Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12531

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
NL17.6471
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghaanse nationaliteit, asiel, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6471


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 september 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2016 gegrond verklaard (AWB 16/25475).

Bij besluit van 31 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voorts is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) dan wel voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6.1e van het Vb 2000.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.6472, plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1980 en de Afghaanse nationaliteit te bezitten.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij van 2011 tot 2013 als tolk Engels voor verschillende onderdelen van de internationale troepenmacht in Afghanistan heeft gewerkt. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens deze werkzaamheden verscheidende malen is bedreigd door de Taliban en door leden van het Afghaanse leger om te stoppen met zijn werkzaamheden als tolk. Eveneens heeft eiser verklaard dat hij tijdens een missie gewond is geraakt door toedoen van de lokale bevolking. Eiser vreest bij terugkeer naar Afghanistan te worden mishandeld en gedood vanwege zijn vroegere tolkwerkzaamheden.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Verweerder heeft in het relaas van eiser de volgende elementen van belang geacht: (i) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; (ii) de werkzaamheden als tolk voor de internationale troepenmacht; en (iii) de problemen als gevolg van zijn werkzaamheden als tolk. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde werkzaamheden als tolk en de ondervonden problemen als gevolg van deze werkzaamheden acht verweerder echter niet geloofwaardig, gelet op eisers vage, summiere, niet eenduidige, onsamenhangende, wisselende en tegenstrijdige verklaringen hierover. Verweerder heeft het certificate of completion en het certificate of appreciation niet onderzocht op echtheid, maar is ervanuit gegaan dat het originele documenten zijn. Verder stelt verweerder dat aan het programmaboekje van de Graduation Ceremony en de kleurenfoto’s niet de waarde kan worden toegekend die eiser eraan zou willen hechten, omdat het programmaboekje een kopie is en van eiser mocht worden verwacht dat hij over de foto’s meer kon vertellen dan hij heeft verteld. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000.

4. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dat verweerder pauzes heeft ingelast tijdens het nader gehoor betekent niet dat tegenstrijdigheden altijd kunnen worden tegengeworpen. Bij eiser is sprake van klachten die duiden op een PTSS, welke klachten van invloed kunnen zijn op zijn vermogen om adequaat te verklaren. Verweerder heeft hiervan bij de beoordeling van eisers asielrelaas onvoldoende rekenschap gegeven. Daarnaast heeft verweerder ondanks dat rekening moest worden gehouden met eisers klachten, gelet op het advies van het FMMU, met name over de overgelegde kleurenfoto’s onvoldoende doorgevraagd. Eiser voert verder aan dat verweerder, onder verwijzing naar het WBV 2014/36, de door hem overgelegde documenten en de kleurenfoto’s onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn asielrelaas. Blijkens het originele certificate of completion heeft hij aangetoond dat hij de opleiding als tolk heeft afgerond en blijkens het certificate of appreciation heeft hij aangetoond dat hij werkzaam is geweest op de [basis] voor de Georgische troepen. Voorts blijkt uit de kleurenfoto’s dat hij als tolk werkzaamheden heeft verricht voor de buitenlandse troepenmacht. Verweerder betwist niet dat de door eiser overgelegde documenten aan hem toebehoren en dat eiser staat afgebeeld op de foto’s. Van het programmaboekje bestaat geen origineel document, omdat dit boekje alleen in kopie is verspreid. Gelet hierop heeft eiser wel degelijk aannemelijk gemaakt dat hij als tolk heeft gewerkt voor de buitenlandse troepenmacht. Eiser wijst erop dat verweerder naar aanleiding van de zienswijze een groot aantal overwegingen heeft laten vallen. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder eisers asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Gelet op het bewijsmateriaal dat is overgelegd, kon in redelijkheid niet tot het oordeel gekomen worden dat er sprake is van kennelijke ongegrondheid. Gelet op het voorgaande en op uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2016 is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk niets wezenlijks veranderd in zijn motivering ten opzichte van het vorige door de rechtbank vernietigde besluit.

