Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12583

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
NL17.9519
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag, geen nieuwe feiten en of omstandigheden, Algerije veilig land van herkomst, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9519


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. B. de Haan),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).


Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9520, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser heeft op 18 juli 2017 onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft eerder, op 6 september 2016, ook een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 12 juni 2017 afgewezen. Dit besluit is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juni 2017 in rechte komen vast te staan.

3. Verweerder heeft de onderhavige asielaanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk omdat eiser, kort samengevat, geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden heeft ingebracht, die hij in de eerdere asielprocedure redelijkerwijs niet in had kunnen brengen.

4. Eiser erkent dat hij een beroep doet op dezelfde problemen als die hij in de eerste asielprocedure naar voren heeft gebracht, maar dat hij in bewijsnood verkeert om zijn stellingen hieromtrent te onderbouwen. Ook heeft verweerder volgens eiser ten onrechte eisers stellingen in de zienswijze tegen het inreisverbod, niet opgevat als een verzoek om intrekking, dan wel aanpassing van het inreisverbod. Eiser heeft last van zeer hardnekkige medische klachten en verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door dit niet medisch te laten onderzoeken.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers onderhavige, opvolgende aanvraag terecht heeft afgewezen als niet-ontvankelijk in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

5.1

Nu eiser in de beroepsprocedure erkent dat hij een beroep doet op dezelfde problemen als in de eerste asielprocedure, heeft verweerder terecht verwezen naar zijn afwijzende beschikking van 12 juni 2017, waarin verweerder heeft gemotiveerd waarom eiser destijds niet in aanmerking kwam voor een asielvergunning. Eiser heeft in deze procedure geen relevante nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ingebracht waardoor de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert.

5.2

Voorts overweegt de rechtbank dat eiser geen medische onderbouwing van zijn gestelde rug- en schouderklachten heeft overgelegd. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn klachten al eerder in de onderhavige asielprocedure had kunnen en moeten aangeven, vooral nu hij er al meer dan een half jaar last van stelt te hebben. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde medische klachten de strikte toets van artikel 3 van het Europees Verdrag voor bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) niet haalt.

5.3

Verweerder heeft de stellingen van eiser in zijn zienswijze van 7 augustus 2017, ten aanzien van het in de eerste asielprocedure opgelegde inreisverbod niet hoeven aan te merken als een verzoek om intrekking, opheffing of bekorting daarvan. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser in de zienswijze gestelde bijzondere omstandigheden niet leiden tot een ander standpunt.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.