Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12553

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
09/857354-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, aan schuld- en opzetheling en aan de mishandeling van twee BOA’s van de gemeente Zoetermeer. Ook heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak alsmede twee pogingen daartoe.

Aan de verdachte is ondermeer een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 12 maanden/6 maanden jeugddetentie opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/857354-16; 09/842053-17 (t.t.g.)

Datum uitspraak: 12 oktober 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te op [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] ,

doch thans uit andere hoofde preventief gedetineerd in [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is in de zaak met parkenummer 09/857354-16 eerst gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 februari 2017 en in de zaak met parketnummer 09/842053-17 eerst ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 juni 2017, vervolgens is het onderzoek in beide zaken gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van

28 september 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Sannes en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. L.A. Versteegh, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

09/857354-16

1.

hij op of omstreeks 02 juni 2016 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juni 2016 te [plaats] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een Iphone 6,

door:

- zich voor te doen als een bonafide koper van een telefoon en/of

- die [benadeelde] te betalen met vals en/of vervalst geld;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juni 2016 te [plaats] opzettelijk een Iphone 6, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (potentiële) koper van de telefoon,wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 07 juni 2016 tot en met 08 juni 2016 te [plaats] , een goed te weten een bromfiets heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

Ter berechting gevoegd: 09/817454-16:

hij op of omstreeks 24 februari 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of

[benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- plaatsen/duwen van een voorwerp in de nek van die [benadeelde] en/of

- trekken aan de tas van die [benadeelde] en/of

- schreeuwen tegen die [benadeelde] : "Je tas, je tas";

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 24 februari 2016 tot en met

2 maart 2016 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) goed(eren), te weten:

- een bankpas van de Rabobank op naam van [benadeelde] en/of

- een Nederlands rijbewijs op naam van [benadeelde] e/v [benadeelde] en/of

- een betaalpas van de ING bank op naam van [benadeelde] en/of

- een kentekenbewijs (kenteken [kenteken]

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen;

4.

Ter berechting gevoegd: 09/817631-16:

hij op of omstreeks 15 februari 2016 te [plaats] , opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) met de vuist tegen/op het gezicht heeft geslagen en/of bij de keel heeft gepakt en (vervolgens) in de keel heeft geknepen en/of (meermalen) met de vuist tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 15 februari 2016 te [plaats] , opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) met de vuist tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

09/842053-17

1.

hij op of omstreeks 31 januari 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] weg te nemen enig goed/goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met zijn mededaders naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een steen, althans een voorwerp, een ruit van die woning heeft/hebben verbroken en/of (vervolgens) die woning zijn betreden en/of (vervolgens) een of meer kamer(s) en/of (lade)kast(en) in voornoemde woning heeft/hebben doorzocht;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 december 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit een woning aan de [adres] ) heeft weggenomen (munt)geld en/of een digitale fotocamera en/of een mes en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen (waaronder geld) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2017 tot en met 28 januari 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning aan de [adres] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een of meer goed(eren), te weten (een) horloge(s) en/of siera(a)d(en) en/of tablet en/of toetsenbord en/of fotocamera en/of navigatiesysteem en/of portemonnee (met daarin geld) en/of muntgeld en/of Canadese dollarbriefje(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 januari 2017 te [plaats] een of meer Canadese dollarbriefje(s) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 23 januari 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen enig goed/goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, (met zijn mededader(s)) naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een steen, althans een voorwerp, een ruit van die woning getracht heeft/hebben in te gooien (waardoor de buitenste ruit kapot is gegaan) en/of (ten slotte) op de binnenste ruit heeft/hebben geduwd/gedrukt.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank staat voor de vraag of de verdachte zich in de periode van 15 februari 2016 tot en met 31 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan negen hem ten laste gelegde feiten feiten.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kan verklaren dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I) onder 1 primair, 2 (opzetheling), 3 subsidiair (opzetheling),

4 en 5 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II) onder 1, 2 (in vereniging gepleegd), 3 primair en 4 (in vereniging gepleegd) ten laste gelegde heeft begaan.

De officier van justitie heeft zijn standpunt onderbouwd in zijn requisitoir, dat hij op schrift aan de rechtbank heeft overgelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in de zaak met parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I)

ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair vrijspraak bepleit. Het meer subsidiair ten laste gelegde kan wel bewezen worden verklaard. De verdachte heeft de telefoon verduisterd.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit.

De verdachte had de scooter waarover in feit 2 wordt gesproken geleend en wist niet dat hij gestolen was. Nu hij ook een slot en sleutels overhandigd heeft gekregen, had hij ook niet redelijkerwijs hoeven te vermoeden dat de scooter van diefstal afkomstig was. Wat betreft feit 3 geldt dat de verdachte niet door de aangeefster en de getuige is herkend, terwijl de pasjes van aangeefster bovendien pas 8 dagen na de diefstal bij de verdachte zijn aangetroffen. De opzetheling, feit 3 subsidiair, kan wel bewezen worden verklaard. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw ook vrijspraak bepleit. Volgens de raadsvrouw hebben aangeefster [benadeelde] en aangever [benadeelde] zelf als eerste geweld gebruikt en heeft de verdachte zich hiertegen alleen maar verdedigd. Hij heeft aangeefster [benadeelde] bij de keel gepakt om haar van zich af te houden en niet om haar pijn te doen.

Ook heeft de verdachte aangever [benadeelde] eenmaal in zijn buik geslagen om zich te verdedigen.

In de zaak met parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II) heeft de raadsvrouw ten aanzien van de feiten 1 en 2 geen verweer gevoerd, nu de verdachte deze feiten heeft bekend.

