Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1247

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
C/09/503477 / HA RK 16-17
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vaststelling Nederlanderschap. Verzoekster niet met vader meegenaturaliseerd. Beroep op gelijkheidsbeginsel omdat zusje wel de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen slaag niet. Geen sprake van gelijk geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/856
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 16-17

Zaaknummer: C/09/503477

Datum beschikking: 19 januari 2017

Beschikking op het op 14 januari 2016 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. H. Hassan te Zeist.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen: de IND),

zetelend te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 31 maart 2016 van de IND;

  • -

    de brief d.d. 13 juli 2016 van de IND;

  • -

    de brief d.d. 22 augustus 2016 van de officier van justitie.

Op 8 december 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    verzoekster en haar advocaat;

  • -

    de vader van verzoekster;

  • -

    mr. C.M. Meijer namens de IND.

Van de zijde van verzoekster is nog een stuk overgelegd, te weten een bevestiging door de IND, gedateerd 22 februari 2008, van het Koninklijk Besluit van 5 november 1996, waarbij de vader van verzoekster is genaturaliseerd.

De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank vaststelt dat verzoekster met ingang van 8 april 1999 de Nederlandse nationaliteit bezit, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De IND stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.

De officier van justitie heeft schriftelijk verklaard dat zij zich aansluit bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    De moeder van verzoekster, mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder) en de heer [de man] (hierna: [de man] ) zijn met elkaar gehuwd geweest van 16 april 1987 tot 14 september 1992.

  • -

    Verzoekster is geboren uit de moeder op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . De geboorte van verzoekster vond plaats 294 dagen na de ontbinding van het huwelijk van de moeder en [de man] .

  • -

    De moeder en [de man] hadden ten tijde van de geboorte van verzoekster beiden de Egyptische nationaliteit.

  • -

    [de man] is van 15 december 1992 tot 12 september 1997 gehuwd geweest met mevrouw [de vrouw] .

  • -

    Op [geboortedatum] werd uit de moeder geboren [de zus van verzoekster] (hierna: [de zus van verzoekster] ).

  • -

    Bij Koninklijk Besluit van 5 november 1996 verkreeg [de man] de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. In het naturalisatiebesluit was een algemeen voorbehoud opgenomen, inhoudende dat het Nederlanderschap werd onthouden aan de minderjarige kinderen van de genaturaliseerden aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd binnen het Koninkrijk was toegestaan.

  • -

    Verzoekster woonde op de datum van het naturalisatiebesluit van [de man] met haar moeder in het buitenland.

  • -

    Verzoekster is in 1997 met haar moeder weer in Nederland gaan wonen.

  • -

    Op 28 augustus 1999 heeft [de man] [de zus van verzoekster] erkend. Hiermee heeft [de zus van verzoekster] de Nederlandse nationaliteit verkregen.

  • -

    Op 8 april 1999 zijn de moeder en [de man] te Amsterdam opnieuw gehuwd.

  • -

    Verzoekster heeft in ieder geval de Egyptische nationaliteit.

Beoordeling

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij op 8 april 1999 op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen door wettiging bij het huwelijk tussen de moeder en [de man] .

De IND stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat verzoekster op [geboortedatum] is geboren als wettig kind van de moeder en [de man] en dat [de man] dus al vanaf de geboorte van verzoekster de juridische vader van verzoekster is. Nu verzoekster bij de naturalisatie van [de man] niet in Nederland woonde, heeft zij niet meegedeeld in de naturalisatie van haar vader, aldus de IND.

Als eerste dient te worden beoordeeld wanneer de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en [de man] is ontstaan.

De vraag welk recht van toepassing is op het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen door geboorte uit gehuwde of gehuwd geweest zijnde personen is thans geregeld in artikel 10:92 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en was voorheen, vanaf 2003 geregeld in het gelijkluidende artikel 1 van de Wet conflictenrecht afstamming. Weliswaar is deze regeling, gelet op het bepaalde in artikel 10:102 BW, als zodanig uitsluitend van toepassing op rechtsbetrekkingen die na 1 januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd, maar de bepalingen sluiten – aldus ook de daarop gegeven toelichting – in belangrijke mate aan bij het tevoren bestaande ongeschreven recht. Die bepalingen zijn derhalve ook richtinggevend voor de beoordeling van feiten, rechtshandelingen en beslissingen die zich vóór 1 januari 2003 hebben voorgedaan (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293).

Dit betekent dat, overeenkomstig hetgeen thans is bepaald in artikel 10:92 lid 1 BW, de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon, in de eerste plaats bepaald wordt door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon. Hierbij is het tijdstip van de geboorte van het kind bepalend. Nu de moeder en [de man] ten tijde van de geboorte van verzoekster de Egyptische nationaliteit gemeenschappelijk hadden, dient genoemde vraag op grond van het Egyptische recht te worden beantwoord.

Ingevolge het in de onderhavige zaak toepasselijke Egyptisch hanefitische recht is er sprake van een wettig kind als het kind tijdens het huwelijk wordt geboren ten minste zes maanden na de voltrekking van het huwelijk en niet langer dan een jaar nadat het huwelijk is ontbonden. Nu verzoekster 294 dagen na de ontbinding van het huwelijk van de moeder en [de man] is geboren, is zij geboren als wettig kind van haar moeder en [de man] . [de man] is dus vanaf de geboorte van verzoekster haar juridische vader. Dat hij ten tijde van haar geboorte inmiddels gehuwd was met een andere vrouw doet hieraan - ook naar Egyptisch recht - niet af. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het feit dat [de man] op het Egyptische paspoort van verzoekster als haar vader staat vermeld en dat zij zijn naam draagt. Van wettiging (door het latere (tweede) huwelijk tussen de moeder en [de man] ) is reeds hierom geen sprake geweest.

Nu verzoekster ten tijde van de naturalisatie van haar vader geen verblijf in Nederland had, heeft zij, gelet op het voorbehoud dat bij de naturalisatie van haar vader is gemaakt, op 5 november 1996 niet mede de Nederlandse nationaliteit verkregen.

Verzoekster heeft tot slot een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij heeft betoogd dat de omstandigheid dat haar zus [de zus van verzoekster] wel via de vader de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en zij niet, strijdigheid oplevert met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt dat verzoekster, anders dan [de zus van verzoekster] (die is geboren uit een ongehuwde moeder en pas later door [de man] is erkend), is geboren als wettig kind van haar beide ouders. Er is derhalve geen sprake van een gelijk geval, reden waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen limitatief zijn opgesomd in de RWN. Verkrijging van het Nederlanderschap op basis van het gelijkheidsbeginsel valt hier niet onder. Ook hierom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel verzoekster niet baten.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, J. Brandt en J.C. Sluymer, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2017.