Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12666

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 109
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser wil in aanmerking komen voor zorg ingevolge de Wlz. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij eiser op grond van zijn problematiek sprake is van de grondslag verstandelijke handicap als bedoeld in de Wlz en hiermee of hij toegang heeft tot de Wlz.

De rechtbank is van oordeel dat in de medisch adviezen inzichtelijk en concludent is gemotiveerd dat er geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, zoals bedoeld in de Wlz. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het IQ van eiser voor het eerst in 2015 is geschat op 27 jarige leeftijd en dat er geen gemeten tendens beschikbaar is vanaf zijn 18e levensjaar. Daarbij komt dat, zelfs indien zou worden uitgegaan van het geschatte IQ in 2015, niet is gebleken dat de daaruit voortvloeiende beperkingen al voor het 18e jaar aanwezig waren. Dit geldt temeer nu niet kan worden uitgesloten dat er andere oorzaken zijn voor een achteruitgang in het cognitief functioneren van eiser na zijn 18e levensjaar. Derhalve kan eiser geen rechten ontlenen aan de Wlz op de grondslag verstandelijke handicap. Onder verwijzing naar de Wlz en de bijbehorende wetsgeschiedenis is de rechtbank van oordeel dat zijn psychiatrische problematiek geen toegang tot de Wlz geeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/109

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. L. Kuijper),

en

de Raad van bestuur van het centrum indicatiestelling zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: mr. S. Kersjes–van Bussel).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1987, is bekend met schizofrenie, paranoïde type. Bij indicatiebesluit van 7 oktober 2013 heeft het CIZ eiser vanaf die datum in aanmerking gebracht voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarbij is eiser geïndiceerd voor de functies Begeleiding groep klasse 9, Begeleiding individueel klasse 3 en Persoonlijke Verzorging klasse 1, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Vanwege de wijziging van de betreffende wetgeving per

1 januari 2015 ontving eiser vervolgens een pgb op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, waarbij eiser is geïndiceerd voor de maatwerkvoorziening ondersteuning. Deze indicatie is bij besluit van 4 mei 2016 verlengd tot en met 14 augustus 2016.

1.2.

Eiser heeft op 10 maart 2016 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wlz. Naar aanleiding hiervan heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden door W.C.E. Tanaskoska-Muller, arts en medisch adviseur van verweerder. Deze arts heeft op 22 juni 2016 een medisch advies uitgebracht. Dit medisch advies ligt ten grondslag aan het primaire besluit. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz, omdat zijn beperkingen voortkomen uit een psychiatrische aandoening en niet uit een verstandelijke beperking. Evenmin is gebleken van een andere grondslag die toegang geeft tot de Wlz.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich hierbij ongewijzigd op het standpunt dat eiser geen recht heeft op zorg op grond van de Wlz, omdat bij hem sprake is van een psychiatrische aandoening en de grondslag verstandelijke handicap niet bij hem kan worden vastgesteld. Verweerder verwijst hierbij naar het advies van zijn medisch adviseur W.C.E. Tanaskoska-Muller van 22 juni 2016 alsmede het advies van drs. I. Dammar van 9 augustus 2016, dat is aangevuld op 4 november 2016.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hiertoe voert hij aan dat hij in aanmerking komt voor zorg ingevolge de Wlz. Eiser stelt dat naast zijn psychische problematiek sprake is van een verstandelijke handicap en verwijst daarbij naar het intelligentieonderzoek dat in 2015 is verricht waaruit volgt dat hij een zeer laag IQ heeft. Eiser betoogt voorts dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht nu zijn beperkingen niet goed zijn beoordeeld. Zo is onduidelijk waar de conclusie, dat zijn lage intelligentie verklaard kan worden uit het gebrek aan scholing, de taalbarrière, het middelengebruik en de medicatie, op is gebaseerd. Eiser wijst er verder op dat zijn situatie inmiddels is gewijzigd nu zijn vader niet meer in de woning woont en de overige familieleden eiser onvoldoende kunnen begeleiden. Eiser voert tot slot aan dat zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening ingevolge de Wmo is afgewezen en hij daarbij voor een voorziening is verwezen naar het CIZ, omdat hij 24 uur per dag zorg nodig heeft. Eiser vindt het dan ook onbegrijpelijk dat verweerder hem geen indicatie heeft toegekend.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3.2.1. van de Wlz heeft een verzekerde recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:

a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of

b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,

1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of

2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.

4.2.

Ingevolge artikel 1 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2016 (de beleidsregels) hanteert verweerder beleidsregels bij het beoordelen of en in welke omvang de verzekerde in aanmerking komt voor één of meer van de in artikel 3.1.1. van de Wlz aangewezen vormen van zorg. Deze beleidsregels zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 3 bij dit besluit.

