Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:12468

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
NL17.9910
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cubaanse, homoseksuele geaardheid geloofwaardig, onvoldoende zwaarwegend, discriminatie, paspoort & vliegticket op de luchthaven verloren, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9910


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: L. Mol).


Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9911, plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Cubaanse nationaliteit. Op 17 september 2017 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend. Vervolgens is aan eiseres de maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij al op jonge leeftijd bewust was van haar seksuele oriëntatie en dat zij zich van jongs af aan als jongen wilde kleden. Hierdoor heeft eiseres zowel thuis als in haar omgeving problemen gekregen. Ze is gediscrimineerd en mishandeld en is benadeeld door de politie. Vanwege deze problemen heeft eiseres geprobeerd zo min mogelijk buiten te komen. Uiteindelijk heeft eiseres besloten om haar land van herkomst te verlaten, omdat ze het niet meer uithield en inzag dat zij op deze wijze geen toekomst had.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiseres als relevant gekwalificeerd:

1) De identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) De homoseksuele geaardheid en wens tot travestie;

3) De problemen als verbonden door eiseres aan de homoseksuele geaardheid en travestie.

Verweerder heeft de verklaringen van eiseres over haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht evenals de verklaringen van eiseres betreffende de homoseksuele geaardheid, de wens tot travestie en de problemen als door eiseres hieraan verbonden.

Daarentegen worden de door eiseres ondervonden problemen door verweerder onvoldoende zwaarwegend geacht. Eiseres kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door haar ondervonden problemen in het land van herkomst wel degelijk zwaarwegend genoeg zijn, zodat eiseres als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag dient te worden aangemerkt dan wel dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Voorts betoogt eiseres dat de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen. Tot slot is eiseres van mening dat het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod, gelet op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht, niet kenbaar is gemotiveerd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

d. de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.

7. De rechtbank stelt voorop dat het asielrelaas van eiseres geloofwaardig is geacht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het asielrelaas voldoende zwaarwegend is voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

7.1.

Niet is gebleken dat de algehele politieke- en mensenrechtensituatie in Cuba zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat er voor eiseres persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

7.2.

Discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), dat niet kennelijk onredelijk is, merkt verweerder discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is met hetgeen eiseres in haar nader gehoor heeft verklaard noch met hetgeen in de gronden van beroep is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de door eiseres ondervonden problemen een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor haar (als homoseksueel) onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Evenwel wordt erkend dat eiseres jarenlang negatief is bejegend door haar familie, haar omgeving en de maatschappij, maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat de situatie onhoudbaar is geworden. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat niet is gebleken dat eiseres vanwege haar geaardheid onderwijs, huisvesting of gezondheidszorg is ontzegd. Eiseres heeft bovendien een opleiding kunnen volgen en is in staat geweest om in haar levensonderhoud te voorzien. Dat eiseres verklaard heeft dat zij gestopt is met haar werkzaamheden in een cafetaria omdat zij zich er heel slecht voelde en dat zij niet is aangenomen bij een attractiepark, maakt dit niet anders. Eiseres heeft immers verklaard dat zij in haar levensonderhoud kon voorzien middels de verkoop van kleding uit Rusland. Verweerder heeft meegewogen dat dit illegale werkzaamheden betrof, maar benadrukt terecht dat eiseres hiervoor nimmer is opgepakt of bestraft en dat het geenszins voor onmogelijk gehouden moet worden dat eiseres eenzelfde soort werk op legale wijze kan verrichten. Voorts is van belang dat eiseres niet nader heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk vanwege haar geaardheid niet is aangenomen bij het attractiepark.

7.4.

Eiseres geeft aan dat zij het lang geprobeerd heeft vol te houden, maar het uiteindelijk niet meer uithield en dat zij zich alleen nog maar ’s nachts op straat durfde te vertonen. Het voelde alsof haar identiteit haar werd ontnomen, nu zij zich vanwege haar geaardheid anders moest voordoen en niet zichzelf kon zijn. Eiseres durfde zelfs niemand meer aan te kijken. In dit verband verwijst eiseres naar paragraaf 55 van het United Nations High Commissioner for Refugees Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status (UNHCR-Handboek). Eiseres geeft aan zij wegens de ondervonden discriminatie zeer bevreesd is. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de discriminatie die eiseres heeft ondervonden ook van dien aard is dat zij dusdanig in haar bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat zij onmogelijk nog kan functioneren in Cuba. Van een vrees die beschreven staat in paragraaf 55 van het UNHCR-Handboek is de rechtbank niet gebleken. Eiseres is immers in staat gebleken om in haar levensonderhoud te voorzien en deel te nemen aan belangrijke onderdelen van het economisch leven.

7.5.