Ten aanzien van feit 3 primair en subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Er is, aldus de raadsvrouw, geen bewijs dat de verdachte bij de woninginbraak betrokken is geweest. De enkele omstandigheid dat hij in het bezit was van de twee Canadese dollarbiljetten die bij deze inbraak zijn gestolen maakt dit niet anders. De verdachte heeft verklaard dat hij deze op straat heeft gevonden. Hij hoefde niet te vermoeden dat deze van diefstal afkomstig waren. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw betoogd dat sprake is van vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b Wetboek van Strafrecht. Nadat de verdachte de eerste steen had gegooid, kreeg hij wroeging en is hij weg gegaan. De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I) feiten 1 en 2 het volgende af.1

Feit 1

Op 2 juni 2016 te 16.25 uur had [benadeelde] (verder: de aangeefster) in de wijk [plaats] te [plaats] via Marktplaats een afspraak gemaakt met een jongen die haar Iphone 6s

van haar wilde kopen voor 600 euro. De jongen betaalde met briefjes van 50 euro maar de aangeefster vroeg zich af of het geld wel echt was. De jongen stelde voor om naar het winkelcentrum te lopen om daar het geld te laten controleren. Na controle van een briefje van 50 euro zei de verkoopster van de Trekpleister al dat het geld vals was. De aangeefster wilde haar telefoon terug hebben en de jongen is toen weggerend met de telefoon.23

[getuige] , werkzaam als kassière bij de Trekpleister in winkelcentrum [plaats] te [plaats] heeft op verzoek van een vrouw, naar later blijkt de aangeefster, een biljet van 50 euro gecontroleerd op echtheid. Zij heeft het biljet meerdere malen door het daarvoor bestemde apparaat gehaald en het apparaat bleef maar piepen. Dit betekent dat het geld vals is.

De aangeefster zei volgens deze getuige tegen de jongen die achter haar stond: “zie je wel het is vals”, waarna de jongen wegrende.4

Het geld dat de verdachte aan de aangeefster heeft gegeven, 12 bankbiljetten van 50 euro, is door de politie onderzocht en blijkt vals te zijn.5

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangeefster in de wijk [plaats] heeft ontmoet en dat hij haar telefoon wilde kopen. Hij had een bedrag van € 600,- gekregen van iemand bij de voetbal en heeft haar dit geld gegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat dit geld vals was, maar dat hij wel een vermoeden had dat er iets niet klopte. Hij heeft zelf voorgesteld het geld te laten controleren.

Toen de kassière bij de Trekpleister het geld aan het controleren was, begon de aangeefster volgens de verdachte te schelden en hem te bedreigen, waardoor hij zich bedreigd voelde en is weggerend.

De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij wegrende, niet wist dat het geld vals was. De piepjes waarmee het controle-apparaat aangaf dat het geld vals was en die door de aangeefster en de getuige zijn gehoord, heeft de verdachte niet gehoord.

De verdachte heeft ook verklaard dat hij de telefoon niet meer in zijn bezit heeft.

De rechtbank is, gelet op de in het dossier voorhanden zijnde stukken, van oordeel dat de verdachte vlak voordat hij wegrende eigenaar van de telefoon was geworden. Hij had immers voor de telefoon betaald en deze van de aangeefster in ontvangst genomen.

De onder feit 1 primair ten laste gelegde diefstal kan, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet bewezen worden verklaard en de rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank acht het evenwel onaannemelijk dat de verdachte niet wist dat de twaalf briefjes van 50 euro vals waren. Hij heeft verklaard dat hij die briefjes zomaar van iemand op de voetbalclub heeft gekregen en dat hij zelf al een vermoeden had dat er iets niet klopte.

De rechtbank acht die verklaring, gelet op de hoogte van het bedrag, niet geloofwaardig.

Verder acht de rechtbank niet geloofwaardig de verklaring van de verdachte dat hij op de vlucht sloeg omdat de aangeefster begon te schelden en hem te bedreigen, nu hij dit pas ter terechtzitting heeft verklaard en hiervoor in de verklaringen van de aangeefster en de kassière geen enkele steun te vinden is. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit kan derhalve, gelet op vorenstaande bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan oplichting.

Feit 2

Op 7 juni 2016 omstreeks 10.05 uur trok een snorfiets, merk Piaggio, type C25, de aandacht van verbalisant [verbalisant] , omdat het voertuig met een veel hogere snelheid reed dan wettelijk is toegestaan voor een snorfiets. Er zaten twee personen op de snorfiets. Bij een Avia tankstation bij de [adres] te [plaats] stapte de bijrijder af. Verbalisant [verbalisant] zag dat de kentekenplaat (met kenteken [kenteken] ) van de snorfiets vastgeplakt was met plakband.

De verbalisant heeft van de bestuurder van de snorfiets en van de snorfiets foto’s gemaakt. Bij navraag bleek het kenteken voor een Fosti Type FT50QT te zijn afgegeven.

Hieruit concludeerde verbalisant [verbalisant] dat het een valse kentekenplaat was.

Verbalisant [verbalisant] heeft de foto’s die hij had genomen naar collega’s gestuurd en gevraagd of zij wisten wie de bestuurder van de snorfiets was. Collega [verbalisant] verklaarde dat de bestuurder [verdachte] is.

Op 8 juni 2016 heeft verbalisant [verbalisant] nader onderzoek gedaan naar de bestuurder, zijnde de verdachte. Uiteindelijk heeft hij op het ID College de verdachte naar binnen zien gaan.

