Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 276
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Persooonsgebonden budget voor begeleiding. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de door verweerder vastgestelde zorgbehoefte van A. Dat de situatie van A.is verslechterd, zoals door eisers betoogd, is niet met medische stukken onderbouwd. Ten aanzien van het betoog van eisers dat zij vanwege hun medische problematiek nog steeds niet in staat zijn A.de gebruikelijke zorg te bieden, stelt de rechtbank vast dat verweerder rekening heeft gehouden met de medische problematiek van eisers en de daaruit voortvloeiende beperkingen om gebruikelijke zorg te kunnen leveren.

Wetsverwijzingen
Jeugdwet 8.1.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/276

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2017 op het beroep van

[eisers] , eisers, in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon 1], te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. M. Bathoorn),

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Poldermans).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers voor de periode van 1 mei 2015 tot 1 november 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) ten behoeve van hun minderjarige zoon [persoon 1] toegekend ter hoogte van € 1.404,- voor persoonlijke verzorging (PV) en individuele begeleiding (BG ind.) op grond van de Jeugdwet (Jw).

Bij besluit van 21 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en voornoemde periode waarvoor het pgb is verleend verlengd tot 1 april 2016. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Nadien zijn de gronden aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was aanwezig de oudste zoon van eisers, [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder waren tevens aanwezig [persoon 3] en [persoon 4] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [persoon 1] , geboren op [geboortedatum] 2001, heeft een matige verstandelijke beperking die gevolgen heeft voor zijn zelfredzaamheid. [persoon 1] beschikte tot 21 februari 2015 over een indicatie voor zorg op grond van van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgegeven door het Centrum indicatiestelling zorg (Ciz). Op basis van die indicatie ontving hij een pgb voor "persoonlijke verzorging" (klasse 2: 2-3.9 uur per week) en voor "begeleiding individueel" (klasse 2 ook voor 2-3.9 uur per week). Verweerder heeft voor zijn beoordeling of [persoon 1] in aanmerking komt voor jeugdhulp ingevolge de Jw in samenwerking met eisers een jeugdplan opgesteld. Volgens dat plan moet [persoon 1] bij veel zaken worden begeleid, ondersteund en gestimuleerd. Hij doet niets uit zichzelf. Daarnaast heeft [persoon 1] een slechte motoriek waardoor hij niet in staat is bepaalde handelingen goed uit te voeren. Hij is sociaal-emotioneel niet sterk en vindt het eng om alleen naar buiten te gaan en ook binnenshuis heeft hij, met name in het donker, bepaalde angsten. Hij legt moeilijk contact met andere kinderen. Eisers hebben zelf ook lichamelijke en psychische klachten. Het is voor hen daardoor moeilijker om de basiszorg, de begeleiding en de nodige aandacht aan [persoon 1] te geven. In het jeugdplan is vermeld dat de oudste zoon [persoon 2] daarom mantelzorg verleent aan zowel [persoon 1] als aan eisers. Naast voornoemd jeugdplan hebben eisers een bestedingsplan pgb-jeugd bij verweerder ingediend.


2. Verweerder heeft eisers bij het primaire besluit voor de periode van 1 mei 2015 tot 1 november 2015 een pgb ter grootte van € 1.404,- toegekend voor persoonlijke verzorging en individuele begeleiding op grond van de Jw. Dit besluit heeft verweerder – in afwijking van het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften (de Commissie) – na heroverweging gehandhaafd, met dien verstande dat de periode waarvoor het pgb is verleend is verlengd tot 1 april 2016.


3. Eisers hebben in beroep – samengevat – naar voren gebracht dat verweerder te weinig zorg heeft geïndiceerd. Voorheen ontvingen eisers op basis van de Ciz-indicatie een bijbehorend budget van € 9.000,- per jaar voor persoonlijke verzorging en individuele begeleiding ten behoeve van [persoon 1] . Het nu door verweerder toegekende budget voor [persoon 1] is, hoewel hierbij wordt uitgegaan van dezelfde zorgomvang, aanmerkelijk lager. Volgens eisers is onduidelijk hoe de indicatie voor persoonlijke verzorging en individuele begeleiding is opgebouwd. Eisers betwisten dat het kernteam met hen heeft gekeken naar een oplossing op maat voor [persoon 1] . Onduidelijk is ook in hoeverre het kernteam expertise heeft op het gebied van de medische problematiek die bij hem speelt. Er is geen contact opgenomen met de behandelend artsen. Dat achten eisers onzorgvuldig. Zeker nu eisers zelf ook medische beperkingen hebben en de problematiek van [persoon 1] is toegenomen. Het had volgens eisers daarom op verweerders weg gelegen om in ieder geval contact met de huisarts op te nemen. Verweerder heeft evenmin onderzocht of de situatie van [persoon 1] inmiddels is gewijzigd ten opzichte van de vorige indicatie. Dat had gelet op de heronderzoeksplicht, zoals opgenomen in artikel 8.1.3 van de Jw, volgens eisers wel gemoeten. Dit duidt ook op een onzorgvuldig onderzoek. Op het dringende advies van de Commissie om (met spoed) alsnog onderzoek te laten doen naar de omvang van de benodigde jeugdhulp, heeft verweerder volgens eisers ten onrechte geen actie ondernomen. Eisers zijn verder van mening dat de indicatie, met het oog op zijn chronische problematiek, minstens voor een jaar had moeten worden afgegeven. Nu loopt de verlengde termijn binnen een jaar af op 1 april 2016. Naast het feit dat het toegekende budget te laag is en eisers daardoor niet de zorg kunnen inkopen die [persoon 1] nodig heeft, hebben zij bezwaar tegen het hanteren van het minimumloon als tarief bij de vaststelling van dat budget.


