er - onder meer - op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM') heeft geoordeeld dat de detentieomstandigheden in de Russische Federatie niet deugen, alsmede dat in de gevangenissen aldaar sprake is van chronische overbevolking, marteling, gebrek aan hygiëne en adequate medische zorg. In de situatie van [eiser] klemt dat te meer nu in de - onder 2.2 vermelde en nadien bekrachtigde - uitspraak van 23 september 2011 is opgenomen dat hij in het kader van de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde straf zal worden gedetineerd in [… 1] , ten aanzien waarvan het EHRM al in verschillende zaken heeft geoordeeld dat een verblijf in die inrichting een schending van artikel 3 EVRM meebrengt.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat indien zowel de verzoekende staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen, welk vertrouwen tevens meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat.

4.5.

Voor wat betreft het bepaalde in artikel 3 EVRM betekent het voorgaande dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren, indien er gegronde redenen ("substantial grounds") zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar ("a real risk") loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (zie o.a. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990, 158) en voorts wanneer naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Doet zo’n situatie zich voor dan kan niet worden volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel.

4.6.

De Russische Federatie is partij bij het EVRM en uit die hoofde gehouden toe te zien op naleving van de verdragsbepalingen. Dat brengt mee dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de Russische Federatie de desbetreffende verdragsbepalingen zal eerbiedigen. Bij de vraag of er een reëel risico is op schending van een artikel van het EVRM, dienen de door de Minister verkregen garanties van de Russische Federatie, waarop voormeld vertrouwensbeginsel ook van toepassing is, in de beoordeling te worden betrokken.

4.7.

Uitgaande van het vorenstaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [eiser] na uitlevering aanvankelijk zal worden gedetineerd in [… 2] en vervolgens in [… 3] en niet in [… 1] , zoals aangegeven in de uitspraak van 23 september 2011. Er zijn geen aanwijzingen dat aan de in de onder 2.10 vermelde brief van 22 augustus 2017 verstrekte garantie dienaangaande geen gevolg zal worden gegeven. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat die garantie het bepaalde in de strafuitspraak niet kan opzijzetten, heeft hij die stelling - mede rekening houdend met het toepasselijke vertrouwensbeginsel - onvoldoende onderbouwd.

4.8.

Op grond van de door de autoriteiten van de Russische Federatie aangegeven detentieomstandigheden in [… 2] en [… 3] kan niet worden aangenomen dat de detentie van [eiser] in die inrichtingen een schending van artikel 3 EVRM meebrengen. [eiser] erkent dat op zichzelf ook. Volgens hem kan echter niet worden uitgegaan van de juistheid van die omstandigheden. Deze stelling onderbouwt hij in feite enkel door te verwijzen naar een tweetal uitspraken van Britse rechters inzake [X] en [Y] , waaruit volgens hem blijkt dat in de zaak betreffende [X] de feitelijke werkelijkheid voor wat betreft de detentieomstandigheden in [… 2] destijds werd gemanipuleerd. Hieraan moet echter worden voorbijgegaan. [eiser] heeft zich voor het eerst op de zitting beroepen op deze uitspraken (zonder deze in het geding te brengen), zodat de Staat daarop niet (behoorlijk) heeft kunnen reageren. Dit laatste klemt te meer nu uit de brief van [eiser] van 23 oktober 2017 blijkt dat het niet-gepubliceerde uitspraken betreft, wat tevens meebrengt dat (ook) de voorzieningenrechter niet kan beoordelen of de inhoud van die beslissingen van belang is voor de uitkomst van het onderhavige kort geding. Voorts is van belang dat in 2013 twee Nederlandse vertegenwoordigers van Greenpaece waren gedetineerd in [… 2] en dat uit hun ervaringen blijkt dat zich tijdens hun verblijf geen zodanige misstanden hebben voorgedaan dat sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. Dat de detentieomstandigheden in [… 2] ten aanzien van hen ook zouden zijn gemanipuleerd kan, zonder deugdelijke onderbouwing die [eiser] niet geeft, niet worden aangenomen. Daar komt bij dat de uitspraken waarop [eiser] zich beroept klaarblijkelijk (in eerste aanleg en/of enkelvoudig?) zijn gewezen door Britse rechters en niet door het EHRM, wat aan het belang ervan voor de onderhavige zaak afbreuk doet. Voor het overige zijn concrete bezwaren tegen beide inrichtingen gesteld noch gebleken. Een en ander betekent dat de Staat er op mag vertrouwen dat de door de Russische Federatie geschetste detentieomstandigheden in [… 2] en [… 3] juist zijn en dat van hem dienaangaande geen nader onderzoek mag worden verwacht.