Verbalisant [verbalisant] is naar de fietsenstalling gegaan en heeft de snorfiets met kenteken

[kenteken] aangetroffen. De uitlaat was nog warm. De verbalisant heeft een foto gemaakt van het chassisnummer. Bij navraag bij de Dienst Wegverkeer bleek dat voor dat nummer kenteken [kenteken] was afgegeven. Het voertuig stond gesignaleerd als gestolen67. Van de diefstal van het kenteken [kenteken] heeft [benadeelde] aangifte gedaan nadat hij diezelfde dag door de politie was gebeld dat de kentekenplaat was ontvreemd.8

Op 8 juni 2016 omstreeks 11.09 uur is de verdachte, na verkregen toestemming van de officier van justitie, buiten heterdaad aangehouden.9

Bij de opsporingsfouillering bleek de verdachte een schoudertas te dragen. Verbalisant [verbalisant] trof in deze tas onder meer sleutels aan.

Verbalisant [verbalisant] nam de gestolen snorfiets in beslag en zag dat de snorfiets op slot stond met een hangslot dat aan het achterwiel was bevestigd. Eén van de sleutels uit de schoudertas van de verdachte paste op dit slot. Het slot van de scooter was in zijn geheel verwijderd en de scooter stond op het stuurslot.10

Na de aanhouding van de verdachte is zijn kluis op het ID College doorzocht. De daarin aangetroffen schroevendraaier is eveneens beslag genomen.

Op het politiebureau heeft verbalisant [verbalisant] de schroevendraaier in het uitgeboorde contactslot van de snorfiets gestoken en kon hij het slot ronddraaien en de scooter van het stuurslot halen en starten.11

De verdachte heeft bij de politie en ook ter terechtzitting verklaard dat hij de scooter heeft geleend, dat hem was verteld dat het slot kapot was en dat hij daarom een hangslot met sleutels erbij heeft gekregen. Hem was ook verteld dat de papieren van de scooter bij het stuur verborgen zaten, maar de verdachte heeft dit niet gecheckt. De verdachte heeft voorts verklaard dat het hem niet was opgevallen dat de kentekenplaat met plakband was vastgeplakt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de scooter niet op een normale wijze kon worden gestart en dat de kentekenplaat met plakband was vast geplakt, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed was. De rechtbank acht feit 2, de schuldheling, dan ook wettig en overtuigend bewezen, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Feit 3 (09/187454-16 t.b.g.)

De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het onder 3 primair

ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I) feit 3 subsidiair het volgende af.12

Op woensdag 24 februari 2016, omstreeks 18:30 uur, liep mevrouw [benadeelde] samen met haar man [benadeelde] op de [adres] in [plaats] , toen zij van haar tas werd beroofd. De volgende goederen werden weggenomen: een lichtbruine damestas, een damesportemonnee, bruin van kleur, met daarin bankpasjes van de Rabobank en ING, een rijbewijs, een VGZ-pas, een kentekenbewijs van een Suzuki Alto, voorzien van het kenteken [kenteken] , diverse andere pasjes en ook een geldbedrag van ongeveer 50 euro. Ook zijn een mobiele telefoon, een zwarte Samsung Galaxy S3, een oplader voor deze telefoon en een bril in een brillenkoker weggenomen.13

Op woensdag 2 maart 2016 werd bij de verdachte [verdachte] na zijn aanhouding terzake van de verdenking van een inbraak aan de [adres] te [plaats] een insluitingsfouillering toegepast. Er werd onder de verdachte een zwart heuptasje aangetroffen. In het voorvak van dit tasje werden onder meer de volgende goederen aangetroffen:

- een bankpas van de Rabobank op naam van [benadeelde] ,

- een rijbewijs op naam van [benadeelde] e/v [benadeelde] ,

- een ING-betaalpas op naam van [benadeelde] ,

- een kentekenbewijs van een voertuig met kenteken [kenteken] .14

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij een damesportemonnee, bruin met kleurtjes erop, in de week voor zijn aanhouding op woensdag of donderdag in [plaats] in de wijk [plaats] van iemand heeft gekregen met het verzoek of hij deze bij zich wilde houden. De verdachte heeft verklaard dat hij de pasjes uit de portemonnee heeft gehaald en de portemonnee heeft weggegooid. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij wel vermoedde dat er iets niet klopte.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verdachte wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Zij is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit en acht aldus de opzetheling wettig en overtuigend bewezen, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Feit 4 en 5 (09/817631-16 t.b.g.)

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I) feiten 4 en 5 het volgende af.15

Op maandag 15 februari 2016 was [benadeelde] (verder: [benadeelde] ), werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) van de gemeente Zoeteremeer, samen met haar collega [benadeelde] (verder: [benadeelde] ) aan het werk in de wijk [plaats] . Zij zagen omstreeks 13:45 uur dat een jongen iets naar beneden gooide vanaf het station [plaats] . Deze jongen was samen met een groepje andere jongeren. [benadeelde] en [benadeelde] hebben het groepje aangesproken beneden bij het station en het groepje is verder gelopen in de richting van het [plaats] . [benadeelde] en [benadeelde] zagen vervolgens dat de jongen, die zij daarvoor al hadden aangesproken, een flesje weggooide in de groenstrook.

Hierop zijn ze richting het groepje jongeren op het [plaats] gefietst om deze jongen een proces-verbaal te geven. [benadeelde] ging in gesprek met de jongen en vorderde zijn legitimatiebewijs.

