Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12480

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 316
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/316

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata)

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van 26 oktober 2015 afgewezen.

Bij besluit van 7 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren in [geboortedatum] 1962 en heeft de Syrische nationaliteit. De zoon van eiseres, [referent] (hierna: referent), is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Syrische nationaliteit. Aan referent is op 15 september 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend.

2. Op 26 oktober 2016 heeft referent ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend om een mvv in het kader van nareis, voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]”.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor nareis op grond van artikel 2, onder f, van de Richtlijn 2003/86/EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn), omdat referent ten tijde van de aanvraag meerderjarig was.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiseres kan zich er niet mee verenigen dat zij niet zou behoren tot de familieleden die in het kader van nareis asiel naar Nederland mogen komen. De wettelijke bepalingen en restricties zijn in dat opzicht in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er bestaat gezinsleven tussen eiseres en referent, dat niet elders kan worden uitgeoefend, aangezien referent het land van herkomst is ontvlucht en hem een verblijfsvergunning asiel is verleend.

Al behoort eiseres niet tot de familieleden die in het kader van nareis asiel naar Nederland mogen komen, dan is verweerder toch gehouden te toetsen of er grond bestaat om het verzoek in te willigen op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2860, waarin is overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw (oud) af te leiden valt dat bedoeld is om deze bepaling in overeenstemming te brengen met de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de term “family life” in artikel 8 van het EVRM heeft gegeven.

Indien dat het geval is, behoren ook anderen dan degenen die genoemd zijn in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw (oud) thans artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, b, c van de Vw 2000 onder het nareis-beleid te vallen.

Ook al zou eiseres niet vallen onder deze bepalingen, dan laat dat onverlet dat eiseres wel in aanmerking zou kunnen komen voor toelating op grond van één van de toelatingsgronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Een mvv biedt de mogelijkheid voor het indienen van een asielverzoek in Nederland door de nareizer. Nu eiseres ook op andere gronden voor toelating in aanmerking kan komen, is het verlenen van een mvv gerechtvaardigd.

Het is onredelijk om eiseres geen mvv te verlenen. Eiseres is volledig geïsoleerd van de rest van het gezin. Haar echtgenoot is overleden en geen van haar kinderen verblijft in Syrië. Eiseres verblijft zonder netwerk in Damascus en verkeert in een zeer onveilige situatie. Bovendien is eiseres ziekelijk. Voor haar veiligheid is eiseres volkomen afhankelijk van referent.

Tot slot stelt eiseres dat verweerder ten onrechte van het horen op bezwaar heeft afgezien.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Ingevolge artikel 2q, in verbinding met 2p, van de Vw 2000 dient een mvv-aanvraag in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, te worden beoordeeld aan de hand van die bepaling.

Het betoog van eiseres dat verlening van een mvv gerechtvaardigd is omdat eiseres na haar komst in Nederland een aanvraag voor een verblijfsvergunning op een andere grond kan indienen dan het doel waarvoor de mvv is aangevraagd, faalt. Een mvv-aanvraag wordt getoetst aan de toelatingsvoorwaarden die voor het door de vreemdeling opgegeven verblijfsdoel gelden. Nu eiseres om een mvv in het kader van nareis heeft verzocht, heeft verweerder de aanvraag terecht aan de toelatingsvoorwaarden voor nareis getoetst. Het is aan eiseres om indien zij een ander verblijfsdoel beoogt een daartoe strekkende mvv-aanvraag in te dienen.

6.2

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat om de reden dat referent meerderjarig is, eiseres niet kan worden aangemerkt als gezinslid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Buiten de in het eerste lid genoemde gezinsleden bevat de Gezinsherenigingsrichtlijn in artikel 4, tweede en derde lid, en artikel 10, tweede lid, facultatieve bepalingen op grond waarvan de lidstaten toestemming voor toegang en verblijf kunnen verlenen aan andere gezinsleden, waaronder ook ten laste komende bloedverwanten van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn van de gezinshereniger of zijn echtgenoot, indien zij in het land van herkomst de nodige gezinssteun ontberen (artikel 4, tweede lid, onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn).

Punt 2.2 van de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging vermeldt in dit verband dat de Gezinsherenigingsrichtlijn volledig toepasbaar is wanneer een lidstaat ervoor kiest om toestemming te verlenen voor gezinshereniging aan één van de in voornoemde artikelen genoemde gezinsleden.

In artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 is er echter niet voor gekozen om gezinshereniging toe te staan voor ouders van meerderjarige in Nederland verblijvende personen. Dat betekent dat in deze zaak de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is. In de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711) is in rechtsoverweging 10.3 overwogen dat de Gezinsherenigingsrichtlijn de lidstaten niet verplicht tot het voorzien in de mogelijkheid van vergunningverlening aan ouders om zich te herenigen met hun meerderjarige kind dat een verblijfsvergunning asiel bezit. In hetgeen door eiseres is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.

6.3

Uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 23 november 2015 volgt ook dat gelet op de strikte scheiding tussen asiel recht en regulier recht die volgt uit de systematiek van de Vw 2000, de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 beperkt dient te worden opgevat, in die zin dat die bepaling geen ruimte biedt voor een verdere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dan de afweging die daarin reeds ligt besloten.

Uit de uitspraken van 19 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1555 en 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424, blijkt dat de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 (oud) (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten voormelde bepalingen plaats dient te vinden in een procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier.

Aan de verwijzing van eiseres naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van

13 november 2002 komt niet de door eiseres gewenste betekenis toe. Ook in deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de Vw 2000 buiten artikel 29 van de Vw 2000 geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life” als bedoeld in artikel 8 van het EVRM biedt. Voor het reguliere verblijfsdoel ‘familie en gezin’, of voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM, kan een mvv voor dat verblijfsdoel worden aangevraagd. In het kader van een dergelijke aanvraag zal er volledig aan artikel 8 van het EVRM worden getoetst. De eerbiediging van het gezinsleven vereist niet dat verweerder gehouden is zijn afwegingen in één integrale toets te verrichten.

6.4

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 4:84 van de Awb niet mogelijk is, nu niet aan een wettelijk vereiste wordt voldaan, omdat referent geen minderjarige vreemdeling in de zin van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is. Dat eiseres ziekelijk is, alleen is en zich in een moeilijke situatie bevindt, kan derhalve niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb tot verlening van de gevraagde mvv leiden.

6.5

Eiseres heeft aangevoerd dat zij en referent ten onrechte niet zijn gehoord op het bezwaar tegen het primaire besluit. Ook deze beroepsgrond kan, gezien het voorgaande, niet slagen. Nu referent meerderjarig is en niet tot de personen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning nareis behoort, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.