Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12586

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
NL17.9850
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statushouders in Hongarije, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9850


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, mede namens haar minderjarige dochter,

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).


Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9851, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [persoon A], collega van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer O. Al Othman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Syrische nationaliteit. Haar dochtertje is geboren op [geboortedatum] 2015 en heeft ook de Syrische nationaliteit. Eiseres heeft op 29 juli 2017 een verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 13 juni 2017 in Hongarije een internationaal verzoek om bescherming heeft ingediend en dat dit aan haar is toegekend. Om deze reden heeft verweerder het in Nederland ingediende verzoek van eiseres afgewezen.

3. Niet in geschil is dat eiseres een asielvergunning in Hongarije heeft. Eiseres voert, kort samengevat, aan dat niet van haar verlangd kan worden dat zij terugkeert naar Hongarije, nu de leefomstandigheden voor statushouders dusdanig slecht zijn dat er sprake is van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Ook is het volgens eiseres niet aannemelijk dat zij bij problemen met succes hulp kan inroepen van de Hongaarse autoriteiten. Daarnaast zal de gezondheid van haar dochtertje verslechteren omdat er onvoldoende medische zorg beschikbaar is in Hongarije.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV7823), 23 augustus 2013 (ECLI:NL:RV:2013:907) en 14 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1606)), volgt dat wanneer een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op deze jurisprudentie, en onder verwijzing naar de verblijfsvergunning van eiseres in Hongarije, voldoende onderbouwd dat eiseres een zodanige band heeft met Hongarije dat terugkeer naar dat land in dat opzicht in redelijkheid van haar kan worden gevergd. Uit de genoemde uitspraken van de Afdeling volgt dat het enkele feit dat een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat, voldoende is.

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel van uitgaan dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen niet langer nakomt. Eiseres heeft onder andere stukken overgelegd die zien op Dublinclaimanten die moeten terugkeren naar Hongarije. Eiseres is echter geen asielzoeker en derhalve ook geen Dublinclaimant. Zij is in Hongarije immers reeds in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming. De stukken en rapporten die zien op de situatie van asielzoekers en Dublinclaimanten in Hongarije ondersteunen derhalve niet het standpunt van eiseres dat zij na terugkeer in Hongarije een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Voorts kan de positie van eiseres in Hongarije als statushouder niet gelijk worden gesteld met de positie van asielzoekers in Hongarije. Hoewel uit de door eiseres overgelegde stukken ten aanzien van statushouders kan worden afgeleid dat de situatie voor deze personen in Hongarije niet optimaal is, kan dit er niet toe leiden dat reeds hierom sprake is van een reëel risico op schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nu de autoriteiten van Hongarije aan eiseres een subsidiaire beschermingsstatus hebben verleend, zij aanspraak kan maken op daaruit voortvloeiende rechten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat ook in haar specifieke situatie sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM en dat zij geen hulp kan inroepen van de Hongaarse autoriteiten. Er is een verbod tot uitzetting indien sprake is van een reëel risico om onmenselijk of vernederend behandeld of bestraft dan wel gefolterd te worden. Om te kunnen kwalificeren als een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, moet er sprake zijn van “a minimum level of severity”. De lat van artikel 3 van het EVRM ligt hoog. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Hongarije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook de verklaringen van eiseres over haar ervaringen in Hongarije maken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat zij na terugkeer in Hongarije een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde gezondheidsproblemen van het dochtertje van eiseres niet leiden tot een andere uitkomst. Daarbij stelt de rechtbank vast dat uit het door eiseres overgelegde medische document blijkt dat haar dochtertje gezond oogt.

5. Gelet op het voorgaande komt eiseres niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.