Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12522

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16_30089
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Marokkaanse nationaliteit, klachten verblijf asielzoekers in Duitsland, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Op 6 oktober 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet

2000 (Vw 2000). Bij besluit van 16 december 2016 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Op 22 december 2016 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiser noch zijn is verschenen. . Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser bezit de Marokkaanse nationaliteit en verblijft als vreemdeling in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat zij Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 604/2013) verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag. De autoriteiten van Duitsland zijn op 16 november 2016 verzocht om eiser terug te nemen op eerdergenoemde grond. Op 24 november 2016 zijn zij hiermee akkoord gegaan.

2. Eiser kan zich niet verenigen met de voorgenomen overdracht aan Duitsland. Eiser stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat Duitsland zich niet houdt aan de eisen van de Opvang- en Procedurerichtlijn, omdat de opvang in Duitsland onder de maat is en eiser geen toegang heeft gehad tot adequate rechtsbijstand. Volgens eiser is dus sprake van stelselmatige aan het systeem in Duitsland gerelateerde tekortkomingen. Eiser is van mening dat niet van hem gevergd kan worden dat hij hierover bij de Duitse autoriteiten gaat klagen en dat Nederland de asielaanvraag aan zich dient te trekken.

3. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van de Verordening 604/2013 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening 604/2013 behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening 604/2013 genoemde criteria verantwoordelijk is.

Artikel 17, eerste lid, van de Verordening 604/2013 bepaalt dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening dient verweerder een asielverzoek zelf te behandelen indien ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de verantwoordelijke lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In beginsel echter mag Nederland erop vertrouwen dat als een lidstaat, in dit geval Duitsland, ermee heeft ingestemd om iemand op grond van de Dublinverordening over te nemen, deze lidstaat garandeert dat de internationale verplichtingen zullen worden nagekomen. Het is dan vervolgens aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Eisers enkele stelling dat de opvangvoorzieningen in Duitsland niet behoorlijk zijn is in het geheel niet onderbouwd met objectieve gegevens. Ten aanzien van het betoog, zo begrijpt de rechtbank, dat eiser niet in aanmerking komt voor (kosteloze) adequate rechtsbijstand in Duitsland, heeft verweerder voorts terecht overwogen dat, hoewel uit artikel 19 van de Procedurerichtlijn volgt dat gratis rechtsbijstand in geval van een negatieve beslissing mogelijk moet zijn, uit artikel 21, tweede lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat een lidstaat de voorwaarde kan opleggen dat deze rechtsbijstand enkel wordt aangeboden aan diegenen die niet over voldoende middelen beschikken. Tevens volgt uit artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet wordt aangeboden wanneer een beroep van de verzoeker geen reële kans van slagen heeft. Verweerder heeft dan ook kunnen overwegen dat de enkele omstandigheid dat de juridische bijstand voor asielzoekers in Duitsland anders is geregeld dan in Nederland, niet maakt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Dat eiser in het geheel niet van rechtsbijstand gebruik zou kunnen maken en geen toegang tot de rechter zou kunnen krijgen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.

4.3.

Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser eventuele klachten over de omstandigheden waaronder asielzoekers in Duitsland verblijven – zoals de opvang – bij de Duitse autoriteiten naar voren moet brengen. Bij voorkomende problemen ligt het op de weg van eiser om deze klachten bij de Duitse (hogere) autoriteiten en, indien nodig, bij het EHRM aan te brengen.

5. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank daarom geen grond voor het oordeel dat Duitsland jegens hem zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Dat er in Duitsland sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft verweerder in de genoemde redenen aanleiding hoeven zien het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.