4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.


4.1 Op 1 januari 2015 is de Jw van kracht geworden. Sindsdien is het college van burgemeester en wethouders van de woongemeente van de belanghebbende verantwoordelijk voor het treffen van voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening. Eén van de uitgangspunten van de Jw is eigen kracht in het jeugdbeleid waarbij participatie, de zelfredzaamheid en wat de jeugdige en de ouders zelf kunnen om het probleem op te lossen, voorop staan. Daarnaast is verweerder verantwoordelijk voor de indicatiestelling.


4.2 De raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft in overeenstemming met de Jw de Verordening jeugdhulp Pijnacker-Nootdorp 2015 (de Verordening) vastgesteld, die op 1 januari 2015 in werking is getreden. Daarnaast heeft verweerder de Beleidsregels Jeugdhulp Pijnacker-Nootdorp 2015 (de Beleidsregels) vastgesteld, die eveneens op 1 januari 2015 in werking zijn getreden. Deze regelgeving heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.


4.3 Voor een overzicht van de relevante bepalingen uit de Jw, de Verordening en Beleidsregels verwijst de rechtbank naar het bestreden besluit, waar die bepalingen zijn geciteerd.


4.4 Eisers ontvangen een pgb op grond van de Jw en kopen daarvoor jeugdzorg (PV en BG ind.) in ten behoeve van [persoon 1] bij de oudste zoon [persoon 2] . Tussen partijen is in geschil of verweerder in het kader van zijn besluitvorming voldoende en zorgvuldig onderzoek naar de jeugdhulpbehoefte van [persoon 1] heeft verricht. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat hij de oude Ciz-indicatie als vertrekpunt heeft genomen en deze in het kader van de Jw ongewijzigd heeft voortgezet, zij het dat voor de vaststelling van de hoogte van het pgb een lager uurtarief is gebruikt dan voorheen onder de AWBZ het geval was.


4.5 De rechtbank is gelet op de dossierstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerder voldoende en zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de behoefte aan jeugdhulp van [persoon 1] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder samen met eisers door het kernteam een jeugdplan heeft laten opstellen, waarin de problemen en behoeften van [persoon 1] in kaart zijn gebracht en nadere afspraken zijn vastgelegd. Eiser [eiser] heeft dit jeugdplan ondertekend. De gemaakte afspraken in het jeugdplan berusten op informatie van broer en zorgverlener [persoon 2] , alsmede op de uitkomst van een psychologisch onderzoek door Ipse de Bruggen ('t Kraaienest). De zorgbehoefte zoals opgenomen in het jeugdplan komt voorts overeen met de benodigde soort zorg zoals die blijkt uit het door eisers ingeleverde dagschema. Verder heeft verweerder de informatie uit het door eisers ingeleverde bestedingsplan meegewogen, waarin staat vermeld dat zij een pgb van € 216,- per maand (uitgaande van een uurtarief van € 9,-) aan een hulpverlener willen gaan besteden.

4.6

Het betoog van eisers dat de opsteller van het jeugdplan L. Klijn mogelijk onvoldoende expertise zou hebben ten aanzien van de medische problematiek van [persoon 1] , treft geen doel. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor de indicatiestelling in het kader van de Jw met meerdere kernteams wordt gewerkt. Die teams bestaan uit medewerkers met een relevante hoger beroepsopleiding en volgens verweerder beschikt L. Klijn over dat opleidingsniveau. Daarnaast heeft zij werkervaring bij een organisatie die zich bezig houdt met mensen met een beperking, zoals die van [persoon 1] , en staat zij ingeschreven bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ-register). De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan de deskundigheid van L. Klijn te twijfelen voor het vaststellen van de jeugdhulpbehoefte van [persoon 1] .

