Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12703

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
AWB 15/20687, AWB 15/20688 en AWB 15/22620
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aan eiser verstrekte verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat is gebleken dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder desondanks dient af te zien van het intrekken van zijn verblijfsvergunning, omdat hij opnieuw in een vluchtsituatie terecht is gekomen.

Eiser en eiseres hebben daarnaast een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers bij terugkeer naar Oekraïne de bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen. Eisers komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Gelet hierop heeft verweerder in het aangevoerde terecht evenmin aanleiding gezien om af te zien van het intrekken van eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 15/20687, AWB 15/20688 en AWB 15/22620

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1962,

v-nummer [nummer] ,

eiser,

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1965,

v-nummer [nummer] ,

eiseres,

beide van Oekraïense nationaliteit,

tezamen eisers,

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 31 juli 1998 is aan eiser een vergunning tot verblijf zonder beperking verleend. Op 1 april 2001 is deze verblijfsvergunning van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft verweerder deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 12 december 2014 ingetrokken.

Op 23 november 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (zaak nr. AWB 15/20687).

Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 30 december 2014 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 23 november 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit (zaak nr. AWB 15/20688).

Bij besluit van 3 december 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 maart 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 21 december 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (zaak nr. AWB 15/22620).

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juli 2017. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiser heeft verklaard in de herfst van 2006 vanuit Nederland te zijn teruggekeerd naar Oekraïne om zijn zieke moeder bij te staan. Eiser heeft eiseres in 2010 in Oekraïne leren kennen en zij zijn vervolgens op 13 mei 2012 getrouwd. Eisers hebben in november 2014 Oekraïne verlaten. Eiser heeft van 2006 tot 2014 in Oekraïne gewoond.

AWB 15/20688 en 15/22620 – afwijzingen verblijfsvergunning asiel

3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.

Het asielrelaas van eisers bevat onder meer de volgende relevante elementen:

 eisers hebben de Oekraïense nationaliteit;

 vanaf 2013 verzorgde eiseres astrologische adviezen voor veel medewerkers van ultrarechtse partijen als Pravy Sektor (de Rechtse Sector) en Svoboda;

 op 30 mei 2014 sprak eiseres zich op een bijeenkomst van ultrarechtse partijen uit tegen deze partijen en weigerde ze hen verder met raad bij te staan;

 eind oktober/begin november 2014 vielen enkele personen behorend tot ultrarechtse partijen het kantoor van eiseres binnen en brachten vernielingen aan;

 eiseres deed van de vernielingen aangifte bij het Openbaar Ministerie (hierna: OM), waarna het OM met de daders in gesprek ging;

 eiseres heeft zich tevens gericht tot de politie, het hoofd administratie van de stad en haar kerkgemeenschap;

 enkele dagen later vielen weer personen haar kantoor binnen en sloegen haar;

 na de mishandeling op het kantoor van eiseres, hebben eisers Oekraïne verlaten.

Verweerder heeft alle relevante elementen geloofwaardig geacht. Volgens verweerder kunnen eisers echter niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en hebben zij evenmin aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Oekraïne een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eisers de bescherming van de autoriteiten van hun land van herkomst kunnen inroepen en dat zij zich elders in Oekraïne kunnen vestigen om zich aan moeilijkheden te onttrekken. Eisers komen derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000.

4. Hiermee kunnen eisers zich niet verenigen. Op hetgeen daartoe wordt aangevoerd wordt in het navolgende - voor zover van belang - ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het asielrelaas van eisers geloofwaardig is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eisers de bescherming van de Oekraïense autoriteiten kunnen inroepen.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eisers voor hun problemen niet de bescherming van de autoriteiten van Oekraïne kunnen inroepen.

Verweerder heeft terecht overwogen dat uit openbare bronnen blijkt dat in de gebieden van Oekraïne die onder controle van de regering staan het openbare leven normaal functioneert en dat de Oekraïense autoriteiten in algemene zin bereid en in staat zijn om op te treden tegen bedreiging of geweld van leden van ultrarechtse groeperingen. In de door eisers overgelegde artikelen bij de zienswijze heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om te concluderen dat de Oekraïense autoriteiten niet zouden willen of kunnen optreden tegen dreigingen vanuit ultrarechtse hoek. In de in beroep overgelegde artikelen ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een andere conclusie. Eisers hebben ter zitting desgevraagd toegelicht dat uit de overgelegde artikelen blijkt dat de Rechtse Sector verweven is met alle gelederen van de samenleving in Oekraïne en dat hun aanwezigheid in de laatste jaren is vergroot. Eisers hebben desgevraagd ter zitting niet kunnen specificeren uit welke artikelen deze verwevenheid blijkt en ook de rechtbank heeft in de overgelegde artikelen daar geen aanknopingspunten voor gevonden. De enkele omstandigheid dat de Rechtse Sector volgens eisers in alle gebieden in Oekraïne aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de Oekraïense autoriteiten eisers geen bescherming kunnen of willen bieden.

Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het vragen van bescherming voor hen gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos is. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eisers tevergeefs de bescherming van de Oekraïense autoriteiten hebben ingeroepen. Uit de verklaringen van eiseres kan niet worden geconcludeerd dat de (plaatselijke) Oekraïense autoriteiten de benodigde bescherming niet kunnen of willen bieden. Eiseres heeft immers aangifte kunnen doen van de vernielingen die in haar kantoor waren gepleegd (bladzijde 11 van het nader gehoor). Voorts is niet gebleken dat eisers zich ter bescherming tot andere (hogere) autoriteiten hebben gewend.

Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1913) dat de omstandigheid dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat, niet reeds met zich brengt dat in feite geen bescherming kan worden verkregen.

8. Nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers bij terugkeer naar Oekraïne de bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Derhalve kan de vraag of eisers zich elders in Oekraïne kunnen vestigen, onbesproken blijven.

9. Eisers hebben verzocht al hetgeen eerder is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op in is gegaan en eisers deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader hebben onderbouwd, kan deze enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eisers beoogde resultaat.

10. Derhalve zijn deze beroepen ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

AWB 15/20687 – intrekking verblijfvergunning onbepaalde tijd

11. Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft verweerder de aan eiser verstrekte verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken, omdat is gebleken dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland had.

12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst en dat verweerder derhalve bevoegd was om de aan hem verstrekte verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken.

13. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder desondanks dient af te zien van het intrekken van deze verblijfsvergunning, omdat hij gelet op het hiervoor besproken asielrelaas opnieuw in een vluchtsituatie terecht is gekomen. Nu verweerder zich gelet op het voorstaande terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van dit asielrelaas, heeft verweerder in het aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om af te zien van het intrekken van eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

14. Derhalve is ook het beroep in deze zaak ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzitter, mr. drs. J.H. van Breda en mr. dr. R. Ortlep, rechters, in tegenwoordigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).