Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12471

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
NL17.9884
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zimbabwe, lesbische geaardheid en daaruit voortvloeiende problemen, ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9884


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).


Procesverloop


Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9885, plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Zimbabwaanse nationaliteit. Op 30 december 2015 heeft eiseres de onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft eerder, op 6 december 2005, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 10 oktober 2006 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 28 juli 2011 is de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Maastricht, van 16 december 2011 (ECLI:NL:RBMAA:2011:3979) niet-ontvankelijk verklaard. Op 22 juni 2012 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 7 augustus 2013 is deze aanvraag afgewezen en is er een inreisverbod aan eiseres opgelegd. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12483) is het hiertegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft aan haar derde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij homoseksueel is. Zij heeft hier niet eerder over durven spreken, omdat dit in haar land van herkomst een taboe is. Toen eiseres 14/15 jaar oud was, werd ze zich bewust van het feit dat ze zich aangetrokken voelde tot vrouwen. Eiseres heeft toen een geheime relatie gekregen met haar buurmeisje, dat is begonnen als een spel. Toen eiseres 15/16 jaar oud was, is zij betrapt door een vrouw, terwijl zij en haar vriendin intiem waren bij de wasplaats bij de rivier. In het dorp is het incident algemeen bekend en daarom wordt eiseres regelmatig uitgescholden en lastiggevallen door jongens op straat. Toen eiseres 18/19 jaar oud was, is zij op een boerderij gaan werken als huishoudelijke hulp. Haar broer die daar ook werkte, heeft op de boerderij een man voor eiseres gevonden. Eiseres is een relatie met deze man aangegaan en heeft een zoon van hem gekregen. Eiseres heeft haar land van herkomst verlaten en daardoor is de relatie met haar vriendin geëindigd. In Nederland heeft eiseres een aantal onenightstands met vrouwen en een liefdesrelatie met een man gehad. In [plaats 1] is eiseres een geheime relatie met een vrouw uit Ghana aangegaan, met wie zij ook naar homobars in [plaats 2] ging. Later op het asielzoekerscentrum heeft eiseres een relatie gekregen met [persoon A], een Ugandese vrouw. Via haar is eiseres in contact gekomen met de organisatie Out en Proud en sindsdien woont zij bijeenkomsten van deze organisatie bij. Sinds 2015 is eiseres ook officieel lid.

3. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiseres als relevant gekwalificeerd:

1) De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;

2) De gestelde lesbische geaardheid van eiseres en de daaruit voortvloeiende problemen.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De gestelde lesbische geaardheid van eiseres en de daaruit voortvloeiende problemen zijn echter niet geloofwaardig bevonden.

Voorts kan eiseres niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft zij ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid, nu de lesbische geaardheid van eiseres wel degelijk geloofwaardig is. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder had moeten afzien van het verkorten van de vertrektermijn wegens bijzondere, individuele omstandigheden.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk is verklaard.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de vaste onderzoeksmethode zoals neergelegd in de Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) op een zorgvuldige manier onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief verricht, en dat verweerder met de WI 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de lesbische geaardheid van eiseres de WI 2015/9 heeft gevolgd. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met het daarin vastgelegde beleid het relaas van eiseres heeft beoordeeld. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag zijn aan eiseres vragen gesteld, die samenhangen met de in de WI 2015/9 genoemde thema’s, zoals privéleven; huidige en voorgaande relaties; contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst; toekomst. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder de verklaringen van eiseres met betrekking tot deze thema’s beoordeeld. Ingevolge paragraaf 3 van de WI 2015/9 mag verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen over de seksuele geaardheid, in het algemeen het zwaartepunt leggen op de antwoorden van de vreemdeling op vragen over de eigen ervaring, onder andere bewustwording en zelfacceptatie met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst is en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. Verweerder beziet de verklaringen van de vreemdeling over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde lesbische geaardheid van eiseres en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiseres over het proces van bewustwording en zelfacceptatie op een aantal punten vaag, weinig diepgaand en tegenstrijdig heeft verklaard. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe het anders voelde met vrouwen dan met mannen en ook wordt niet duidelijk hoe eiseres zeker wist dat ze op vrouwen viel. Dat ze bij de vader van haar kind geen gevoelens ervaarde, maakt nog niet dat eiseres alleen op vrouwen valt. Eiseres geeft aan dat ze haar lesbische geaardheid realiseerde toen ze met de vader van haar kind was, terwijl ze later verklaart dat ze pas in Nederland definitief merkte niet op mannen te vallen. De relatie met een Ghanese vrouw zou de bepalende gebeurtenis geweest zijn. Tegelijkertijd geeft eiseres aan dat ze het definitief wist, toen zij tijdens het voorspel met een Nederlandse, blanke man geen connectie voelde. Het is opmerkelijk dat eiseres in Nederland een liefdesrelatie met een man heeft gehad, nu het voor haar al sinds het contact met haar man duidelijk zou zijn geweest dat ze op vrouwen viel. Ook verhoudt het hebben van een liefdesrelatie en intiem contact met haar buurmeisje zich niet met de verklaring van eiseres dat zij op dat moment nog in een ontkenningsfase verkeerde. Dat ze dacht dat het een fase was en wel voorbij zou gaan, maakt nog niet inzichtelijk waarom eiseres een relatie met haar buurmeisje is aangegaan. Het proces van zelfacceptie is niet inzichtelijk gemaakt. Enerzijds verklaart eiseres dat zij problemen met haar lesbische geaardheid had en het verschrikkelijk vond, anderzijds verklaart zij dat ze het voor zichzelf wel accepteerde en geen twijfels had. Hoe het kan dat eiseres ondanks dat ze er problemen mee had, geen twijfels had, is niet duidelijk. Eiseres verklaart dat er een duivel in haar zat en dat ze zich slecht voelde vanwege de buitenwereld die ook invloed op haar innerlijke welbevinden had. Het duurde bovendien lang en het was niet eenvoudig te accepteren. Dit past echter niet in het beeld dat ze het zich voor zichzelf al geaccepteerd had en niet twijfelde.