4.9.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat - zoals de rechtbank Noord-Holland in haar uitspraak van 3 juni 2016 in feite ook al overwoog - er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat [eiser] , die zich in feite - behoudens voor wat betreft de omstandigheden in [… 1] en [… 2] - beroept op vrij algemene stellingen, in geval van uitlevering een reëel gevaar loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

4.10.

Voor zover [eiser] zich in het onderhavige verband ook nog heeft willen beroepen op een schending van artikel 13 EVRM, waar hij op pagina 5 van zijn pleitnota aanvoert: "Daarbij is bijna elke veroordeling van artikel 3 EVRM in de afgelopen jaren gepaard gegaan met een schending van artikel 13 EVRM. Met andere woorden: tegen een schending van het EVRM staat geen effectief rechtsmiddel open in Rusland.", moet daaraan reeds worden voorbijgegaan omdat die stelling niet (voldoende) nader is onderbouwd.

Artikelen 18 en 21 VWEU

4.11.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de artikelen 18 en 21 VWEU worden geschonden indien hij wordt uitgeleverd aan de Russische Federatie. In dat verband beroept hij zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie ('HvJEU') van 6 september 2016 inzake Petruhhin (ECLI:EU:C:2016:630). In dit arrest is - naar aanleiding van prejudiciële vragen van de hoogste rechter van Letland - onder meer het volgende beslist:

"Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)

De artikelen 18 en 21 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat, indien een derde land een lidstaat waarnaar een Unieburger die onderdaan is van een andere lidstaat, zich heeft begeven, om uitlevering verzoekt, en er tussen het derde land en de aangezochte lidstaat een uitleveringsverdrag bestaat, de aangezochte lidstaat de lidstaat waarvan deze onderdaan de nationaliteit heeft op de hoogte dient te brengen en deze onderdaan in voorkomend geval op verzoek van deze laatste lidstaat aan hem dient over te leveren overeenkomstig kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, op voorwaarde dat deze laatste lidstaat ingevolge zijn nationale recht bevoegd is om deze persoon te vervolgen voor buiten zijn nationale grondgebied gepleegde feiten."

Daartoe overwoog het HvJEU onder meer:

"48 In een zaak als die in het hoofdgeding dient aldus de voorkeur te worden gegeven aan de uitwisseling van informatie met de lidstaat waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft teneinde de autoriteiten van deze lidstaat, voor zover deze ingevolge het nationale recht bevoegd zijn om deze persoon voor buiten het nationale grondgebied gepleegde feiten te vervolgen, de mogelijkheid te geven om een Europees aanhoudingsbevel met het oog op rechtsvervolging uit te vaardigen. Artikel 1, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2002/584 sluit in een dergelijk geval immers niet uit dat de lidstaat waarvan de vermeende dader van een strafbaar feit de nationaliteit bezit, een Europees aanhoudingsbevel kan uitvaardigen tot overlevering van deze persoon met het oog op rechtsvervolging."

4.12.