De jongen reageerde niet en liep weg waarop [benadeelde] en [benadeelde] hem achterna zijn gelopen en hem tegen hielden. De jongen werd hierop agressief en maakte zwaaiende bewegingen met zijn armen in hun richting. Tegen de jongen is gezegd dat hij rustig moest doen en gewoon zijn legitimatiebewijs moest afgeven, omdat hij anders zou worden aangehouden. De jongen reageerde hier niet op, waarop [benadeelde] de jongen aanhield voor het niet op eerste vordering tonen van zijn legitimatiebewijs. De jongen probeerde vervolgens weer weg te komen, waarop [benadeelde] hem blokkeerde met haar fiets. De jongen werd boos en sloeg met zijn gebalde vuist tegen haar kaak. Zij voelde hierdoor een pijnscheut in haar kaak. Voordat [benadeelde] kon reageren, bracht de jongen zijn open hand richting haar keel en greep hij haar bij de hals. [benadeelde] voelde hierdoor pijn in haar keel en kon geen lucht krijgen. [benadeelde] sprong richting de jongen om hem een klap te geven waarop de jongenj de keel van [benadeelde] los liet. De jongen balde wederom zijn hand tot een vuist en sloeg [benadeelde] in zijn buik. [benadeelde] sloeg dubbel van de pijn. Hierna is de jongen weggerend en bij iemand achterop de fiets gesprongen. [benadeelde] proefde een enorme bloedsmaak in haar mond, heeft een rode vlek aan de rechterzijde van haar nek en een kras op haar gezicht.1617

Ook [benadeelde] heeft aangifte gedaan van mishandeling gepleegd op het [plaats] te [plaats] , op maandag 15 februari 2016 omstreeks 13:45 uur. Hij is toen meerdere malen met kracht met tot vuisten gebalde handen op zijn boven- en onderlichaam geslagen. Door het dragen van het scherfwerende vest is het letsel beperkt gebleven.18

Voorts heeft ook [benadeelde] verklaard dat de jongen, die [benadeelde] en hij eerder hadden aangesproken omdat hij een sigaret van het station naar beneden had gegooid en die hij overigens wel had opgeruimd, even later een flesje AA in de groenstrook aan het [plaats] gooit. Samen met [benadeelde] heeft hij de jongen wederom aangesproken, maar de jongen liet zijn legitimatiebewijs ook na twee keer vorderen niet zien. Vervolgens heeft [benadeelde] hem medegedeeld dat hij was aangehouden. De jongen wilde weglopen en werd door [benadeelde] en [benadeelde] met hun dienstfiets klemgezet. Vervolgens werd de jongen zeer agressief en pakte hij [benadeelde] met zijn rechterhand hard in haar nek. [benadeelde] heeft de jongen van [benadeelde] afgeslagen en toen heeft hij meerdere malen een klap van de jongen gehad op zijn hoofd en buik net onder de ribbenkast. De jongen sloeg met gebalde vuist. [benadeelde] voelde een enorme pijn aan de rechteronderzijde van zijn ribbenkast.19

Getuige [getuige] stond op 15 februari 2016 omstreeks 13.45 uur voor de deur van de sportschool op het [plaats] te [plaats] . Hij zag dat er een vechtpartij was waarbij het handhavingsteam betrokken was. Hij zag dat een jongen plotseling de vrouwelijke handhaver met zijn vuist in haar gezicht sloeg. Hierna rende de jongen hard weg.

Getuige [getuige] herkende de jongen als [verdachte] , die bij hem in de klas zit op het ID College.20 Dit blijkt [verdachte] te zijn.21

Ook in zijn nadere verhoor blijft getuige [getuige] bij zijn verklaring dat de verdachte de vrouwelijke handhaver een vuistslag op haar gezicht gaf. Hij heeft ook verklaard dat de verdachte niet reageerde toen de handhavers om zijn legitimatie vroegen en dat de verdachte agressief was. Hij herkent de verdachte van een foto.22

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de vrouwelijke handhaver bij haar keel heeft gegrepen om zichzelf te verdedigen. Zij had een fiets op hem gegooid. Ook de mannelijke handhaver heeft hij eenmaal geslagen om los te komen. Deze sloeg hem vervolgens met een helm in zijn gezicht.23

De rechtbank acht, gelet op de in het dossier voorhanden zijnde stukken, waaronder twee op ambtseed opgemaakte verklaringen, niet bewezen dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval van beide handhavers. De verdachte heeft niet meegewerkt; hij wilde zijn legitimatie niet laten zien terwijl dit meermalen werd gevorderd. Toen hij vervolgens werd aangehouden wilde hij weer niet meewerken en heeft hij beide handhavers mishandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen enkele rechtvaardiging voor het gedrag van de verdachte.

De rechtbank acht, op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II) feiten 1, 2, 3 en 4 het volgende af.24

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

28 september 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster, met bijlagen,

d.d. 1 februari 2017, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017030111-44,

inhoudende de verklaring van [benadeelde] (p. 115-134);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van de verdachte,

d.d. 31 januari, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017030111-4

(p.40-41);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari

2017, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017030111-10 (p. 135-136);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari

2017, met bijlagen, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2017030111-19

(p. 142-161).

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

28 september 2017;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, met bijlagen,

d.d. 7 december 2016, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2016337257-1,

inhoudende de verklaring van [benadeelde] (p. 230-248);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 6 december

2016, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2016337257-2 (p. 255-257);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal uitslag sporenonderzoek,

d.d. 13 januari 2017, met bijlage, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-

2016337257-2 (p. 258-262).

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Feit 3

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder feit 3 primair ten laste gelegde dat zij op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte dit feit heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De verdachte heeft verklaard dat hij de Canadese dollars, 1 biljet van 20 dollar en 1 biljet van 5 dollar, die bij zijn aanhouding op 31 januari 2017 in zijn fouillering zijn aangetroffen,

op straat heeft gevonden.

