Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12584

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
NL17.9647
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9647


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.G.H. van der Kolk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9648, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw A.M. Nakamya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Ugandese nationaliteit te hebben.

2. Eiser heeft op 24 augustus 2017 een asielverzoek ingediend. Verweerder heeft dit verzoek niet in behandeling genomen en heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat Duitsland verantwoordelijk is, omdat uit onderzoek in EU-Vis is gebleken, dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Duitsland in het bezit is gesteld van een

(Schengen)visum, welke geldig is van 10 juli 2017 tot 5 augustus 2017. De autoriteiten van Duitsland zijn daarom op 15 september 2017 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op
21 september 2017. Dit alles is door eiser niet betwist. Op grond van artikel 12, vierde lid, in samenhang met artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening is Duitsland de verantwoordelijke lidstaat voor de inhoudelijke behandeling van het door eiser in Nederland ingediende asielverzoek.

3. Tussen partijen is in geschil of Nederland het asielverzoek op grond van artikel
17 van de Dublinverordening aan zich zou moeten trekken. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet terug kan keren naar Duitsland, vanwege hetgeen hem daar is overkomen en dat hij niet overtuigd is dat de Duitse autoriteiten hem zouden kunnen helpen. Hij heeft meer vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten. Ook stelt eiser dat hij vanwege zijn homoseksualiteit niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, Oeganda.

4. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen (jegens eiser) nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Eisers enkele stelling dat hij bang is dat de criminelen die hem hebben belaagd in Duitsland hem zullen vinden als hij weer terug in Duitsland is, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

5. Voorts wordt door de rechtbank benadrukt dat het in deze procedure slechts gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek. Eisers stelling, dat hij homoseksueel is en daarom niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, kan derhalve slechts aangevoerd worden in de asielprocedure in Duitsland.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.