4.3.

Ingevolge bijlage 2 van de beleidsregels moet een verzekerde, om in aanmerking te komen voor toegang tot zorg vanuit de Wlz, in elk geval beschikken over één van de volgende vijf grondslagen:

  1. somatische aandoening of beperking

  2. lichamelijke handicap

  3. psychogeriatrische aandoening of beperking

  4. verstandelijke handicap

  5. zintuigelijke handicap.

4.4.

Er is volgens de beleidsregels sprake van een grondslag verstandelijke handicap als een verzekerde een normscore van 70 of lager behaalt op een algemene en voor hem valide intelligentietest, en er dusdanige beperkingen in het adaptief functioneren zijn vastgesteld dat verzekerde aangewezen is op blijvende ondersteuning om de deficiënties in het adaptief vermogen te beperken ten einde ernstig nadeel voor verzekerde te voorkomen, en de beperkingen op bovengenoemde terreinen al voor het 18e jaar aanwezig zijn.

Soms is een intelligentietest nog niet afgenomen voor de 18e verjaardag, maar is op grond van de ontwikkelingsanamnese van verzekerde aannemelijk dat de beperkingen reeds voor het 18e levensjaar aanwezig waren en kan worden uitgesloten dat er andere oorzaken zijn voor een achteruitgang in cognitief functioneren na het 18e levensjaar.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. Het geschil spitst zich evenwel toe op de vraag of bij eiser op grond van zijn problematiek sprake is van de grondslag verstandelijke handicap als bedoeld in de Wlz en hiermee of hij toegang heeft tot de Wlz.

5.2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op de medische adviezen van W.C.E. Tanaskoska-Muller van 22 juni 2016 en drs. I. Dammar van 9 augustus 2016, aangevuld op 4 november 2016. Uit deze adviezen blijkt dat de medisch adviseurs de grondslag verstandelijke handicap niet aanwezig achten. Op 2 maart 2015 is er een intelligentieonderzoek verricht waaruit blijkt dat de verbale uitdrukkingsvaardigheid van eiser (VIQ) uitkomt op 69-72 en zijn performale intelligentie (PIQ) op 64. Volgens de medisch adviseurs is sprake van wat in de neuropsychologie bekend is als ‘cognitieve missers’. Dit houdt in dat de resultaten van een neuropsychologisch onderzoek niet betrouwbaar zijn ten gevolge van bijkomende storende factoren, waardoor er geen accuraat beeld van het echte cognitief functioneren kan worden bepaald. Bij eiser zijn de storende factoren de onderliggende psychiatrische problemen. Verder worden de resultaten van een dergelijk onderzoek ‘gedrukt’ door de bijkomende psychosociale problematiek. Daarbij wijzen de medisch adviseurs er op dat het fors misbruik van middelen in het verleden en de gebruikte psychofarmaca een fors negatief effect hebben bij intelligentieonderzoeken. Voorts pleit het feit dat eiser heeft deelgenomen aan regulier basisonderwijs tegen de grondslag verstandelijke handicap. Na ontvangst van het door eiser in bezwaar aangeleverde medische advies van Parnassia heeft de medisch adviseur Dammar een aanvullend advies uitgebracht. Hieruit blijkt dat er volgens de medisch adviseur een bijkomende component van verhoogde zorgbehoefte ten gevolge van verminderd cognitief functioneren is, maar ook dat de zorgvraag voornamelijk wordt bepaald door de forse psychiatrische problematiek van eiser. In het aanvullend advies blijft de medisch adviseur bij zijn standpunt dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld bij eiser.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een advies van een medisch adviseur van een bestuursorgaan als verweerder een deskundigenadvies en mag het bestuursorgaan, indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, bij de besluitvorming in beginsel van zo’n advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3266).

5.4.