De rechtbank meent dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat de verdachte had kunnen weten of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze dollars van diefstal afkomstig waren, nu het gaat om slechts 2 biljetten van beperkte waarde. De tijd tussen de diefstal van de Canadese dollars uit de woning aan het [adres] te [plaats] en het aantreffen van de Canadese dollars bij de verdachte betreft voorts 3 dagen en is, anders dan de officier van justitie meent, niet van zodanig korte duur dat hierin aanleiding moet worden gezien voor een andersluidend oordeel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting ook niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

Feit 4

Op maandag 23 januari 2017 tussen 12:15 uur en 20:00 uur vond een poging tot inbraak plaats in een woning aan de [adres] te [plaats] . Aangever [benadeelde] zag dat de buitenste laag van het dubbele glas van het raam dat zich naast de voordeur bevindt, was verbroken. Ook was in het kunststof kozijn een gat zichtbaar. De daders zijn niet binnen gekomen en hebben niets uit de woning weg genomen.25

Ter plaatse werd rondom de woning een forensisch onderzoek ingesteld. Daarbij is vastgesteld dat de dubbele beglazing van een ruit in de hal was vernield. Op de buitenste ruit, net boven het gat, was een afdruk van een deel van een handpalm zichtbaar. Deze afdruk is veiliggesteld voor nader dactyloscopisch onderzoek.26

Na onderzoek bleek dat het dactyloscopische (handpalm)spoor, overeenkommt met het

dactyloscopisch signalement van de verdachte [verdachte] .27

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met een ander geprobeerd heeft in de woning aan de [adres] te [plaats] in te breken. De verdachte heeft verklaard dat het niet lukte om de tweede ruit van het dubbele glas kapot te gooien en dat hij op dat moment last kreeg van zijn geweten en daarom besloot samen met die ander weg te gaan.28

De rechtbank acht gelet op aangifte, het dactyloscopische spoor en de verklaring van de verdachte wettig en overtuigen bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit, zijnde een poging tot woninginbraak aan de [adres] te [plaats] op 23 januari 2017.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

09/857354-16 (dagvaarding I)

1. Subsidiair

hij op 02 juni 2016 te [plaats] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door

listige kunstgrepen [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een Iphone 6, door:

- die [benadeelde] te betalen met vals geld;

2.

hij in de periode van 07 juni 2016 tot en met 08 juni 2016 te [plaats] , een bromfiets heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3. Subsidiair: ter berechting gevoegd: 09/817454-16:

hij in de periode van 24 februari 2016 tot en met 2 maart 2016 te [plaats] , goederen, te weten:

- een bankpas van de Rabobank op naam van [benadeelde] en

- een Nederlands rijbewijs op naam van [benadeelde] e/v [benadeelde] en

- een betaalpas van de ING bank op naam van [benadeelde] en

- een kentekenbewijs (kenteken [kenteken]

heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist

dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

4. ter berechting gevoegd: 09/817631-16:

hij op 15 februari 2016 te [plaats] , opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, met de vuist tegen/op het gezicht heeft geslagen en bij de keel heeft gepakt en in de keel heeft geknepen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

5. ter berechting gevoegd: 09/817631-16:

hij op 15 februari 2016 te [plaats] , opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met de vuist tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden;

09/842053-17 (dagvaarding II)

1.

hij op 31 januari 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres] weg te nemen goederen van zijn gading, toebehorende aan [benadeelde] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededaders met een steen een ruit van die woning heeft/hebben verbroken en die woning hebben betreden en een of meer kamers en ladekasten in voornoemde woning heeft/hebben doorzocht;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 december 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit een woning aan de [adres] ) heeft weggenomen muntgeld en een digitale fotocamera en een mes en een horloge, toebehorende aan [benadeelde] , zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft door middel van braak;

4.

hij op 23 januari 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen van zijn gading, toebehorende aan [benadeelde] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte met een steen, een ruit van die woning getracht heeft in te gooien waardoor de buitenste ruit kapot is gegaan

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II) onder 4 ten laste gelegde feit betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Er was namelijk sprake van vrijwillige terugtred.

De verdachte is uit eigener beweging gestopt met de poging in te breken. Nadat hij de eerste steen had gegooid en de buitenste laag van de het dubbele glas van het raam had verbroken, heeft de verdachte tegen degene met wie hij samen was gezegd dat het niet goed voelde en dat ze weg moesten gaan

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gemotiveerd tegen het verweer van de raadsvrouw verzet.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht bepaalt – voor zover hier van belang – dat geen sprake is van voorbereiding als het misdrijf niet is voltooid vanwege omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Het besluit om te stoppen moet het gevolg zijn van spontane besluitvorming door verdachte en niet uitsluitend als gevolg van externe omstandigheden die hebben plaatsgevonden.

In het geval van een voltooide poging is vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Wetboek van Strafrecht niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt ook dan - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169, NJ 2007/29).

Hoewel de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij de inbraak niet heeft voortgezet ‘omdat het niet goed voelde,’ kan uit de gebezigde bewijsmiddelen bezwaarlijk anders volgen dan dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid doordat het niet is gelukt de tweede ruit van het dubbele glas kapot te gooien. De enkele aan het beroep op vrijwillige terugtred ten grondslag gelegde omstandigheid dat bij verdachte gewetenswroeging optrad, doet daaraan niet af.

Evenmin is gebleken van een zodanig optreden van de verdachte dat dit naar aard en tijdstip geschikt was om het intreden van het gevolg te beletten. Aldus is er geen sprake van vrijwillige terugtred en wordt het verweer verworpen.