4.7

Dat verweerder, zoals door eisers is betoogd, de behandelend artsen van [persoon 1] alsmede zijn huisarts niet heeft geraadpleegd, maakt het voorgaande niet anders. Daarbij betrekt de rechtbank dat hiertoe geen noodzaak bestond, nu reeds voldoende medische informatie voorhanden was en bovendien tussen partijen geen verschil van inzicht bestond over de medische beperkingen van [persoon 1] .

4.8

Dat verweerder bij de heroverweging in bezwaar – en in afwijking van het advies van de Commissie – geen nader onderzoek heeft gedaan naar de omvang van de benodigde jeugdhulp voor [persoon 1] , maakt het voorgaande evenmin anders. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet dat de hulpbehoefte van [persoon 1] en de situatie van het gezin van eisers reeds voldoende in kaart waren gebracht en dat daarom geen aanleiding bestond voor nader onderzoek.

4.9

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in voldoende mate en op zorgvuldige wijze onderzoek gedaan naar de jeugdhulpbehoefte van [persoon 1] . De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om aan te sluiten bij de zorgbehoefte van [persoon 1] zoals eerder vastgesteld bij de AWBZ-indicatie die gold tot 21 februari 2015, en de daaruit volgende indicatie (PV en BG ind. van ieder gemiddeld 3 uur per week) ongewijzigd voort te zetten. Die indicatie berust op de hoeveelheid zorg die ouders bovenop de gebruikelijke zorg aan hun kind moeten leveren. Het Ciz heeft destijds rekening gehouden met de sociale redzaamheid van [persoon 1] , zijn gedrag en persoonlijke zorgbehoefte.

4.10

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de door verweerder vastgestelde zorgbehoefte van [persoon 1] . Dat de situatie van [persoon 1] is verslechterd, zoals door eisers betoogd, is niet met medische stukken onderbouwd. Ten aanzien van het betoog van eisers dat zij vanwege hun medische problematiek nog steeds niet in staat zijn [persoon 1] de gebruikelijke zorg te bieden, stelt de rechtbank vast dat verweerder rekening heeft gehouden met de medische problematiek van eisers en de daaruit voortvloeiende beperkingen om gebruikelijke zorg te kunnen leveren. Zoals ook volgt uit het jeugdplan hebben eisers beiden lichamelijke en psychische klachten. Hierdoor verlopen huishoudelijke taken moeizaam en kunnen zij [persoon 1] niet optimaal begeleiden. Eisers ontvangen hiervoor inmiddels voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van hulp in de huishouding en begeleiding. Of eisers hierdoor ook daadwerkelijk meer ruimte en energie hebben gekregen om gebruikelijke zorg aan [persoon 1] te kunnen leveren, is echter tot op heden niet duidelijk geworden, nu niet is getoetst of de verleende Wmo-hulp adequaat is. Verweerders bedoeling om de oudste broer [persoon 2] , die tot op heden feitelijk alle zorg aan [persoon 1] verleent, door deze Wmo-voorzieningen te ontlasten lijkt daarmee vooralsnog niet uit de verf te komen. Het verlenen van zorg aan [persoon 1] blijft daarmee voorlopig rusten op de schouders van [persoon 2] . Eisers hebben ervoor gekozen de jeugdhulp van hem in te kopen. Net als voorheen onder de AWBZ zouden eisers met het toegekende pgb in staat moeten zijn de zorg door [persoon 2] in te kunnen kopen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de omvang van de benodigde jeugdhulp onjuist heeft vastgesteld. Er zijn geen (medische) stukken ingebracht op basis waarvan de rechtbank zou kunnen concluderen dat de behoefte van [persoon 1] aan jeugdhulp groter is dan het Ciz voorheen onder de werking van de AWBZ heeft vastgesteld, en verweerder onder de Jw heeft vastgesteld en voortgezet. Dit geldt temeer nu die indicatie grotendeels tot stand is gekomen aan de hand van door eisers zelf aan verweerder verschafte informatie. De beroepsgrond van eisers, dat het toegekende pgb gelet op de zorgomvang niet toereikend is, treft daarom geen doel.