Naar de mening van [eiser] heeft de Staat niet voldaan aan zijn verplichting die voortvloeit uit de beslissing van het HvJEU in het Petruhinn-arrest door op 22 maart 2017 aan de Griekse autoriteiten te vragen of zij ten aanzien van [eiser] een European Arrest Warrant, ofwel een Europees Aanhoudingsbevel ('EAB') wenst uit te vaardigen. Op dit verzoek kon alleen maar negatief worden gereageerd, zoals de Griekse autoriteiten ook hebben gedaan op 29 mei 2017. De uitlevering van [eiser] is immers niet verzocht met het oog op diens vervolging in de Russische Federatie, zodat een vervolgings-EAB niet aan de orde is, terwijl evenmin sprake is van een onherroepelijke veroordeling van [eiser] door een Griekse strafrechter, zodat ook geen executie-EAB kan worden uitgevaardigd, aldus [eiser] . Volgens hem had de Staat in die omstandigheden - op grond van het Petruhhin-arrest - aan de Griekse autoriteiten moeten vragen of zij bereid zijn aan de autoriteiten van de Russische Federatie te verzoeken om overname van de straf krachtens het Verdrag inzake de Overdracht van Gevonniste Personen. Nu dit is nagelaten worden ingeval van uitlevering van [eiser] de artikelen 18 en 21 VWEU geschonden.

4.13.

[eiser] kan daarin echter niet worden gevolgd. De strekking van het Petruhhin-arrest is dat de aangezochte lidstaat (in casu Nederland) de lidstaat van de betreffende onderdaan (in casu Griekenland) op de hoogte stelt van het uitleveringsverzoek van de verzoekende staat (in casu de Russische Federatie). Dit volgt niet alleen uit het dictum van het arrest, maar ook waar het HvJEU in randnummer 48 overweegt dat het gaat om de uitwisseling van informatie. Hieraan voldoet het onder 2.7. vermelde bericht van de Staat aan de Griekse autoriteiten van 22 maart 2017. Daarin wordt immers melding gemaakt van het uitleveringsverzoek van de Russische Federatie in verband met de veroordeling van [eiser] tot een vrijheidsbenemende straf van meer dan vijf jaar wegens drugshandel. Daar komt bij dat uit de door [eiser] - als productie 10 - overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de Staat en de Griekse autoriteiten blijkt dat de Griekse autoriteiten ook de beschikking hebben gekregen over het uitleveringsverzoek. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de Griekse autoriteiten aan de hand daarvan bekend waren met de specifieke omstandigheden van het geval en dus ook met het feit dat de uitlevering is verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan [eiser] opgelegde straf door een rechter van de Russische Federatie. Bovendien heeft de Staat op 22 maart 2017 uitdrukkelijk aangegeven dat het e-mailbericht wordt verstuurd naar aanleiding van het Petruhhin-arrest en dat [eiser] een Griekse onderdaan is.

4.14.

Daarmee heeft de Staat voldaan aan zijn uit het Petruhhin-arrest voortvloeiende verplichting. Dat de Staat in het e-mailbericht van 22 maart 2017 ook - al dan niet abusievelijk - vraagt of de Griekse autoriteiten ten aanzien van [eiser] een EAB wenst uit te vaardigen doet daaraan niet af. Aan zijn informatieplicht heeft de Staat immers voldaan, terwijl mag worden aangenomen dat de Griekse autoriteiten - nu zij over voldoende informatie beschikken - zelf kunnen bepalen welk 'instrument' zij moeten/kunnen inzetten om [eiser] naar Griekenland te laten terugkeren teneinde de uitlevering van [eiser] aan de Russische Federatie te voorkomen.

4.15.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat de Staat (nader) had moeten onderzoeken of Griekenland volgens zijn eigen recht rechtsmacht heeft en of het 'ne bis in idem-beginsel' niet wordt geschonden indien [eiser] in Griekenland opnieuw wordt vervolgd ter zake van de feiten waarvoor hij reeds is veroordeeld door een rechter van de Russische Federatie. Echter, niet kan worden aangenomen dat een dergelijke plicht rust op de Staat. Het ligt op de weg van de Griekse autoriteiten om die kwesties mee te wegen nadat zij waren geïnformeerd over het uitleveringsverzoek, terwijl [eiser] zich daarop ook zelf kan beroepen in een eventuele procedure in Griekenland.

Afronding

4.16.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.17.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

jvl