5. Verweerder heeft ter zitting verweer gevoerd en daarbij ook voor het eerst een subsidiair standpunt ingenomen ten aanzien van de door eiser gestelde vrees bij terugkeer naar Afghanistan, namelijk dat eiser zich als vestigingsalternatief in Kabul kan vestigen.

6. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

7. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, nadat de relevante elementen van het asielrelaas zijn vastgesteld, de geloofwaardigheid van die elementen wordt beoordeeld. Vervolgens worden de relevante elementen die als geloofwaardig worden aangenomen en de elementen die als ongeloofwaardig worden aangemerkt, niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang gewogen. De rechtbank wijst hierbij op paragraaf C1/3.3 van het WBV 2014/36 en de door verweerder gehanteerde werkinstructie bij de nieuwe integrale geloofwaardigheidstoets (werkinstructie 2014/10).

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat het subsidiaire standpunt van verweerder ten aanzien van het vestigingsalternatief Kabul eerst ter zitting naar voren is gebracht. Nu eiser hierop niet was voorbereid en zich daardoor niet adequaat kon verweren, zal de rechtbank het subsidiaire standpunt van verweerder wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling van het beroep betrekken.

8.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder thans, anders dan in het vorige - door deze rechtbank vernietigde - besluit, voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat het niet geloofwaardig is dat eiser daadwerkelijk als tolk voor de internationale troepenmacht in Afghanistan werkzaamheden heeft verricht op grond waarvan hij bij terugkeer een reële vrees heeft voor een door artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verboden behandeling. Verweerder heeft daarbij, anders dan eiser stelt, thans wel degelijk de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde documenten en foto’s zowel apart als in onderlinge samenhang beoordeeld. Verweerder heeft in dat kader niet ten onrechte van belang geacht dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat eiser daadwerkelijk als tolk heeft gewerkt zoals hij stelt. Uit het feit dat eiser met militairen op een foto staat en dat hij bepaalde cursussen met goed gevolg heeft afgelegd kan niet worden opgemaakt dat eiser tijdens missies met de internationale troepenmacht daadwerkelijk tolkwerkzaamheden heeft verricht. Bij het bepalen van de waarde die verweerder aan de overgelegde documenten heeft mogen geven, heeft verweerder het verder niet onrechte van belang geacht dat uit het certfication of completion niet blijkt waaraan eiser precies heeft deelgenomen en hoe hij de internationale troepenmacht heeft ondersteund. Verweerder heeft verder de taalfout in het woord coalition en de zinsnede ‘I will trust in my God Allah’ in het programmaboekje van de Graduation Ceremony van de Amerikaanse organisatie Mission Essential Personnel (MEP) bevreemdend kunnen vinden. Het gaat immers om een Amerikaanse organisatie die tolken traint in de Engelse taal. De door eiser gegeven verklaring voor het laatste, namelijk dat alle tolken bij MEP moslim zouden zijn, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen.

8.3.

Verweerder heeft verder niet ten onrechte geconcludeerd dat het evenmin uit de overgelegde documenten in samenhang met de verklaringen van eiser aannemelijk is geworden dat eiser daadwerkelijk als tolk voor de coalitietroepen in Afghanistan werkzaamheden heeft verricht. Daarbij heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij überhaupt aan de baan bij MEP is gekomen. Verder heeft verweerder het eiser kunnen tegenwerpen dat hij enkel vaag en summier heeft verklaard over de sollicitatieprocedure en hoe en waarom hij is aangenomen. Tot slot heeft verweerder het eiser terecht tegengeworpen dat hij vaag en wisselend heeft verklaard over wie nu precies zijn werkgever was.

9. Reeds gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gestelde werkzaamheden van eiser als tolk voor de internationale troepenmacht in Afghanistan, alsmede de daaruit voortgevloeide problemen, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft hierin dan ook geen reden hoeven zien een schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig te achten bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser komt dan ook niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

10. Nu verweerder heeft geconcludeerd tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas op grond van kennelijk valse en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen van eiser, heeft verweerder de aanvraag tevens af kunnen wijzen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.