Daarmee komt de rechtbank tot de slotsom dat alle bewezenverklaarde feiten volgens de wet strafbaar zijn, aangezien ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 206 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd alsook een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte] ,

[medeverdachte] en [medeverdachte] en een locatieverbod voor de gemeente [plaats] voor de duur van de proeftijd, tenzij onder begeleiding van een aangewezen volwassene en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, alsmede dat aan de verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige wordt opgelegd voor de duur van 12 maanden, te vervangen door 6 maanden jeugddetentie, indien de verdachte niet naar behoren heeft meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, bestaande uit begeleiding door ITB Harde Kern en het volgen van een behandeling bij het Palmhuis, en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar zal zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het opleggen van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en ook niet tegen de dadelijke uitvoerbaarheid van maatregel, voorzover het betreft het deelnemen aan ITB Harde Kern en het volgen van een behandeling bij het Palmhuis. De raadsvrouw heeft zich wel verzet tegen een contactverbod en een locatieverbod. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest wordt opgelegd en dat er geen voorwaardelijk strafdeel meer wordt bepaald, nu de verdachte in totaal al acht maanden in een schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gelopen en zich aan een avondklok en elektronische controle heeft moeten houden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, aan schuld- en opzetheling en aan de mishandeling van twee BOA’s van de gemeente [plaats] . Ook heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak alsmede twee pogingen daartoe.

Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebracht aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen, waaraan de slachtoffers sterk zijn gehecht. Bovendien wordt door een woninginbraak een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen. De verdachte en zijn mededaders hebben zich niets gelegen laten liggen aan deze omstandigheden en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht. Ook de andere vermogensdelicten waar de verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt zoals de oplichting en de schuld- en opzetheling laten zien dat de verdachte geen enkel respect heeft voor de eigendommen van anderen. Heling is bovendien een verwerpelijk feit. De diefstal van goederen wordt bevorderd door het kennelijke gemak waarmee gestolen goederen worden geheeld.

Door het mishandelen van twee buitengewone opsporingsambtenaren, werkzaam voor de gemeente [plaats] , heeft de verdachte er blijk van gegeven ook geen enkel respect te hebben voor het gezag en de werkzaamheden van handhavers. Dergelijke feiten betekenen een ondermijning van het openbaar gezag.

De rechtbank rekent de verdachte alle feiten zwaar aan.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 september 2017, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke en andere feiten.

Van deze eerdere veroordelingen is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan en dit baart de rechtbank zorgen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 14 juni 2017 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. A.C.J. Schrama, GZ-psycholoog/orthopedagoog, alsook op het Pro Justitia rapport

d.d. 20 juni 2017 betreffende het psychiatrisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater.

Volgens de rapporteurs lijdt de verdachte aan een licht verstandelijke beperking, een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Op grond van de weging die met zowel de Savry als de Saprof is uitgevoerd, is de verwachting op een nieuw geweldsdelict matig, op andere delicten matig tot hoog. Met name factoren als copingvaardigheden, impulsiviteit, hanteren van boosheid, gebrek aan empathie/berouw en het gebrek aan binding met school dragen bij tot het risico.

De verdachte heeft moeite overzicht te krijgen en de gevolgen van zijn handelen in te zien. Hij laat zich leiden door eigen behoeften en impulsen, stelt zijn belang voorop, weigert zich te houden aan regels of te laten aanspreken door autoriteiten, liegt, bedriegt en mishandelt. Met deze antisociale levensinstelling neemt de kans op recidief van een agressief getint incident (bedreigen, afpersen, mishandelen) toe.

Beschermende factoren die van invloed zijn op het voorkomen van herhaling zijn vooral te vinden in de ouders en familie die een positieve invloed op de verdachte hebben en erg betrokken zijn op hem.

Een behandeling bij Het Palmhuis is gelet op voornoemde problematiek aangewezen.

Daarnaast heeft de verdachte een stevige structuur nodig waarin hij beschermd wordt tegen negatieve invloeden van buiten. Een dagbesteding die hem structuur en invulling van de dag biedt, is van belang.

Geadviseerd wordt, indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen zodat de verdachte behandeld kan worden in een strak kader en direct de consequenties ondervindt als zijn medewerking te kort schiet. Met name de verminderde cognitie maakt een lik op stuk beleid wenselijk, zodat de verdachte direct de gevolgen van zijn daden ervaart. De gedragsbeïnvloedende maatregel is daarvoor met name aangewezen en binnen dit kader kunnen andere maatregelen, (behandeling bij Het Palmhuis, elektronisch toezicht, gebiedsverbod, ITB Harde Kern) naadloos worden ingepast en zo nodig bijgesteld of aangevuld.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de kans op recidive uit voornoemde rapporten over en onderschrijft het gegeven advies tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een groot aantal voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) alsook van de Stichting Jeugdbescherming west over de persoon van de verdachte, waaronder het meest recente het rapport van de Raad d.d. 29 augustus 2017.

Ook de Raad beschouwt enkel een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden te licht, gezien de ernst van de problematiek in combinatie met weinig probleembesef en probleeminzicht bij de verdachte, waardoor hij niet intrinsiek gemotiveerd lijkt voor behandeling en begeleiding. Om die reden is een gedragsbeïnvloedende maatregel geïndiceerd ombij de verdachte een blijvende gedragsverandering te bewerkstelligen en verder afglijden te voorkomen.

Geadviseerd wordt een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 1 jaar op te leggen in de vorm van jeugdreclassering, met daarbij dagbehandeling vanuit het Palmhuis gericht op de verdachte en zijn systeem, met bepaling dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Daarnaast adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk staat aan het voorarrest onder de bijzondere voorwaarden dat de begeleiding door de jeugdreclassering gedurende de eerste zes maanden uit ITB Harde Kern zal bestaan, dat de verdachte zal meewerken aan de meldplicht en een dagbesteding in de vorm van werk of onderwijs zal hebben, met bepaling dat ook het toezicht en de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De Raad heeft het advies aangepast in de zin dat de ITB Harde Kern deel uit dient te maken van de gedragsbeïnvloedende maatregel

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft mevrouw Tonkes, werkzaam bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gehoord als deskundige, meegedeeld dat de begeleiding in het kader van ITB Harde Kern na de overdracht van de jeugdreclasseringsbegeleiding van Stichting Jeugdbescherming west aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering anders is aangepakt.