Voorts overweegt verweerder niet ten onrechte dat eiseres onvoldoende inzicht heeft gegeven in (het ontstaan van) haar relaties in Zimbabwe en in Nederland. Eiseres heeft niet duidelijk weten te maken hoe de gestelde relatie met het buurmeisje zich heeft ontwikkeld van een spel naar een intieme liefdesrelatie. Gelet op de lange duur van de relatie mag verwacht worden dat eiseres meer inzicht kan geven in de ontwikkeling en het verloop van de relatie en het proces van dichter tot elkaar komen. Bevreemdend is dat eiseres nooit met haar vriendin over haar geaardheid zou hebben gesproken. Dat eiseres hier geen woorden voor had, verklaart nog niet dat ze in hun langdurige relatie, gelet ook op de omstandigheid dat ze betrapt zijn, hierover nimmer hebben gesproken. Bevreemdend is ook dat eiseres, voordat ze een relatie met de Ghanese vrouw kreeg, in Nederland onenightstands heeft gehad. Op dat moment worstelde zij met haar lesbische geaardheid en durfde er nog niet voor uit te komen. Bovendien wist zij op dat moment ook nog niet dat er in Nederland een vrijer klimaat bestaat voor homoseksuelen. Ze heeft immers verklaard dat ze daar pas achter is gekomen op het moment dat ze naar [plaats 1] verhuisde en een relatie met de Ghanese vrouw kreeg. Eiseres heeft ook weinig inzicht in het ontstaan en het verloop van haar relaties in Nederland kunnen geven. Hoe deze relaties zich hebben ontwikkeld van een vriendschap naar een liefdesrelatie, blijft onduidelijk. Eiseres maakt ook niet duidelijk hoe zij er in het verleden mee om is gegaan dat ze zich aangetrokken voelde tot vrouwen, maar het tegelijkertijd moeilijk vond om tegen de vrouwen met wie ze een relatie had te vertellen dat ze zich tot hen aangetrokken voelde. Dat haar huidige vriendin, [persoon B], een verblijfsvergunning heeft gekregen op basis van haar lesbische geaardheid, maakt op zichzelf nog niet dat de lesbische geaardheid van eiseres ook geloofwaardig is. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van een partner of derden evenals foto’s en een lidmaatschapspas van een LHBT-organisatie wel degelijk kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van de gestelde lesbische geaardheid, maar onverlet laten dat de vreemdeling (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn seksuele geaardheid en het bewustwordings- en acceptatieproces. Het is aldus allereerst aan eiseres om haar lesbische geaardheid aannemelijk te maken. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, is eiseres hierin niet geslaagd. Aan de door eiseres overgelegde lidmaatschapspas van Out en Proud, de verklaring van COC Zwolle connected van 19 oktober 2017, de foto’s en het rapport van het gehoor van [persoon B] wordt daarom niet de waarde gehecht die eiseres eraan hecht.

Verweerder heeft in de beoordeling betrokken dat eiseres kennis heeft omtrent een LHBT-organisatie hier te lande, maar dat kennis omtrent uitgaansgelegenheden en organisaties betrekkelijk eenvoudig te verkrijgen is. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat het daarmee geen sterke indicatie is voor de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres over haar lesbische geaardheid.

Verweerder heeft niet ingezien dat eiseres haar gestelde lesbische geaardheid niet tijdens haar vorige asielaanvraag naar voren heeft gebracht. Dat eiseres tijdens haar eerste asielaanvraag niet naar voren heeft durven brengen dat zij lesbisch is, volgt verweerder, gelet op de positie van LHBT-ers in haar land van herkomst, wel. Ten tijde van de tweede asielaanvraag was eiseres echter al lange tijd in Nederland, stelt zij homogelegenheden bezocht te hebben en was zij inmiddels op de hoogte van het vrijere klimaat voor homoseksuelen in Nederland. Verweerder heeft deze omstandigheid niet ten onrechte in zijn beoordeling betrokken. Dat eiseres psychische klachten heeft en dat het onder die omstandigheden moeilijk voor haar was om voor haar lesbische geaardheid uit te komen, volgt de rechtbank, maar dit maakt nog niet dat eiseres van haar geaardheid geen melding heeft kunnen maken tijdens haar tweede asielaanvraag.

Verweerder heeft reeds op grond van het bovenstaande, de lesbische geaardheid van eiseres ongeloofwaardig kunnen achten en daarom kan hetgeen verder door eiseres in beroep is aangevoerd, buiten beschouwing blijven.

8. Nu verweerder de aanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, heeft verweerder reeds op basis hiervan de voor een vreemdeling geldende vertrektermijn van vier weken kunnen verkorten. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. In de door eiseres aangevoerde omstandigheid dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en er derhalve kennelijk geen belang bij heeft om eiseres zo snel mogelijk uit te zetten, heeft verweerder geen bijzondere, individuele omstandigheid hoeven zien om hiervan af te zien. Hetzelfde geldt voor de door eiseres in beroep aangevoerde omstandigheid dat zij onder medische behandeling staat en dat het abrupt beëindigen hiervan ernstige consequenties met zich mee kan brengen. De rechtbank overweegt dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 21 september 2017 blijkt dat eiseres medische klachten heeft waarvoor zij onder medische behandeling staat. Daarentegen verwacht het BMA geen medische noodsituatie op de korte termijn bij het uitblijven van deze medische behandeling en wordt eiseres in staat geacht om te reizen.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.