De rechtbank overweegt dat de medische adviezen tot stand zijn gekomen door middel van dossieronderzoek en kennisname van de informatie van de behandelend sector. Gelet hierop zijn de medische adviezen van 22 juni 2016, 9 augustus 2016 en 4 november 2016 op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De rechtbank is van oordeel dat in de medisch adviezen inzichtelijk en concludent is gemotiveerd dat er geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, zoals bedoeld in de Wlz. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het IQ van eiser voor het eerst in 2015 is geschat op 27 jarige leeftijd en dat er geen gemeten tendens beschikbaar is vanaf zijn 18e levensjaar. De rechtbank stelt tevens vast dat geen sprake is van een meting maar een schatting van het IQ van eiser. Daarbij is de IQ-test in negatieve zin overschaduwd door de psychiatrische problematiek die bij eiser speelt en de hiervoor gebruikte psychofarmaca alsmede door het forse middelengebruik door eiser in het verleden. De rechtbank acht voorts van belang dat er geen (medische) informatie voorhanden is over de periode dat eiser in Turkije woonde (tot 2002) noch over zijn eerste jaren in Nederland, zodat niet kan worden vastgesteld dat er bij eiser sprake is van een verstandelijke handicap vóór zijn 18e levensjaar. Daarbij heeft de medisch adviseur er op gewezen dat eiser in het verleden heeft deelgenomen aan het regulier basisonderwijs, op zijn veertiende naar Nederland is verhuisd en tot het tweede of derde jaar Mavo heeft gevolgd. De rechtbank volgt verweerder in zijn oordeel dat er onder de gegeven omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de vaststelling dat bij eiser sprake is van een verstandelijke handicap vóór zijn 18e levensjaar en dat het (school)verleden van eiser zelfs pleit tegen een dergelijke conclusie. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit de verschillende rapportages volgt dat de familie van eiser heeft verklaard dat eiser voor zijn drugsgebruik en psychoses op een normaal niveau functioneerde.

5.5.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de bevindingen van de medisch adviseurs te twijfelen. Door eiser zijn geen medische gegevens naar voren gebracht die concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen. De rechtbank overweegt dat de psychiater van eiser J.M. Deenen in zijn brief van 2 oktober 2017 weliswaar aangeeft dat de premorbide intelligentie van eiser zeer vermoedelijk niet veel hoger is dan gemeten in 2015, maar de klinisch neuropsycholoog – gespecialiseerd in het vaststellen van het intelligentieniveau – geeft te kennen dat het niet mogelijk is een schatting de doen van het premorbide niveau van eiser. Gelet hierop kan aan de verklaring van psychiater Deenen niet de waarde worden gehecht die eiser hieraan gehecht wenst te zien.

5.6.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat eiser een normscore van 70 of lager heeft behaald op een voor hem valide intelligentietest. Daarbij komt dat, zelfs indien zou worden uitgegaan van het geschatte IQ in 2015, niet is gebleken dat de daaruit voortvloeiende beperkingen al voor het 18e jaar aanwezig waren. Dit geldt temeer nu niet kan worden uitgesloten dat er andere oorzaken zijn voor een achteruitgang in het cognitief functioneren van eiser na zijn 18e levensjaar. Derhalve kan eiser geen rechten ontlenen aan de Wlz op de grondslag verstandelijke handicap.

5.7.

De rechtbank leidt uit de Wlz en de wetsgeschiedenis bij die wet af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat verzekerden met een psychiatrische grondslag geen aanspraak maken op zorg op grond van de Wlz, maar wel recht hebben op die zorg op grond van de Wmo 2015 dan wel de Zorgverzekeringswet (Memorie van Toelichting bij de Wlz, TK 2013-204, 33 891, nr. 3, pag. 146). De achterliggende gedachte is dat op voorhand niet is vast te stellen of de zorgbehoefte van een cliënt voor de geestelijke gezondheidszorg blijvend is of niet, omdat het verloop van de aandoening op voorhand vaak niet goed te voorspellen is. Alleen indien op grond van een andere grondslag - dan de psychiatrische - recht bestaat op zorg op grond van de Wlz wordt niet uitgesloten dat zorg ten laste van de Wlz voor een psychische stoornis wordt verleend (Memorie van Toelichting bij de Wlz, TK 2013-204, 33 891, nr. 3, pag. 14). Niet is gebleken dat bij eiser sprake is van één van de andere grondslagen, te weten een lichamelijke handicap, een psychogeriatrische aandoening of beperking of een zintuigelijke handicap. Het betoog van eiser dat zijn psychiatrische problematiek toegang tot de Wlz zou moeten bieden, treft dan ook geen doel.

5.8.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser, dat verweerder een indicatie had moeten afgeven omdat hij 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft, evenmin slaagt. Allereerst dient de grondslag vastgesteld te worden op grond waarvan recht bestaat op zorg ingevolge de Wlz. Pas hierna wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarde dat iemand permanent toezicht en/of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. Bij gebreke van een grondslag bij eiser op grond waarvan recht bestaat op zorg ingevolge de Wlz, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarde dat hij 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. Het betoog van eiser, dat zijn vader is vertrokken uit de woning en de overige familieleden hem onvoldoende kunnen begeleiden, kan evenmin leiden tot een ander oordeel.

5.9.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers aanvraag voor zorg op grond van de Wlz terecht en op goede gronden geweigerd.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. C.J. Waterbolk en mr. L. Koper, leden, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Manders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.