Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12496

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 22551
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek toepassing artikel 64 Vreemdelingenwet afgewezen, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/22551

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Bij besluit van 3 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 3 oktober 2016 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1960 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 2 mei 2016 heeft eiser aan verweerder verzocht om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000. Om dit verzoek te kunnen beoordelen heeft verweerder op 12 mei 2016 en 23 mei 2016 aan het Bureau Medische Advisering (BMA) om een advies gevraagd. Uit het door het BMA op 4 juli 2016 uitgebracht advies blijkt dat eiser kampt met medische problematiek, te weten oogklachten, suikerziekte en psychische klachten op basis van schizofrenie. Eiser wordt desondanks in staat geacht om te reizen en er wordt op korte termijn geen medische noodsituatie verwacht bij terugkeer naar zijn land van herkomst omdat adequate behandeling daar voorhanden is. Wel wordt mantelzorg noodzakelijk geacht voor het welslagen van de medische behandeling. De mantelzorg bestaat onder andere uit toezicht op het gebruik van medicatie, begeleiding naar artsen en toezicht ter voorkoming van zelfverwaarlozing. Voorts dient eiser tijdens de reis begeleid te worden door een psychiatrisch verpleegkundige en bij aankomst dient er een fysieke overdracht van de behandeling plaats te vinden aan een (huis)arts. Tevens wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, om de medicatie te continueren tijdens de reis en om voldoende medicatie mee te nemen om de reisperiode te overbruggen.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiser om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000 afgewezen onder verwijzing naar voornoemd advies van het BMA. Volgens verweerder blijkt hieruit dat eiser kan reizen en dat adequate behandeling in Marokko voorhanden is. De door het BMA noodzakelijk geachte mantelzorg vormt geen reden hier anders over te denken nu niet is gebleken dat eiser thans mantelzorg ontvangt zoals bedoeld in paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), omdat deze niet door familie wordt verleend. Daarnaast is volgens verweerder niet aangetoond dat er geen familie is in Marokko die de noodzakelijke mantelzorg kan verlenen. Volgens verweerder is er ook geen reden om te veronderstellen dat niet aan de gestelde reisvoorwaarden kan worden voldaan.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de door eiser ontvangen mantelzorg van zijn vrienden, waaronder [persoon A] en [persoon B], niet valt onder mantelzorg als bedoeld in paragraaf A3/7 van de Vc 2000. Volgens eiser werd in eerder beleid, neergelegd in het WBV 2004/48, ook zorg verleend door vrienden als mantelzorg werd beschouwd. Niet valt in te zien waarom dat nu anders is. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat zijn moeder of de mensen die mantelzorg verlenen aan zijn moeder in Marokko de noodzakelijke mantelzorg niet kunnen verlenen. Volgens eiser dient verweerder dit te onderzoeken, bijvoorbeeld door te horen in bezwaar, en mag hij niet uitgaan van de toekomstige onzekere gebeurtenis dat zijn moeder of anderen de medisch noodzakelijke mantelzorg kunnen verlenen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1023.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Uit het beleid van verweerder zoals neergelegd in paragraaf A3/7 van de Vc 2000 volgt ten aanzien van mantelzorg dat verweerder concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken kan plaatsvinden in het volgende geval:

• uit het BMA-advies blijkt dat:

• de vreemdeling een medische behandeling ondergaat;

• mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van deze medische behandeling; en

• sprake is van een medische noodsituatie; en

• de vreemdeling toont aan dat:

• gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 of Nederlander zijn, die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen; en

• in het land van herkomst of bestendig verblijf geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen.

Verweerder verstaat onder mantelzorg de vanwege de aard van de medische aandoening noodzakelijke verzorging van de vreemdeling door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele (thuis)zorg is geen mantelzorg. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.

Verweerder kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf. Verweerder is niet verplicht om onderzoek te doen naar niet of onvoldoende onderbouwde stellingen, aldus het beleid van verweerder.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er in Marokko geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. Eiser heeft weliswaar een verklaring overgelegd van 31 augustus 2016, ondertekend door twee van zijn zussen, waarin deze stellen dat enkel de moeder van eiser in Marokko woont en dat deze niet in staat is de benodigde mantelzorg te verlenen. Deze verklaring is echter op verzoek opgesteld, afkomstig van subjectieve bron en de inhoud wordt niet gestaafd met objectieve stukken zoals een doktersverklaring. Eiser heeft dus niet alleen geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit het ontbreken van een mantelzorgnetwerk in Marokko blijkt, maar heeft evenmin aangetoond dat hij pogingen heeft gedaan om dergelijke bewijsstukken te verkrijgen, bijvoorbeeld door het aanschrijven van een officiële instantie, de huisarts van zijn moeder, een dorpshoofd of een religieuze instantie. De uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser verwijst kan hieraan niet afdoen. Hieruit blijkt niet dat de bewijslast van de stelling dat in het land van herkomst geen mantelzorgnetwerk aanwezig is bij verweerder ligt, maar enkel dat verweerder onder omstandigheden dient te onderzoeken of de aanwezige mantelzorg als toereikend kan worden beschouwd.

5.3.

Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat niet is aangetoond dat de medische behandeling van eiser niet in Marokko kan plaatsvinden. De vraag of verweerder in redelijkheid het beleid kan voeren dat het in Nederland een gezins- of familielid dient te zijn die de mantelzorg verleent, behoeft daarom geen bespreking.

6. Met betrekking tot het standpunt van eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord alvorens op het bezwaar te beslissen, overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De vraag of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar indien uit het bezwaarschrift zelf reeds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.2. is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geoordeeld dat die situatie zich hier voordeed, zodat verweerder af heeft mogen zien van het horen in bezwaar.

7. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Dam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.