4.11

Het betoog van eisers, dat verweerder in het kader van de heronderzoeksplicht van artikel 8.1.3 van de Jw had moeten onderzoeken of de zorgbehoefte van [persoon 1] ten opzichte van de vorige indicatie was gewijzigd, treft evenmin doel. Ingevolge artikel 8.1.3 van de Jw onderzoekt verweerder periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget te heroverwegen. De rechtbank leidt uit de tekst van dit artikel en de Memorie van Toelichting hierbij (TK 2012-2013, 33684, 3) af dat de heroverweging ziet op de beslissing de jeugdhulp in de vorm van een pgb te verstrekken in plaats van een voorziening in natura. Nog daargelaten dat verweerder de zorgbehoefte van [persoon 1] in het onderhavige geval voldoende zorgvuldig in kaart heeft gebracht, schrijft voornoemd artikel verweerder dus niet voor dat hij periodiek opnieuw de omvang van de behoefte aan jeugdhulp tegen het licht houdt, alleen maar de vorm waarin die jeugdhulp wordt verstrekt.

4.12

Met betrekking tot het door verweerder gehanteerde uurtarief, overweegt de rechtbank het volgende.

4.12.1

Ingevolge artikel 2.9, aanhef en onder c, van de Jw in samenhang gelezen met artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening kan verweerder nadere regels stellen over het pgb. Verweerder heeft deze nadere regels vastgesteld in de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Pijnacker-Nootdorp 2015 (de Nadere regels).

4.12.2

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening heeft verweerder in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die hij hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, in ieder geval rekening gehouden met:
a. de aard en omvang van te verrichten taken;
b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
e. kosten voor bijscholing van het personeel.

4.12.3

Verweerder heeft in de Nadere regels onderscheid gemaakt tussen tarieven voor professionele en niet-professionele jeugdhulp.

4.12.4

Volgens de Beleidsregels (paragraaf 2.2 onder 3) verstaat verweerder onder professionele jeugdhulp:
- een zorgverlenende organisatie die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
- een zorgverlener die staat ingeschreven in het BIG-register;
- een zelfstandige zonder personeel, die beschikt over een door de belastingdienst afgegeven Verklaring Arbeidsrelatie.

4.12.5

Vast staat dat eisers de aan [persoon 1] toegekende jeugdhulp bij hun oudste zoon [persoon 2] inkopen. De rechtbank stelt vast dat [persoon 2] niet behoort tot de categorie van professionele jeugdhulpverleners. Dat betekent dat [persoon 1] niet-professionele jeugdhulp ontvangt.

4.12.6

Bij geboden niet-professionele jeugdhulp hoort ingevolge artikel 2.1, derde lid, onder a, van de Nadere regels een tarief dat varieert van minimaal het wettelijk minimum uurloon tot maximaal € 20,- per uur. Verweerder kiest aan de hand van de noodzakelijke deskundigheidsgraad, planbaarheid en onregelmatigheid van de hulp en andere relevante factoren met betrekking tot de voor [persoon 1] vereiste ondersteuning ingevolge artikel 2.1, derde lid, onder b, van de Nadere regels uit deze bandbreedte het bijbehorende tarief.

4.12.7

De rechtbank stelt vast dat de geboden hulp volgens de aanwezige stukken voornamelijk bestaat uit begeleiding bij het opstaan, toiletbezoek, douchen, tandenpoetsen, haarkammen, scheren, aankleden, ontbijt, lichaamsbeweging, leren rekenen, computerhulp, het leren boodschappen doen en het spelen van denkspellen. De rechtbank is van oordeel dat die hulp te plannen is. Gelet op het in het dossier aanwezige dagschema wordt de hulp elke dag op dezelfde tijdstippen geboden. Van onregelmatigheid is geen sprake en van andere verzwarende factoren is evenmin gebleken. De rechtbank acht een vergoeding op basis van het minimum uurloon (op 1 januari 2015: € 9,- per uur) gelet op de mate van de geboden niet-professionele hulp daarom redelijk.

4.13

Ten slotte hebben eisers nog aangevoerd dat verweerder de einddatum in het bestreden besluit ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld op 1 april 2016. Dit betoog slaagt niet, nu verweerder – met verwijzing naar de afspraken in het jeugdplan en de voorgenomen inzet van Wmo-voorzieningen ten behoeve van eisers – voldoende heeft gemotiveerd waarom voor de vastgestelde einddatum van 1 april 2016 is gekozen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het op de weg lag van eisers om tijdig, dat wil zeggen vóór afloop op 1 april 2016, een nieuwe aanvraag op grond van de Jw in te dienen. Eisers hebben desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat zij dat niet hebben gedaan, maar dat zij in plaats daarvan ervoor hebben gekozen om de uitkomst van deze beroepsprocedure af te wachten. Die keuze komt voor rekening en risico van eisers.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. A.L. Frenkel en mr. drs. J.E.M.G. van Wezel, leden, tevens kinderrechters, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.