Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12523

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16_30172
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30172 en AWB 16/30176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer], en

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer],

mede namens hun minderjarig kind

[kind] , geboren op [geboortedatum] 2016,

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Op 6 oktober 2016 hebben eisers een aanvraag ingediend tot het verlenen van een

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet

2000 (Vw 2000). Bij besluiten van 22 december 2016 heeft verweerder de aanvragen niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Op 22 december 2016 hebben eisers tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eisers hebben de Georgische nationaliteit en verblijven als vreemdelingen in Nederland.

Eisers zijn de Europese Unie ingereisd op een door Tsjechië afgegeven Schengenvisum voor kort verblijf, geldig van 18 juni 2016 tot 8 juli 2016. Op 27 juni 2016 hebben eisers in Duitsland een asielaanvraag ingediend. Op 6 oktober 2016 hebben eisers vervolgens een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen omdat zij Duitsland, op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Verordening), verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag. De Nederlandse autoriteiten hebben Duitsland daarom op 6 oktober 2016 verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening. Op 30 november 2016 zijn de Duitse autoriteiten akkoord gegaan met terugname op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening. In het bestreden besluit heeft verweerder voorts overwogen dat niet is gebleken van concrete aanwijzingen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt alsmede dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Dat de pasgeboren zoon van eisers onder behandeling staat voor rhesusantagonisme is daartoe onvoldoende nu niet is gebleken dat behandeling niet in Duitsland kan plaatsvinden.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de voorgenomen overdracht aan Duitsland. Eisers voeren hiertoe aan, kort samengevat en voor zover van belang, dat Nederland wel degelijk het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van de zoon van eisers. Hij heeft wekelijks controle en bloedonderzoek nodig en dit blijft noodzakelijk tot het verwachte herstel optreedt ongeveer drie tot zes maanden na de geboorte. Om de goede zorg en volledig herstel te waarborgen dient uit te worden gegaan van 1 mei 2017. Gelet op de slechte ervaringen met Duitse ziekenhuizen van eisers, stellen zij subsidiair dat overdracht enkel mogelijk kan zijn indien individuele garanties voor voorzetting van de behandeling worden gegeven, zodat de kinderarts van de Treant Zorggroep de zorg een-op-een kan overdragen. Zonder deze Tarakhel garanties moet overdracht in strijd worden geacht met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus eisers. Eisers hebben de noodzaak van medische behandelingen voor hun zoon onderbouwd met een verklaring van 23 december 2016 van de behandelend kinderarts, Drs. W. Rijskamp-Schakel en een verklaring van 2 januari 2017 van Prof. Dr. A.F. Bos, hoofd afdeling neonatologie van het UMCG.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van de Verordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is.

Artikel 17, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Verordening verstrekt de overdragende lidstaat, enkel om ervoor te zorgen dat de adequate medische verzorging of behandeling gegeven wordt aan met name personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, minderjarigen en personen die zijn blootgesteld aan foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld, voor zover zijn bevoegde autoriteit overeenkomstig het nationale recht daarover kan beschikken, aan de verantwoordelijke lidstaat informatie over eventuele bijzondere behoeften van de over te dragen persoon, die in specifieke gevallen ook informatie over de fysieke of mentale gezondheidstoestand van die persoon kan omvatten. De informatie wordt doorgegeven in een gemeenschappelijke gezondheidsverklaring met de nodige bijgevoegde stukken. De verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat goed in deze bijzondere behoeften wordt voorzien, met name als het gaat om essentiële medische zorg.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Eisers hebben in het geheel niet onderbouwd dat er jegens hen ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Er is alleen daarom al geen reden om aan te nemen dat Nederland er in dit specifieke geval niet op mag vertrouwen dat Duitsland, nu deze ermee heeft ingestemd om eisers op grond van de Verordening over te nemen, garandeert dat de internationale verplichtingen zullen worden nagekomen. In Duitsland zijn vergelijkbare medische voorzieningen aanwezig als in Nederland en verweerder mag er dan ook vanuit gaan dat de medische problemen van de zoon van eisers in Duitsland op gelijke wijze kunnen worden behandeld als in Nederland het geval is geweest tot nu toe. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat hun zoon in Duitsland geen toegang heeft tot de benodigde medische zorg noch dat Nederland het meest aangewezen land is om de zoon van eisers te behandelen. Dit blijkt niet uit de overgelegde verklaring van 23 december 2016 van de behandelend kinderarts, Drs. W. Rijskamp-Schakel en evenmin uit de verklaring van 2 januari 2017 van Prof. Dr. A.F. Bos, hoofd afdeling neonatologie van het UMCG. Uit de eerste verklaring blijkt enkel waaruit de behandeling bestaat en dat geen uitspraken kunnen worden gedaan over het land waar de behandeling moet plaatsvinden en uit de tweede verklaring blijkt juist dat de zoon van eisers de benodigde behandeling in Duitsland van iedere kinderarts kan krijgen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde medische stukken niet dat er medische belemmeringen zijn voor een overdracht aan Duitsland. De stelling dat individuele garanties noodzakelijk zijn voor de overdracht gezien de wekelijkse frequentie van de behandeling, volgt de rechtbank niet. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 32 van de Verordening mag verweerder er op vertrouwen dat Duitsland ervoor zorgt dat goed in de bijzondere behoeften van eisers wordt voorzien, met name voor de essentiële medische zorg voor de zoon van eisers. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder benadrukt dat bij de overdracht van eisers aan Duitsland een gemeenschappelijke gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 32 van de Verordening zal worden verstrekt aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande individuele garanties niet vereist zijn en het beroep op het arrest Tarakhel daarom niet slaagt. Gezien het vorenstaande heeft verweerder er tevens in redelijkheid van kunnen afzien toepassing te geven aan artikel 17 van de Verordening en is de aanvraag van eisers terecht op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.