De verantwoordelijkheid is veel meer bij de ouders gelegd en niet meer bij de verdachte zelf.

Er is een 24 uurs weekrooster vastgesteld waarbij de verdachte niet alleen op pad mocht gaan en zich op vaste tijden in zijn kamer en in de huiskamer moest bevinden. Hoewel de verdachte in het begin mopperde en zich als een kleine jongen behandeld voelde, was er op een gegeven moment wel sprake van een omslag bij de verdachte en zijn gezinsactiviteiten en gesprekken binnen het gezin op gang gekomen.

ITB Harde Kern is thans gestagneerd als gevolg van de voorlopige hechtenis van de verdachte uit anderen hoofde maar zodra dit kan worden voortgezet, zal de verdachte moeten laten zien dat hij zich voor het traject inzet. Er zal gestart worden met een behandeling bij Het Palmhuis met onder andere psychomotore therapie, maar er zal ook worden bekeken of de verdachte te zijner tijd de overstap naar De Waag zal kunnen maken, omdat hij graag de dagbesteding bij Trix weer zou willen oppakken.

Mevrouw Tonkes heeft voorts aangegeven dat het locatieverbod om niet in [plaats] aanwezig te zijn in ITB Harde Kern kan worden meegenomen. De verdachte zal gedurende de eerste acht weken van zijn ITB traject steeds onder toezicht van een aangewezen volwassene zijn. Hij zal een strak dagschema hebben en zich niet alleen in [plaats] mogen bevinden. Elektronisch toezicht ter controle is dan ook niet nodig. Een contactverbod met [medeverdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte] is wel aangewezen voor een periode van zes maanden. Er is één vriend waar de verdachte wel contact mee mag hebben, die is goedgekeurd.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende straf en maatregel. Zij houdt daarbij rekening met de ernst van de feiten, de justitiële geschiedenis van de verdachte, de oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en de adviezen van de psycholoog en de psychiater, de Raad en de jeugdreclassering.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan het voorarrest van de verdachte een passende reactie vormt.

De rechtbank ziet geen aanleiding tevens een voorwaardelijke straf op te leggen, nu de verdachte zich aan het strakke kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel zal moeten houden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst en de veelvuldigheid van de begane misdrijven mede aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie en een bedreigde persoonlijkheids-ontwikkeling met antisociale en narcistische trekken maken dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is. Indien de behandeling uitblijft is de kans op recidive matig tot hoog. Doordat de verdachte moeite heeft overzicht te verkrijgen en de gevolgen van zijn handelen in te zien en een antisociale levensinstelling heeft, bestaat het risico dat de verdachte wederom een misdrijf zal plegen, waarbij ook weer sprake kan zijn van agressie. De ontwikkeling van de verdachte naar volwassenheid verloopt nu allesbehalve voorspoedig. De rechtbank meent dat gedragsverandering nodig is om die ontwikkeling van de verdachte naar volwassenheid positief te beïnvloeden.

De rechtbank zal de gegeven adviezen om de verdachte de eerste zes maanden aan ITB Harde Kern te laten deelnemen en behandeling bij Het Palmhuis te laten volgen, overnemen.

Hiermee wordt beoogd om een blijvende gedragsverandering te bereiken en te voorkomen dat de verdachte verder afglijdt. Het is van belang dat deze behandeling wordt geboden in de vorm van een gedragsbeïnvloedende maatregel, omdat een intensieve, relatief langdurige en niet vrijblijvende aanpak van gedragsinterventie met een duidelijke stok achter de deur is geïndiceerd.

De rechtbank vindt het voorts belangrijk dat de verdachte een dagbesteding in de vorm van werk of onderwijs zal hebben, hetgeen in het kader van ITB Harde Kern gerealiseerd kan worden. Zowel het contactverbod met de mededaders [medeverdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte] als het locatieverbod om niet in [plaats] aanwezig te zijn zonder een daartoe aangewezen volwassene, acht de rechtbank passend en geboden omdat zijn vrienden in [plaats] de verdachte weinig goeds hebben gebracht en de verdachte, naar ook ter zitting is gebleken, moeite heeft om afstand van hen te nemen. De duur van het locatieverbod en het contactverbod bepaalt de rechtbank op maximaal 6 maanden.

De invulling daarvan laat de rechtbank over aan de begeleiders van ITB Harde Kern zodat een en ander kan worden afgestemd op de verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank heeft er voorts vertrouwen in dat er duidelijk afspraken zullen worden gemaakt en dat elektronisch toezicht derhalve niet nodig is.

De rechtbank zal bevelen dat het programma dadelijk uitvoerbaar is, nu er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang is van de verdachte.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

Parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I)

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 624,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 506,16, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 390,34, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 4 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.275,12, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de benadeelde partij heeft mr. G.W. Kleisen ter terechtzitting de vordering toegelicht.

Parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II)

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 701,80, vermeerderd met de wettelijke rente.

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 355,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde] heeft zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 355,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

Parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ad € 624,-, met oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen [benadeelde] en

[benadeelde] in verband met de gevorderde vrijspraak van feit 3 primair;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ad € 2.275,12,

met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:

- afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], nu uit het vonnis van

medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat de geleden schade reeds door de verzekeraar is vergoed;

- toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde] en ,

ieder ad € 355,-, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I)

De raadsvrouw bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] wordt gematigd.

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde] en [benadeelde] bepleit, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 3 primair.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] primair afwijzing bepleit, nu er gezien de medische verklaring geen causaal verband bestaat tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en het letsel van de benadeelde partij en de vordering voorts een te grote belasting is voor het strafgeding. Subsidiair heeft de raadsvrouw matiging van de vordering bepleit gelet op de medeschuld van de benadeelde partij.

Parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II)

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] bepleit, nu de geleden schade reeds is vergoed.

