Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16_30083
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Duitsland verantwoordelijk, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30083

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

mede namens zijn minderjarig kind,

[kind] , geboren op [geboortedatum] 2007,

(gemachtigde: mr. J.M. Langenberg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Op 3 oktober 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet

2000 (Vw 2000). Bij besluit van 21 december 2016 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Op 22 december 2016 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser bezit de Egyptische nationaliteit en verblijft als vreemdeling in Nederland. Eiser heeft tweemaal eerder tevergeefs een asielaanvraag ingediend in Nederland en is op 15 oktober 2015 vrijwillig en met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Naar eigen zeggen heeft eiser Egypte op 1 juli 2016 weer verlaten en is eiser via Griekenland, Duitsland en België weer terug naar Nederland gereisd.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat zij Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Verordening) verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag. De autoriteiten van Duitsland zijn op 3 oktober 2016 verzocht om eiser terug te nemen op eerdergenoemde grond. Op 25 november 2016 zijn zij hiermee akkoord gegaan.

3. Eiser kan zich niet verenigen met de voorgenomen overdracht aan Duitsland. Eiser voert hiertoe aan, kort samengevat en voor zover van belang, dat hij nimmer de intentie had om in Duitsland asiel aan te vragen. Hij en zijn zoon hebben al twee keer eerder een asielverzoek in Nederland gedaan en dat was ook nu weer de bedoeling. Eiser heeft dit ook kenbaar gemaakt aan de Duitse autoriteiten, hetgeen op 26 september 2016 geresulteerd heeft in de intrekking van zijn op 20 september 2016 geregistreerde asielaanvraag. Eiser vindt het ook vreemd dat het claimakkoord van 25 november 2016 dateert van voor het voornemen en het bestreden besluit en begrijpt evenmin de opmerking van verweerder dat deze onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de overgelegde intrekkingsverklaring van 26 september 2016. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag aan zich dient te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Verordening nu zijn zoon als vijfjarige in 2012 al naar Nederland kwam, hier tot 15 oktober 2015 heeft gewoond en in die tijd geworteld is in Nederland. Door de asielprocedure in Duitsland zal de persoonlijke ontwikkeling van eisers zoon ernstig verstoord worden.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van de Verordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is.

Artikel 17, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat Nederland er in dit specifieke geval niet op mag vertrouwen dat Duitsland, nu deze ermee heeft ingestemd om eiser en zijn zoon op grond van de Verordening over te nemen, garandeert dat de internationale verplichtingen zullen worden nagekomen. Het karakter van de Verordening is voorts onverenigbaar met de opvatting dat de intentie van de vreemdeling bepalend is voor de vaststelling van het voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke land. Dat eiser van meet af aan de wens had om zijn asielaanvraag in Nederland in te dienen kan er dan ook niet toe leiden dat Nederland de aanvraag aan zich dient te trekken. Dat na het claimakkoord is gebleken dat eiser zijn asielaanvraag in Duitsland heeft ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel reeds nu Duitsland, ook na hiermee te zijn geconfronteerd door verweerder, geen aanleiding heeft gezien zich niet meer verantwoordelijk te achten voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De stelling van eiser, zo begrijpt de rechtbank het betoog althans, dat verweerder pas na het uitbrengen van het voornemen een claim op grond van de Verordening had mogen indienen bij Duitsland treft evenmin doel. Een dergelijke eis volgt niet uit de Verordening (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3832). Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten nopen de asielaanvraag van eiser op grond van zijn discretionaire bevoegdheid aan zich te houden. Dat de minderjarige zoon van eiser eerder al drie jaar in Nederland heeft verbleven, gewend is aan Nederland en de Nederlandse taal spreekt is hiertoe onvoldoende.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.