Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12520

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30106
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghaanse nationaliteit, asiel, geen (relevante) nieuwe elementen, beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30106 en AWB 16/30108

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser 1], eiser, V-nummer [V-nummer],

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer],

mede namens hun minderjarig kind

[eiser 2] , geboren op [geboortedatum] 2014, eiser 2,

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Op 9 september 2015 hebben eisers een (tweede) herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend.

Verweerder heeft bij beschikkingen van 20 december 2016 de aanvragen niet ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 en het onmiddellijke vertrek van eisers gelast.

Tegen deze besluiten hebben eisers op 22 december 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Eisers hebben op 10, 11 en 12 januari 2017 per fax nadere stukken ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eisers hebben gesteld de Afghaanse nationaliteit te hebben en dat ook hun herkomst in Afghanistan, meer specifiek Kaboel, is gelegen. Eisers hebben eerder, in 2014 en 2015, onverrichterzake een tweetal asielprocedures in Nederland doorlopen. In deze twee asielprocedures is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in rechte vast komen te staan, kort samengevat en voor zover van belang, dat eisers weliswaar hebben aangetoond de Afghaanse nationaliteit te hebben maar dat zij hun (recente) herkomst uit Kaboel, Afghanistan, niet aannemelijk hebben gemaakt en dat verweerder daarom terecht de asielmotieven niet heeft getoetst. Verweerder heeft de huidige opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, omdat eisers aan hun opvolgende aanvraag geen (relevante) nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd.

2. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben daartoe tijdens de besluitvormingsfase gesteld, kort samengevat, dat de eerdere in rechte vaststaande conclusies betreffende de herkomst van eisers thans niet meer opgaan nu verweerder in een aantal vergelijkbare zaken alsnog de herkomst uit Afghanistan aannemelijk heeft geacht, ondanks de eerdere vastgestelde ongeloofwaardigheid van de herkomst, identiteit en nationaliteit van die vreemdelingen. Volgens eisers dienen gelijke gevallen gelijk behandeld te worden. Gelet hierop dient verweerder ervan uit te gaan dat eisers als sikhs terug dienen te keren naar Afghanistan. Eisers zijn van mening dat dit niet van hen gevergd mag worden nu de positie van sikhs in Afghanistan zo slecht is dat zij reeds daarom al in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning asiel. Eisers stellen zich dan ook op het standpunt dat het thans vigerende beleid ten aanzien van de sikhs in Afghanistan, waarbij zij als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangemerkt en er dus ook sprake dient te zijn van geringe indicaties, onredelijk is. Eisers hebben hun stellingen onderbouwd met diverse landenrapportages over Afghanistan alsmede een verklaring en oproep van de stichting Singh Sabha Holland.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers met hun beroep op het gelijkheidsbeginsel nog altijd niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun herkomst in Kaboel, Afghanistan, is gelegen nu geen sprake is van gelijke gevallen. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat, ook indien eisers, gezien hun nationaliteit, terug dienen te keren naar Kaboel te Afghanistan, zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij reeds om de enkele reden dat zij sikhs zijn al als verdragsvluchteling dienen te worden aangemerkt dan wel een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens verweerder is het toepasselijke asielbeleid, waarbij sikhs in Afghanistan als risicogroep en als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangeduid, niet onredelijk en dienen er aanvullende geringe indicaties te zijn waaruit blijkt dat sprake is van vrees voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit de meeste recente landeninformatie blijkt niet dat de situatie sinds de totstandkoming van het beleid zodanig verslechterd is voor sikhs dat het beleid nu aangepast dient te worden. Zulks kan ook niet worden afgeleid uit de door eisers ingebrachte landeninformatie, aldus verweerder. Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat evenmin is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die aan de uitzetting van eisers naar Afghanistan in de weg staan.

4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Vw 2000 wordt het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

Ingevolge artikel 31, zevende lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.

Ingevolge artikel 83.0a van de Vw 2000 zal, indien beroep is ingesteld tegen een besluit dat een gelijke strekking heeft als een besluit dat eerder ten aanzien van de indiener van het beroepschrift is ingediend, dit besluit, ook bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden of een relevante wijziging van recht, worden beoordeeld als ware het een eerste afwijzing indien hier wegens bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, de noodzaak tot bestaat.

5. De rechtbank toetst een opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het licht van de door eisers aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de wijze waarop het besluit tot stand is gekomen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat eisers ter zitting het beroep op het gelijkheidsbeginsel, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2428, hebben laten vallen. Gelet hierop en nu eisers geen andere nieuwe elementen of bevindingen aan hun aanvraag ten grondslag hebben gelegd, is er geen grond om te oordelen dat verweerder de aanvragen niet op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 buiten behandeling heeft kunnen stellen.

6.2.

Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere, op de individuele zaken betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw 2000. Uit de door eisers ingebrachte stukken en het meest recente algemeen ambtsbericht Afghanistan van november 2016 blijkt weliswaar, kort samengevat en voor zover van belang, dat sikhs in Afghanistan een minderheidsgroep zijn en net als andere minderheden hebben te lijden onder discriminatie en intimidatie, zowel van overheidswege (in politieke representatie, in overheidsbanen) als in het sociale domein, echter uit deze rapporten blijkt niet dat de situatie voor sikhs in Afghanistan zodanig slecht is dat eisers reeds daarom al een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling ten deel zal vallen bij terugkeer naar Afghanistan. De verklaring van de stichting Singh Sabha Holland leidt niet tot een ander oordeel nu hieraan, omdat deze op verzoek is opgesteld en niet inzichtelijk is op grond van welke gegevens deze is opgesteld, niet de door eisers gewenste waarde kan worden gehecht.

7. Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebbengelegd aan hun opvolgende asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvragen dan ook op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw buiten behandeling kunnen stellen.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.