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde] bepleit, gelet op de bepleite vrijspraak.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I)

Feit 1

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is, hoewel namens de verdachte betwist, naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de door [benadeelde] geleden schade begroten op € 600,-, zijnde het bedrag dat de verdachte voor de telefoon zou betalen.

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van verdachte toewijzen tot dit bedrag.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 2 juni 2016 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] .

Feit 3

De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde]

niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van de diefstal, het onder 3 primair ten laste gelegde feit, waarop de vorderingen betrekking hebben, is vrijgesproken.

Feit 4

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat het rechtstreekse verband tussen de geleden schade en de aan de verdachte verweten gedraging niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld.

De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II)

Feit 1

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien niet duidelijk is of de geleden schade reeds is vergoed door de verzekeraar.

Feit 3

De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het ten laste gelegde feit, waarop de vorderingen betrekking hebben, is vrijgesproken.

8 De inbeslaggenomen goederen

De lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) vermeldt de volgende onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen:

1. 1.00 STK Gereedschap; 1 Moersleutel maat 17;

2. 1.00 STK Schroevendraaier Kl:Blauw;

3. 1.00 STK Magneet; magneethouder;

4. 1.00 STK Slot Kl: Wit; STAHLEX Hang.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 3 en 4 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen geen verweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 4 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar,

aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het in de zaak met parketnummer 09/857354-16 onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien

dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77gg, 300, 304, 311, 326, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding (I) met parketnummer 09/857354-16 onder 1 primair en 3 primair en bij dagvaarding (II) met parketnummer 09/842053-17 onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding (I) met parketnummer 09/857354-16 onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 en bij dagvaarding (II) met parketnummer 09/842053-17 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

09/857354-16 (dagvaarding I)

feit 1 subsidiair

OPLICHTING;

feit 2

SCHULDHELING;

feit 3 subsidiair (09/817454-16 t.b.g.)

OPZETHELING;

feit 4 (09/817631-16 t.b.g.)

MISHANDELING, TERWIJL HET MISDRIJF WORDT GEPLEEGD TEGEN EEN AMBTENAAR GEDURENDE OF TERZAKE VAN DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN BEDIENING;

feit 5 (09/817631-16 t.b.g.)

MISHANDELING, TERWIJL HET MISDRIJF WORDT GEPLEEGD TEGEN EEN AMBTENAAR GEDURENDE OF TERZAKE VAN DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN BEDIENING;

09/842053-17 (dagvaarding II)

feit 1

POGING TOT DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

feit 2

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

feit 4

POGING TOT DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 MAANDEN, die bestaat uit:

- het deelnemen aan ITB Harde Kern, gedurende de eerste zes maanden van

de maatregel, inclusief huisbezoeken en het zich op door ITB Harde Kern en/of de

jeugdreclassering te bepalen tijdstippen melden, zo frequent en zo lang deze

instelling dat noodzakelijk acht;

- het zich onder behandeling stellen van Het Palmhuis of een soortgelijke instelling,

op de tijden en plaatsen als door die instelling aan te geven;

- het hebben van een dagbesteding in de vorm van werk of onderwijs;

- het zich gedurende een periode van maximaal zes maanden ter beoordeling aan de

begeleiders van ITB Harde Kern/jeugdreclassering, niet in [plaats] bevinden,

tenzij onder begeleiding van een aangewezen volwassene;

- het gedurende een periode van maximaal zes maanden, ter beoordeling aan de

begeleiders van ITB Harde Kern/jeugdreclassering, op geen enkele wijze - direct of

indirect, contact opnemen of zoeken met [medeverdachte], geboren op [geboortedatum]

, wonende [adres] , [medeverdachte] ,

geboren op [geboortedatum] , wonende [adres]

en [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] , wonende

[adres] ;

bepaalt dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot taak heeft;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 MAANDEN;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 146 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

parketnummer 09/857354-16 (dagvaarding I)

feit 1

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde], een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

feit 3

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde]

niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot schadevergoeding;

feit 4

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

parketnummer 09/842053-17 (dagvaarding II)

feit 1

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

feit 3

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 4 genummerde voorwerpen, te weten:

1.1.00 STK Gereedschap; 1 Moersleutel maat 17;

2.1.00 STK Schroevedraaier K1:Blauw;

4. 1.00 STK Slot Kl:Wit; STAHLEX Hang

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten:

3. 1.00 STK Magneet; magneethouder.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, voorzitter,

mr. B. Bastein, kinderrechter,

en mr. C.F. Mewe, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Eenheid Den Haag, met het nummer PL1500-2016163107Z, doorgenummerd als pagina 1-119.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 12-14.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 15.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 16-17.

5 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten, p. 60-61.

6 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 5-6.

7 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 18-27.

8 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 9-10.

9 Proces-verbaal van aanhouding van de verdachte [verdachte] , p. 62-63.

10 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 18-27.

11 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 28.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Eenheid Den Haag, met het nummer PL1500-2016054891, doorgenummerd als pagina 1-237.

13 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , met bijlagen, p. 35-45.

14 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 64-73.

15 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Eenheid Den Haag, met het nummer PL1500-2016054891, doorgenummerd als pagina 1-237.

16 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 90-91.

17 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, p. 92-95.

18 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 96-97.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 98-100.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige N.H.G. [getuige] , p. 101-102.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 113.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige N.H.G. [getuige] , met bijlage, p. 216-219.

23 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 28 september 2017.

24 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Eenheid Den Haag, met het nummer PL1500-2017030111, doorgenummerd als pagina 1-474.

25 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , met bijlagen, p. 461-467

26 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 469-470.

27 Rapport dactyloscopisch onderzoek, p. 471-474.

28 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 28 september 2017.