Van belang is dat homoseksualiteit in Cuba niet bij wet strafbaar is gesteld en dat niet is gebleken dat eiseres de bescherming van de autoriteiten niet kan inroepen. Dat een aangifte van eiseres in het verleden niet in behandeling is genomen omdat het desbetreffende feit volgens de politie niet kon worden aangemerkt als strafbaar, doet hieraan niet af. Uit de algemene landeninformatie, waarnaar verweerder verwijst in het bestreden besluit, blijkt dat de situatie betreffende LHBT-ers in Cuba de laatste tijd in grote mate is verbeterd. Onder leiding van de dochter van de huidige president, Mariela Castro, vindt een langzame seksuele revolutie plaats. In Havana heeft een conferentie plaatsgevonden met betrekking tot LHBT-ers waaraan verscheidene Latijns-Amerikaanse landen hebben deelgenomen. Bovendien verbiedt de wet discriminatie op grond van seksuele oriëntatie bij werk, huisvesting, staatloosheid en toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. De overheid financiert geslachtsveranderingen en pride-marches. Er wordt ook gedemonstreerd voor huwelijken tussen personen van gelijke sekse. Eiseres voert aan dat zij van al deze veranderingen in de praktijk niets merkt en dat Mariela Castro’s inzet voor LHBT-rechten ook wel wordt geduid als een ijdelheidsproject en een persoonlijkheidscultus. Hiervoor verwijst eiseres naar de brief van het Landelijk Bureau van VluchtelingenWerk met bijlagen van 8 oktober 2017. Bovendien vormt de traditionele Cubaanse machocultuur een barrière voor LHBT gelijkheid, zijn huiselijk geweld en beperkte toegang tot huisvesting en werk als gevolg van homofobie grote beperkingen voor lesbiennes, komt repressie van homoseksuelen op Cuba op grote schaal voor, zijn activiteiten van LHBT-organisaties buiten die van Mariela Castro verboden, hebben homoseksuelen te maken met familiegeweld en bestaat een groot deel van slachtoffers van moord op Cuba uit homoseksuelen. Dit alles doet er echter niet aan af dat de ontwikkelingen in Cuba voor de LHBT-gemeenschap positief zijn en dat eiseres een wettelijke basis heeft om bescherming te vragen tegen discriminatie op basis van haar geaardheid. Eiseres stelt dat zij geen bescherming tegen haar problemen kan verkrijgen, omdat zij geen politieke volger van Mariela Castro is. Dat het hebben van een bepaalde politieke gezindheid een voorwaarde is voor het verkrijgen van bescherming, is door eiseres niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank dit niet volgt. Bovendien heeft eiseres aangegeven nimmer problemen te hebben ondervonden als gevolg van haar politieke overtuiging.

7.6.

Ten aanzien van de problemen die eiseres van de zijde van de autoriteiten heeft ondervonden, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres vermoedt dat zij door de politie is gearresteerd vanwege haar geaardheid. Nu zij dit vermoeden niet nader heeft onderbouwd, staat niet vast dat dit inderdaad de reden is waarom zij is opgepakt. Aan eiseres is immers meegedeeld dat zij zich bevond op een gedeelte van de boulevard waar zij zich niet mocht begeven. Dat er geen delen van de [boulevard] zouden zijn waar men zich niet mag begeven, dat bij de politie bekend was dat eiseres en haar homoseksuele vrienden zich op deze vaste plaats ophielden en dat alleen zij door de politie werden opgepakt, is niet nader onderbouwd. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij juist vanwege haar seksuele geaardheid is opgepakt. De door eiseres overgelegde brief van het Landelijk Bureau van VluchtelingenWerk met bijlagen van 8 oktober 2017 maakt dit niet anders. Dat uit een openbare bron zou blijken dat de Cubaanse politie plekken aanpakt die bekend staan als homo-ontmoetingsplaatsen, wat hier verder ook van zij, maakt nog niet dat eiseres vanwege haar geaardheid door de politie is opgepakt. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres niet is mishandeld, niet lang is vastgehouden en niet aan een disproportionele bestraffing onderworpen is geweest.

7.7.

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen noch dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiseres komt dan ook niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 heeft kunnen afwijzen. Hierbij is van belang dat eiseres zich zonder reisdocument bij de Brigade Grensbewaking heeft gemeld, terwijl zij met het reisdocument heeft gereisd. De verklaring van eiseres dat zij haar paspoort en haar vliegticket op de luchthaven van Schiphol heeft verloren, heeft verweerder redelijkerwijs niet hoeven volgen. Dat eiseres dergelijke belangrijke documenten bij zich zou hebben gedragen in een tas waarvan zij weet dat deze kapot dan wel zwaar versleten is terwijl zij in Nederland asiel wil aanvragen, getuigt van het bewust nemen van het risico van verlies. Verweerder heeft dit te kwader trouw mogen achten. Dat eiseres aangeeft dat zij nog naar haar paspoort op de luchthaven heeft gezocht, maakt dit niet anders.

9. Nu verweerder de aanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, heeft zij deze omstandigheid, gelet op het bepaalde in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in de beoordeling van het verkorten van de vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod mee kunnen nemen. Dat verweerder geen kenbare motivering heeft verricht, volgt de rechtbank dan ook niet.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.